
Alfa en Aurora
Auteur
Delta Winters
Lezers
🔥25,1M
Hoofdstukken
51
Roedel
RORY
Terwijl ik mijn ogen langzaam opendoe, vult een helder wit licht mijn gezichtsveld, en hoor ik de prachtige stemmen van een koor; liederen van het verleden, het heden, en alle dagen daartussenin.
Het is alsof ik zweef, met alleen de liederen van de tijd die me drijvende houden.
Met mijn wil alleen ga ik rechtop staan, hoewel ik onder mijn voeten niets dan mist voel, en een bijna onhoorbaar gefluister mijn hoofd binnendringt.
Het hemelse licht bedekt alles om me heen, waardoor ik me beschermd voel tegen alle angsten en het kwaad in de wereld. Maar ben ik nog wel op de wereld?
Wat gebeurt er?
Ik ben dood... Dat weet ik zeker.
Of toch niet?
Er verschijnen plotseling twee deuren voor me.
Aan de rechterkant doemt een smaragdgroene deur op, met disteltakken die de deurpost omlijsten.
Links verschijnt een gouden deur, waarvan het vergulde frame helder glinstert.
Ik zweef naar de gouden deur, maar zodra ik de deurknop wil pakken valt hij in het niets uiteen.
"Nog niet," fluistert een engelachtige stem me toe, "het is nog geen tijd."
Ik draai me naar de andere deur.
Deze keer verdwijnt de deur niet. In plaats daarvan zwaait de deur met gemak open.
Plotseling word ik door een onzichtbare kracht door de deur geduwd.
Terwijl ik door het bladerdak van een bos val, denk ik: "Hoe ben ik hier in hemelsnaam terechtgekomen?"
EEN UUR EERDER
"Alfa Nickolas houdt een roedelvergadering. Hij gaat eindelijk vertellen wie zijn partner is," vertelt mijn moeder, terwijl ik na school door de voordeur binnenkom.
Ik verstijf bij het nieuws.
Heeft alfa Nickolas zijn partner gevonden?
Ik kan het niet helpen, maar ik ben jaloers. Het grootste voordeel van wolf zijn, is dat ze erachter kunnen komen bij wie ze echt horen... wie hun soulmate is.
Wij mensen moeten anders door het leven gaan, verschillende relaties proberen, in de hoop dat we het deze keer bij het juiste eind hebben. Dat deze man, of die vrouw, degene is bij wie we echt horen te zijn.
Maar misschien bestaat ‘de ware’ ook helemaal niet voor mensen, en zijn we gedoemd om te zoeken naar meerdere soorten liefde.
Toch hou ik van het idee van een partner: het gevoel dat je echt bij iemand hoort, je veilig voelt in hun armen, en hun wens om alleen jou gelukkig te maken en vice versa.
Maar helaas ben ik een mens. De kans dat een weerwolf een mens als partner vindt, is zeldzaam. De harmonie tussen zielsverwanten moet op zijn minst gebaseerd zijn op dezelfde soort, toch?
Ik heb wel een vriendje, op de menselijke school waar ik naartoe ga. Zijn naam is Eddie en hoewel ik hem erg leuk vind, zou ik hem nooit kunnen vertellen dat ik samenwoon met weerwolven. Ik bedoel, ik heb het zelfs mijn beste vriendin Freya nog nooit verteld.
Hoe kunnen Eddie en ik elkaar ooit volledig vertrouwen als ik over zoveel dingen in mijn leven moet liegen?
Mijn moeder haalt me uit mijn hersenspinsels en trekt verwoed aan mijn arm zodat we niet te laat komen.
Nog iets wat je over mij moet weten: ik ben vervloekt met hopeloze onhandigheid, en zodra we de deur uit rennen, struikel ik over mijn eigen voeten.
***
Bij de roedelvergadering blijven mijn moeder en ik op de achtergrond staan, in de hoop dat we onzichtbaar zijn en zo min mogelijk opvallen.
Omdat ik een mens ben, is mijn geur natuurlijk heel anders dan die van de wolven, waardoor ik onmogelijk volledig onopgemerkt kan blijven.
De vorige alfa verwelkomde me in zijn roedel toen mijn moeder me thuisbracht, nadat ze me in het Verloren Weerwoud had gevonden, waar ik aan mijn lot was overgelaten.
De nieuwe alfa daarentegen, alfa Nick, haat mij.
In feite haat hij alle mensen.
"Vandaag is een gedenkwaardige gebeurtenis voor mij," begint alfa Nick, zijn stem galmt door de zaal. "Ik heb mijn partner gevonden, hier in onze roedel."
Wolven kunnen hun partner pas ruiken als ze achttien jaar zijn geworden.
Alfa Nick wacht al een paar jaar, dus zijn partner moet net op leeftijd zijn gekomen, of misschien weten ze het al een paar maanden, aangezien ze bij deze roedel hoort.
"Hier is ze," verklaart hij. Een lang, mooi meisje voegt zich bij Nick op het podium, haar glanzende haar hangt in golven over haar schouders en haar hazelnootkleurige ogen glinsteren in het licht.
Victoria.
Een meisje, een wolf, die me iedere dag van mijn leven heeft gepest.
We zijn even oud en ze was samen met haar vrienden een van mijn kwelgeesten in mijn jeugd. Omdat ik naar een menselijke middelbare school ga, zie ik haar tegenwoordig niet vaak meer. Godinzij dank...
Maar dat verandert niets aan het feit dat ze de luna wordt, de vrouwelijke leider van deze roedel, omdat ze de partner is van de alfa.
En net als haar alfa, haat ze mensen.
"Dan is het nu tijd voor onze traditie," kondigt de alfa aan, "wanneer een alfa zijn luna vindt, schenkt hij haar één wens. Haar diepste, donkerste wens."
Mijn moeder hapt naast me naar adem, terwijl de paniek zich over haar gezicht verspreidt.
We kijken ademloos toe hoe Victoria giechelend in zijn oor fluistert.
"Dat verbaast me niets," grinnikt de alfa, voordat hij zich tot de menigte wendt, "Mijn briljante luna heeft verzocht om de onmiddellijke uitzetting van alle mensen."
Vanaf de andere kant van de kamer werpt ze me een sluwe glimlach toe en trekt ze bewust haar wenkbrauwen naar me op.
Even staat de tijd stil. Het lijkt alsof alle leden van de roedel nu naar mij en mijn moeder kijken.
"Hier, neem dit," fluistert mijn moeder tegen me, terwijl ze een brief in mijn jaszak duwt, "het bevat alle antwoorden die je nodig zult hebben."
Ik heb geen tijd om vragen te stellen, want de alfa, de bèta en de luna lopen nu recht op me af. Hun ogen stralen een gevoel van dreiging en gevaar uit.
De roedel blijft stil en kijkt toe hoe ik uit het territorium wordt verbannen, over de grens wordt gedreven, met de alfa, de luna en de bèta die me voortduwen.
Ik krijg niet eens de kans om iets mee te nemen en mijn moeder kan ze niet stoppen. Omdat ze een wolf is zou haar verbanning uit de roedel te pijnlijk zijn, de roedelbanden zouden ervoor verbroken moeten worden.
Ze heeft geen andere keuze dan me te laten gaan.
Ik draai mijn hoofd en vang een laatste glimp van haar op. Mijn mama, mijn beschermer, de tranen stromen over haar gezicht.
"Denk aan de brief," roept ze nog een laatste keer tegen me.
Maar dan voel ik de hand van alfa Nick die me vooruit duwt, en ik weet dat ik niet langer kan blijven.
Als we eenmaal bij de grens komen betreden we het Verloren Weerwoud, waar de afvallige wolven zwerven, en ik vraag me af waarom ze me hier naartoe brengen.
Afvalligen zijn berucht om hun wreedheid en doden elk noodlottig mens dat op hun pad komt.
Ze zwijgen, alle drie met een geamuseerde uitdrukking op hun gezicht wanneer ze mijn angstige gezicht zien.
Deze drie wolven zijn kwaadaardig en sadistisch.
Plotseling, uit het niets, voel ik een scherpe klap tegen mijn hoofd en ik val op de grond. Mijn zicht wordt wazig en de bonzende pijn in mijn achterhoofd is geestdodend.
Ik schreeuw het uit als ik op mijn rug wordt gedraaid en met de grote handen van de alfa op mijn schouders tegen de grond wordt vastgehouden.
Zijn volle lichaamsgewicht verplettert me en ik zie de flits van zijn mes langs mijn kaak trekken. Zijn geamuseerde gezicht draagt een sluwe grijns.
"Wat doe je?" vraag ik op een bijna onhoorbare fluistertoon.
"Nou, kleine Rory, we nemen nu voorgoed afscheid van je," zegt Nick op een sluwe toon. "Ik kan het niet toestaan dat jij met je mooie mondje iemand over de wolven vertelt, of over de roedel."
"Mensen kunnen niet verbannen worden," zegt hij. "Mensen moeten sterven."
Zonder waarschuwing en zonder nog maar een seconde twijfel, graaft het metaal zich in mijn nekvel en snijdt het open.
Ik voel de behoefte om mijn nek vast te grijpen, om te proberen te ademen en het bloed dat over mijn handen stroomt tegen te houden.
Voordat alles zwart wordt, voel ik de brief van mijn moeder zwaar in mijn zak, vol met alle geheimen waar ik nooit achter zou komen, alle onbeantwoorde vragen.
Het is allemaal voorbij.
Ze hebben me vermoord...
Ik ben dood.
***
Voordat ik me goed kan oriënteren, realiseer ik me dat ik op het punt sta om met volle kracht de bosgrond te raken.
Ik zet mezelf schrap voor een pijnlijke klap, maar die komt niet.
De koren staken, het bijna pijnlijke, maar charmante licht is nu weg, vervangen door duisternis.
Ik knipper met mijn ogen open en zie tot mijn schrik dat ik terug in het bos ben, terug in het Verloren Weerwoud, waar mijn alfa me gedood heeft.
Ik krabbel overeind en onderzoek de omgeving.
De nacht dient zich aan en de duisternis omhult me, net als de zachte, kille bries. Geluiden van wilde dieren weerklinken door de wind die door de bomen giert.
Het geritsel van de bladeren bezorgt me rillingen op mijn rug en ik sla mijn armen om me heen, terugdeinzend voor de verschrikkingen van dit territorium.
Net als elk ander lid van een roedel, heb ik de verhalen over de afvalligen gehoord. Eenzame wolven die weigeren bestuurd te worden, weigeren te buigen en trouw te zweren aan een alfa.
Het zijn wolven zonder discipline, zonder moraal, zonder behoefte aan gezelschap.
En ik ben in het hart van hun territorium, schijnbaar herrezen uit de dood.
Ik word eraan herinnerd hoe krankzinnig dat idee is.
Ik verstijf wanneer ik me realiseer dat de warme vloeistof die ik aan mijn voetzolen voel mijn eigen bloed is, het bloed uit mijn eigen nek.
Het stroomt nu onder mijn voeten door en kleurt ze karmozijnrood, met een vleugje modder en vuil.
Hoe is dit mogelijk? Hoe ben ik hier? Ben ik wel echt hier?
Misschien leef ik helemaal niet. Misschien ben ik een geest. Of misschien is dit het hiernamaals, en was de deur waardoor ik werd geduwd, de poort naar wat er na de dood komt.
Ik raak mijn nek aan en voel dat er nog steeds bloed zit, maar de wond is volledig genezen, alsof hij er nooit geweest is.
Ik kan me dit niet verbeeld hebben, het bloed is daar bewijs van.
Ik probeer een stap te zetten en zoals gewoonlijk glijd ik uit.
Over mijn eigen bloed...
Ik draai op mijn rug, compleet uitgeput van alle energie.
Het enige wat ik weet, is dat ik antwoorden nodig heb.
Plotseling herinner ik me de brief in mijn zak...
Ik reik in mijn jas en ben opgelucht als ik het papier tussen mijn vingers voel.
Dit is het laatste wat ik ooit van mijn moeder zou krijgen.
Ik zal nooit veilig terug kunnen gaan, en zij kan de roedel niet verlaten.
Wist ze dat ze me gingen vermoorden?
Ik vouw de bebloede envelop open die in mijn zak zit en graaf in de opening om bij de brief te komen.
Ik lees de brief snel en slaak een kreet van schrik.
Daar, op deze pagina, in het keurige handschrift van mijn moeder, staan alle antwoorden waar ik ooit naar op zoek ben geweest.














































