
Ontsnappen aan het lot
Auteur
C. Sweets
Lezers
1,2M
Hoofdstukken
17
Inleiding
„Word wakker, Ava!“ roept mijn vader, Alpha James, achter mijn deur.
Voor ik kan antwoorden, smijt hij de deur open met zoveel kracht dat de klink eraf vliegt en een stuk muur meeneemt.
Hij staat in de deuropening, ziedend van woede. Ik sla mijn ogen neer om hem niet nog meer te provoceren, maar ik weet dat het tevergeefs is.
Zijn donderende stem vult de kleine ruimte tussen ons.
„Waarom staat het ontbijt niet klaar? De roedel heeft honger en de krijgers zijn terug van hun missie. Verdienen zij geen warme maaltijd als dank? Of ben je te stom om te bedenken dat de omega's het zullen doen?“
Mijn vader is een boom van een vent, met een stem die mensen doet luisteren. Hij is iemand waar je liever geen ruzie mee krijgt.
Maar het lijkt alsof mijn bestaan alleen al hem woedend maakt. Ik snap niet waarom.
„Het spijt me, Alpha,“ fluister ik. „Ik wist niet dat ze terug waren. Ik ga nu meteen naar de keuken om een grote maaltijd voor hen te bereiden.“
Ik blijf naar mijn blote voeten staren, zijn ogen ontwijkend. Ik heb op de harde manier geleerd hem niet aan te kijken tijdens het praten. Het maakt dat hij me wil straffen.
„Dat verwacht ik. Ik wil dat het om zeven uur vanavond klaar is. Ik wil niet dat iemand je ziet, en ik wil niet horen dat je met iemand in deze roedel praat. Is dat duidelijk?“
Hij kijkt me doordringend aan, wachtend op een teken van begrip. Ik knik, terwijl ik mijn vuile shirt met lange mouwen afklop - het zit onder opgedroogd bloed.
Ik sta op van de vloer als ik hem hoor weglopen, en kijk om me heen. Als je het al een kamer kunt noemen.
Het is praktisch leeg, met alleen een kussen en deken op de vloer en een klein kistje met kleren die de omega's me hebben toegestopt. Drie shirts en twee broeken.
Ik heb geen schoenen. Dat is een luxe die ik me niet kan veroorloven.
Als ik mijn kamer verlaat, hoor ik de roedelleden buiten lachen en spelletjes spelen. Ik vang wat gemene opmerkingen over mij op, maar dat is niets nieuws. Ze behandelen me zo sinds ik acht was.
Mijn broer ziet me de trap afkomen, maar wendt snel zijn blik af en draait zich om om een willekeurige zij-wolf te zoenen. Ik loop langs de groep en ga richting de keuken.
Niemand mag me meer helpen. De omega's is op straffe des doods verboden me te helpen.
Toen mijn zus zag hoe goed ik met hen overweg kon en hoe ze voor me zorgden, werd ik zo erg in elkaar geslagen dat ik niet kon lopen. De omega's keken vol afschuw toe, alsof ze dachten dat ik ter plekke vermoord zou worden.
Ik lag urenlang bloedend op de vloer, tot ik eindelijk genoeg kracht had om mijn hoofd op te tillen. Ik kroop op mijn buik de trap op, wetend dat als ik daar zou blijven liggen, ik het niet zou overleven.
Met al mijn wilskracht slaagde ik erin mezelf mijn kamer in te slepen en op te krullen op de vloer bij het enige raam dat ik heb. Het is gebarsten en laat nauwelijks licht door.
Die nacht lag ik daar - trillend, zonder deken, ijskoud en hevig bloedend - me afvragend waarom mijn familie me zo haatte alleen maar omdat ik bestond.
Het duurde uren voordat mijn lichaam stopte met bloeden, omdat ik zo ondervoed was.
Ik sta in de grote keuken en kijk om me heen.
Het heeft alles wat je je maar kunt wensen: vier koelkasten, drie grote vriezers, kasten vol met elke kruid en specerij die je kunt bedenken, en een voorraadkast vol kookgerei.
Ik open de eerste koelkast en haal er veel fruit en groenten uit, die ik op het aanrecht bij de gootsteen leg. Terwijl ik ze was, kijk ik door het keukenraam naar de roedelleden buiten.
De kinderen zien rennen en tikkertje spelen tovert een glimlach op mijn gezicht. Ze zijn zo vrij als ze maar kunnen zijn.
Nadat ik klaar ben met wassen en de groenten heb voorbereid, doe ik er een paar in de oven om te roosteren en andere in een pan met kokend water.
Ik begin verschillende soorten varkensvlees te snijden en te kruiden - elk met verschillende specerijen om ervoor te zorgen dat ze anders smaken.
Terwijl ik in gedachten verzonken ben, snijd ik per ongeluk in mijn hand met het mes. Ik haast me naar de gootsteen, spoel de snee onder stromend water terwijl ik naar iets zoek om het bloeden te stelpen.
Ik graai in de la onder de gootsteen, vind een handdoek en wikkel die strak om mijn hand. Nadat ik het bloed van het aanrecht en de vloer heb schoongemaakt, ga ik door met het bereiden van de maaltijd.
Drie uur later ben ik eindelijk klaar met koken. Het kost me verschillende trips om alle schalen met eten naar de eetzaal te brengen.
Ik ga terug naar de keuken en haal verschillende dranken - van water tot zelfgemaakte kruidenthee tot maanschijn.
Als alles klaar is, open ik de zaal zodat iedereen binnen kan komen. Ik sta aan het eind van de serveertafel, klaar om iedereen te helpen die het nodig heeft - meestal de kinderen, die hulp nodig hebben met drinken of het opscheppen van eten.
Dit is het enige moment van de dag waarop ik me een beetje beter voel. Als iedereen druk bezig is met eten, zeurt niemand me lastig om dingen voor hen te doen. Ze zijn allemaal gefocust op hun eigen wereld, en hebben me alleen nodig om de drankcontainers bij te vullen.
Ik mag niet met de roedel mee-eten, en ik mag alleen de restjes eten die me gegeven worden nadat ik al mijn werk heb afgemaakt. Het is meestal niet veel, maar ik heb geleerd dankbaar te zijn voor wat ik krijg.
Want er zijn nachten dat ik helemaal niets te eten krijg.
„Iedereen luisteren!“ zegt mijn vader, staand aan het hoofd van zijn tafel. Mijn moeder zit aan de ene kant van hem en mijn broer aan de andere. De zaal wordt stil en iedereen kijkt naar hem.
„Ik wil een toast uitbrengen op onze krijgers! Ze zijn veilig teruggekeerd en hebben nieuw land voor ons veroverd!“ Hij heft een volle beker, breed glimlachend.
Iedereen doet mee, heft hun bekers terwijl de jongeren juichen en klappen.
„We hebben nog meer te vieren. Mijn dochter, Crystal, heeft haar partner gevonden, Beta Louis van de Treetop Roedel!“ Hij kijkt rond terwijl iedereen luid juicht en klapt.
Mijn moeder, Luna Amber, staat op. „Ze komen morgen hier terug om hun band te voltooien. Tijdens deze tijd houden we ons lentefestival. Iedereen is uitgenodigd om deel te nemen aan de festiviteiten.“
Ze heeft tranen van geluk in haar ogen.
Mijn zus is iemand die de roedel op handen draagt. Ze krijgt alles wat haar hartje begeert en komt nooit in de problemen. Als ze gemeen is tegen andere vrouwen in de roedel, kijkt iedereen de andere kant op omdat ze de dochter van de alpha is.
Crystal is niet geleerd hoe ze een luna moet zijn of zichzelf moet verdedigen - mensen denken dat anderen deze dingen voor haar zullen doen. Ze heeft nooit hoeven koken of schoonmaken.
Ze kleedt zich niet eens zelf aan. Ze heeft bedienden daarvoor. Die kiezen haar kleren, maken haar bad klaar, kleden haar aan en doen haar haar en make-up.
Mijn hart bonkt terwijl ik bij de serveertafel sta. Er voelt iets mis. Mijn hoofd begint te tollen en mijn benen voelen slap.
Maar ik kan ze niet laten trillen, anders denkt de roedel dat ik onrespectvol ben en zullen ze me ervoor straffen. Ik houd mijn adem in en probeer niet te huilen.
Iedereen gaat weer zitten om verder te eten. Ik haal diep adem, zet een neppe glimlach op en probeer niet op te vallen.
Na wat een eeuwigheid lijkt, loopt de eetzaal leeg.
Mijn lichaam voelt alsof het in brand staat, en mijn keel voelt alsof iemand hem dichtknijpt. Ik heb overal pijn.
Ik haast me om de afwas te doen zodat ik naar mijn kamer kan gaan en kan gaan liggen, maar mijn moeder houdt me tegen als ik de keuken verlaat.
„Ik wil dat het huis morgen brandschoon is,“ zegt ze, zonder enige emotie te tonen. „Je zus en haar partner komen 's middags aan. De alpha van de Treetops zal er ook zijn.
„Gedraag je. Ga voor zonsopgang naar de tuinen om verse bloemen voor het huis te plukken.“
Ik knik alleen maar en buig terwijl ik de kamer verlaat.
Ik loop zo snel als ik kan zonder op te vallen. Iedereen zou nu moeten slapen. Ik kom bij mijn deuropening en herinner me wat mijn vader ermee heeft gedaan. Ik loop naar het raam, trek mijn kleren uit en haal diep adem.
Het maanlicht schijnt op mijn naakte lichaam, maar mijn lange, dikke rode haar bedekt mijn borsten en eindigt net eronder.
Ik kijk uit over de tuinen en zie iemand naar me opkijken. We kijken elkaar aan, allebei verward door wat we zien, als ik voetstappen achter me hoor.
„Wat is dit voor uitzicht?“ vraagt een diepe stem.
Ik draai me om en zie een man in een joggingbroek die me hongerig aankijkt. Ik probeer kalm te blijven en kijk hem aandachtig aan. Ik heb hem nog nooit eerder gezien, maar zijn tatoeages vertellen me dat hij een van de krijgers is.
„Oh, je bent het stille type. Mijn favoriet - totdat ik je mijn naam laat schreeuwen.“ Zijn ogen zijn donker van verlangen.
Hij komt dichterbij, als een wolf die zijn prooi bejaagt. Ik weet wat er komen gaat en ik kan hem niet tegenhouden. Hij duwt me op de grond, forceert zijn lippen op de mijne, zijn gewicht drukt op mijn borst terwijl hij zijn hand over mijn buik laat glijden.
Ik probeer niet te huilen.
„Je bent prachtig,“ zegt hij zachtjes, zijn lippen bewegen langs mijn nek. „Ik beloof je, vanavond zal onvergetelijk zijn. Je zult meer willen.“
Zijn handen betasten mijn lichaam, waardoor ik me misselijk voel. Hij stapt achteruit om zijn broek en ondergoed uit te trekken, laat zien dat hij opgewonden is.
Hij trekt aan mijn haar, dwingt me op mijn knieën. Hij kijkt op me neer, pakt mijn kin vast en kijkt in mijn ogen vol tranen.
„Open je mond,“ beveelt hij.
Ik kan het niet. Ik ben gewend om geslagen te worden, maar de mannen blijven meestal bij me uit de buurt. Er zijn momenten geweest dat dit eerder gebeurde. Twee keer toen ik een kind was, werd ik ernstig misbruikt.
Beide keren kon ik er niets over zeggen - ik zou gestraft zijn voor liegen. Zelfs als mijn vader me had geloofd, zou het hem niet hebben uitgemaakt. Hij zou hebben gedacht dat ik het verdiende.
Ik kijk smekend naar hem op, maar hij dwingt zijn hand in mijn mond en duwt zichzelf naar binnen. Zijn hoofd valt achterover terwijl hij zijn hand op mijn achterhoofd legt en in en uit beweegt.
Hij maakt diepe geluiden, genietend van het moment. Hij kijkt op me neer, beweegt sneller, kreunend bij elke beweging. Mijn gehuil negerend, drukt hij mijn gezicht tegen zich aan en laat me alleen ademen als hij eindelijk loslaat.
Hij duwt me terug op de grond en misbruikt me.
Na wat een eeuwigheid lijkt, glimlacht hij naar me, wrijft over mijn buik alsof hij iets goeds heeft gedaan. „De volgende keer zal makkelijker zijn. Laat niemand anders je aanraken tot dan. Je bent van mij.“
Hij staat op, trekt zijn broek aan, laat zijn shirt achter om mezelf te bedekken, en verlaat dan mijn kamer, fluitend.
Ik heb geen tranen meer over, dus ik gooi het shirt weg en krul me op tegen de muur.
Ik blijf de rest van de nacht zo zitten, knieën opgetrokken tegen mijn borst, kin erop rustend.
***
Als de zon begint op te komen, sta ik langzaam op en ga naar de badkamer. Ik zie mezelf in de spiegel, de sporen van wat er gisteravond is gebeurd.
Zijn vingerafdrukken staan op mijn armen waar hij me vasthield. Mijn borsten hebben bijtwonden die net beginnen te genezen. Mijn benen zijn gekrast en rood.
Mijn gezicht is rood, mijn lippen zijn gezwollen en gekneusd door zijn harde kussen. Mijn ogen zien er leeg uit door het gebrek aan slaap en het huilen.
Ik zet de douche aan. Het water komt ijskoud naar buiten. Ik stap erin, de kou schokt mijn lichaam, en pak de kleine zeep. Ik schrob mezelf hard, in een poging elk spoor van hem weg te wassen.
Ik stap snel uit de douche, trek een losse broek aan en een groot shirt dat te groot voor me is. Ik bind mijn haar in een knot, en probeer dan zo goed mogelijk mijn gezwollen ogen en donkere kringen te verbergen.
Ik heb niet veel tijd.
Eenmaal aangekleed, haast ik me naar de velden om kruiden en paddenstoelen te plukken, en breng ze dan naar binnen om schoongemaakt en opgeslagen te worden. Ik ga terug naar de velden om eventueel afval op te ruimen.
Nadat de trainingsvelden schoon zijn, ga ik naar de tuin om madeliefjes, gipskruid en hortensia's te plukken, en breng ze dan naar de keuken van het roedelhuis om de bloemen te schikken.
Als ik klaar ben, zet ik de vazen rond de ingang, woonkamer, gangen en Crystal's kamer. In de gastenkamers zet ik kleine potjes met chrysanten en ridderspoor.
Ik ga door met het schoonmaken van het roedelhuis terwijl de omega's het ontbijt maken. Ik begin met het afstoffen van de ingang, en dweil dan de marmeren vloeren.
Tegen de tijd dat ik bij de woonkamer kom, is de roedel al begonnen zich te verzamelen voor het ontbijt.
Ik klop de kussens van de bank op en maak eronder schoon. Ik ga naar de open haard, voeg nieuw brandhout toe en schik de foto's op de plank erboven.
Terwijl ik de tafels schoonmaak, voel ik handen om mijn middel. Dan ruik ik zijn geur.
De man van gisteravond. Hij omhelst me voor de hele roedel. Ik hoor gefluister en zie geschokte gezichten als hij me dicht tegen zich aan trekt en me kust.
„Ik heb je gemist, schatje,“ zegt hij, glimlachend naar me. Ik kan hem niet wegduwen en een scène veroorzaken, dus laat ik het voor nu gebeuren.
„Ik hoop dat je goed geslapen hebt. Ik heb in ieder geval genoten,“ fluistert hij in mijn oor.
Mijn gezicht wordt rood terwijl ik diep adem haal. „Het spijt me. Ik heb je naam niet gekregen,“ zeg ik terwijl zijn lippen de mijne raken.
„Sorry, ik ben David, de hoofdjager,“ zegt hij, in mijn ogen kijkend alsof hij probeert mijn gedachten te lezen. „Ik wil dat je met me mee-eet voor het ontbijt.“
„Ik ben bang dat ik dat niet kan - ik moet me voorbereiden op de terugkomst van mijn zus Crystal. Ik wil je niet teleurstellen,“ zeg ik, proberend beleefd te klinken.
Ik voel iedereen naar ons staren. De hoofdjager wil eten met het dienstmeisje van de alpha. Velen zeggen gemene dingen over mij, maar ik laat hun gefluister me niet deren, en focus me alleen op de man voor me.
Ik wil bij hem vandaan, maar ik kan niet. Hij heeft een hoge rang, en mijn vader zou me echt vermoorden als ik een scène zou veroorzaken op de dag dat mijn zus terugkomt.
„Oké,“ zegt hij simpelweg. „Ik zoek je later wel op. Na je training. Ik verwacht dat je me helpt met opruimen.“ Hij draait zich om en verlaat de kamer, en net zo snel volgt iedereen hem naar de eetzaal.
Ik ga verder met schoonmaken, proberend tot rust te komen. Nadat ik de woonkamer heb schoongemaakt, ga ik naar de slaapkamers, maak schoon en maak de bedden op.
Net als ik klaar ben, hoor ik het roedelhuis volstromen met opgewonden gepraat. Mijn zus moet zijn aangekomen.
Ik klop mezelf af en veeg mijn gezicht schoon voordat ik naar beneden ga om me bij de omega's te voegen.
Mijn zus komt binnen, haar lange bruine haar netjes gevlochten over haar schouder.
Ze staat zelfverzekerd, haar kleine borsten opgeduwd, veel huid tonend. Haar taille is smal en haar heupen zijn erg breed.
Ze kijkt de kamer rond op zoek naar onze vader, en rent dan naar hem toe als hun ogen elkaar ontmoeten. Ik merk dat David me in de gaten houdt, er verward uitziend.
De beta komt daarna binnen. Hij ziet er goed uit, maar niet geweldig. Hij is fit en lang, met lichtbruine huid, zwart haar en bruine ogen. Hij kijkt vol verwondering naar mijn zus, zijn partner.
Dan ruik ik het, een geur zo sterk en lekker... Het ruikt naar cederhout en dennenbomen. Mijn partner.
Kort daarna komt er een zeer knappe man binnen. Hij is veel langer dan mijn vader, waarschijnlijk twee meter tien. Zijn ogen zijn diepblauw en zijn gezicht ziet er perfect uit. Hij voelt dat ik er ben, kijkt de kamer rond en ziet er verward uit.
Plotseling voel ik een arm om me heen. Ik hoef niet te kijken om te weten dat het David is. Hij moet hebben gezien hoe ik naar de alpha keek en wilde laten zien dat ik van hem ben.
De kaken van de alpha spannen zich en zijn ogen worden donkerder.
Ik haal diep adem en kijk verward naar hem. Hij stapt naar me toe net als mijn vader begint te spreken.
„Alpha Black, we hopen dat het niet moeilijk voor u was om bij ons te komen. We hopen dat het huis goed genoeg is. We hadden niet veel tijd om ons voor te bereiden, maar onze omega's hebben hard gewerkt om ervoor te zorgen dat u comfortabel bent.“
Mijn vader steekt zijn hand uit naar Alpha Black, maar hij kijkt naar mij.
„Geen probleem. Het komt niet vaak voor dat mijn beta zijn partner vindt. Het land is goed en uw huis ziet er erg mooi uit. Hoewel het wel ruikt naar zweterige wolven,“ zegt de alpha, licht glimlachend naar David.
Ik haal diep adem, me voorbereidend op wat er gaat gebeuren. Een klacht van een alpha betekent dat ik in elkaar geslagen zal worden.
„Het spijt me daarvan. Onze mannen waren aan het trainen toen ze hoorden dat u eraan kwam. Ik zal Ava het meteen laten oplossen. Ava, kom hier,“ beveelt mijn vader, erg boos klinkend.
Ik loop naar mijn vader, naar de grond kijkend. „Ja, Vader, het spijt me dat ik u teleurgesteld heb,“ zeg ik, proberend niet te huilen.
Zonder nog iets te zeggen, grijpt mijn vader mijn gezicht en dwingt me hem aan te kijken. David kijkt bezorgd toe, en Alpha Black ziet eruit alsof hij niet weet wat hij moet doen.
„David, je mag haar wel, toch?“ schreeuwt mijn vader, zijn stem zo luid dat het iedereen in de kamer doet schrikken. Zelfs mijn zus springt op. Alpha Black kijkt woedend toe.
Mijn wolf spreekt. “We moeten rennen. Nu! Hij gaat je vermoorden. Onze partner beschermt ons niet. We moeten hier weg!“ Ik voel Lyra nerveus bewegen.
Mijn wolf praat niet vaak tegen me, dus ik weet dat ik in gevaar ben, dat ik misschien dood ga.
“Ik kan niet zomaar wegrennen. Ze zullen ons vangen, Lyra!“
“Als hij ons claimt, zitten we hier vast, altijd mishandeld door de roedel,“ zegt ze verdrietig.
“Wat wil je dat ik doe? Als we vluchten, zullen ze ons opjagen en doden. Als we blijven, zullen ze ons dwingen te paren. We zitten hoe dan ook in een benarde positie.“
Mijn maag draait zich om terwijl ik toekijk wat er gebeurt. Mijn broer glimlacht naar me, wetend dat ik te zwak ben om terug te vechten.
Mijn zus lacht in de nek van haar partner, terwijl hij met ogen vol medelijden naar me kijkt. Ik zie dat hij iets wil doen, maar te bang is om de situatie te verergeren.
Ik blijf stil, proberend te bedenken wat ik nu moet doen. Mijn partner moet dit laten gebeuren om me te straffen voor Davids acties. Maar het is mijn schuld niet, ik ben hier niet mee begonnen. Hij begrijpt me helemaal niet.
Ik laat mijn hoofd hangen, me diep schamend dat dit mijn leven is.














































