Cover image for Bedorven liefde

Bedorven liefde

Op weg naar huis

SAVANNAH

Gym verliep vlotjes. Percy en ik gingen naar onze volgende les en werden aan elkaar gekoppeld voor een groepsproject.
Zittend aan de achterste tafel besloot ik hem zodra we thuis waren te vertellen dat ik het probleem met de motorprins had opgelost.
Toen de bel eindelijk ging en we begonnen te lopen, voelde ik dat mijn nekharen overeind gingen staan en kreeg ik het gevoel dat ik bekeken werd.
Ik keek om me heen, klemde mijn jas met mijn elleboog tegen me aan en herpositioneerde mijn tas onder de niet aflatende zon.
Eerst zag ik niets, totdat we het schoolterrein afliepen. Toen zag ik ze.
Damon en zijn twee vrienden zaten aan het eind van de straat die we zouden oversteken, op het bankje in het park alsof ze niets beters te doen hadden.
Percy zat op zijn telefoon te scrollen. Voordat ik de kans kreeg om voor te stellen dat we van kant zouden wisselen, riep mijn blondharige Zonnestraaltje mijn valse naam.
Ik zwaaide terug, draaide me naar Percy om en griste de telefoon uit zijn hand.
“Percy, ik heb het verkloot, maar ik kan het aan. Niet kijken maar je moet de straat oversteken en naar huis gaan.”
Ik fluisterde gehaast, terwijl ik een kalme en neutrale uitdrukking op mijn gezicht hield voor de jongens die voor ons stonden te wachten.
“Wat de fu…” Zijn ogen schoten naar voren en zagen waar ik op moest doelen; zijn lichaam verstarde en ik zag angst door zijn blauwe ogen flitsen.
“Ik weet het, maar het is in orde. Blijf lopen en roep me als ik over vijf minuten niet achter je aankom. Alles is in orde. Ga.”
Ik gaf hem zijn telefoon terug en gaf hem een duw in de richting die ik wilde dat hij opging.
Hij deed wat ik zei, net als toen we kinderen waren, liep naar de overkant en keek niet om.
Toen ik bij het bankje in het park aankwam, gaf Zonnestraaltje me een stralende glimlach.
“Hallo, schoonheid,” flirtte hij schaamteloos.
“Zonnestraaltje.” Ik zwaaide weer met mijn hand en keek hem argwanend aan.
“Ik heb rondgevraagd naar Ginny Griffel en niemand schijnt te weten wie je bent.”
Damon stak zijn zonnebril in de kraag van zijn witte T-shirt, waardoor hij diep in zijn V-hals hing.
“Vroeg je het met een g of een j? Misschien komt het door hoe je het uitspreekt,” plaagde ik.
Zweet glinsterde op zijn bleke huid.
“Waarom vraag je eigenlijk rond naar mij? Heb ik niet duidelijk gemaakt dat ik geen interesse heb?” Ik verschoof mijn gewicht naar één heup en vouwde mijn armen over mijn borst.
Damon snoof zo achteloos, alsof dit wel het laatste was wat hij geloofde.
“Bovendien ben je niet op zoek naar een 'nieuw speeltje',” voegde ik er zelfvoldaan aan toe en nam een diepe stem aan om het net zo te zeggen als hij. Zonnestraaltjes glimlach verbreedde zich, evenals die van de bruinharige jongen.
“Waarom ga je met die flikker om?”
Damon keek in de richting waar Percy heen was gegaan. Eén ding dat ik nooit en te nimmer heb geaccepteerd, was dat iemand slecht over Percy praatte.
Hij kwam op zijn veertiende uit de kast als biseksueel en ik heb hem altijd gesteund.
Als iets me in het harnas joeg, was dit het wel.
“De geaccepteerde uitdrukking is gay, wat hij niet is. Ik zou zeggen dat het leuk was om met je te praten, Engel, maar dat was het niet. Ik heb geen tijd voor een homofobe klootzak als jij.
“Ik ga ervandoor. Dag, Zonnestraaltje.” Ik zwaaide naar het blondje en zelfs naar de bruinharige jongen voordat ik Damon een dodelijke blik toewierp.
Mijn gympen stampten over de weg. Ik was nog niet eens aan de overkant voordat Zonnestraaltje aan mijn zijde stond.
“Het spijt me dat hij je boos heeft gemaakt.” Hij ging voor me staan en begon achteruit te lopen zodat we elkaar aankeken.
“Je hoeft geen spijt te hebben, als jullie die les maar leren.”
Ik stopte met lopen zodat hij me niet naar huis zou volgen. Ik zag Percy een paar huizen verderop achter een struik vandaan gluren.
“Kan ik je ergens mee helpen, Zonnestraaltje? Ik heb echt liever niet dat je me naar huis volgt.”
Hij glimlachte, een brede grijns die, als hij mijn type was geweest, misschien op mij zou hebben gewerkt, zoals hij duidelijk verwachtte.
“Deal. Je naam is niet Ginny.”
“Wie zegt dat?”
“Waarom heb je Damons kleren meegenomen?”
Hij veranderde van onderwerp, maar de blik die hij naar iets achter me wierp ontging me niet.
Ik draaide me opzij zodat ik goed zicht had op mijn omgeving en wisselde mijn jas en tas van arm.
“Ik had ze nodig. Het was, ik zweer het, een noodgeval. Het spijt me, maar wat gebeurd is, is gebeurd. Help hem eroverheen.”
Mijn telefoon begon te rinkelen en ik wist dat het Percy was.
Ik keek ernaar, drukte op accepteren en hield hem tegen mijn oor.
“Ik moet gaan, Zonnestraaltje, fijne avond.”
Ik zwaaide nog een laatste keer en begon een nepgesprek met Percy voordat hij iets terug kon zeggen of nog meer vragen kon stellen.
Ik liep snel weg en keek achterom om er zeker van te zijn dat er geen ogen meer op me gericht waren voordat ik Percy uit het bosje liet komen en we ons naar huis haastten.
Zodra de deur dicht was, stond Percy voor mijn neus en eiste hij dat ik hem vertelde wat er aan de hand was.
“Nou... het was dus Damon van wie ik de kleren geleend had en toen ik ze terug wilde brengen betrapte hij me. Er is niets gebeurd, ik heb nu gewoon hun aandacht. Alles is in orde.”
Hij deed zijn gewoonlijke stressroutine en herhaalde alles wat ik zei voor zichzelf alsof het een vraag was.
Hij was normaal erg op zichzelf en als oom Jonah thuiskwam, praatte hij niet veel met hem tijdens het eten en liet hij mij het meeste werk doen.
Oom Jonah zorgde er altijd voor dat hij elke avond de tijd nam om apart met ons te praten, alsof hij ons instopte of zo.
Hij wilde ons onafhankelijk zijn aandacht geven en zeker weten dat we in orde waren.
Bij mij leek hij er langer over te doen, ook al vertelde ik hem nauwelijks iets echts.
Ik hield van mijn oom, begrijp me niet verkeerd, maar het was gewoon moeilijk om me überhaupt open te stellen.
En oom Jonah leek heel erg op mijn vader, die ik zo vreselijk miste dat het fysiek pijn deed, dus ik probeerde er alles aan te doen om daar niet aan te denken.
Hem elke avond binnen zien komen maakte het nog veel moeilijker om dat te vergeten.
Als ik mijn ogen sloot, kon ik doen alsof het papa was die sprak; hij klonk net als oom Jonah wanneer die verkouden was en zijn stem schor was.
Toen hij die avond binnenkwam, gebruikte ik die tijd om hem te vragen naar de motorkoning en zijn prins.
“Ik heb over de motorkoning gehoord. Zijn zoon gaat naar onze school.” Ik spoorde hem aan om erover te praten zonder dat ik het hem direct vroeg.
“Lucien en Damon.” Hij knikte, liep langzaam een rondje door mijn kamer en keek omhoog naar mijn lege muren.
“Die hele stadsbuurt lijkt mij het leven zuur te willen maken.” Hij kreunde en wreef over zijn ouder wordende gezicht.
“Zullen we dit weekend naar de bouwmarkt gaan en wat verf halen? Wat kwasten? En dan kun je je helemaal uitleven?”
Hij duwde me mijn verleden in en wilde dat ik mijn kamer net zo zou verven als mijn oude slaapkamer.
Ik had toen overal verschillende kleuren verf.
Toen ik elf werd, verhuisde mam al mijn meubels naar buiten en bedekte ze de vloer met dikke plastic zeilen.
We kochten liters en liters verf die ik op mijn muren mocht gooien en spetteren.
Toen ik klaar was, leek het alsof de kleuren van het plafond af gesmolten waren en naar beneden druppelden.
Ik vond het prachtig.
“Dit weekend? Ik weet het niet... ik heb veel schoolwerk te doen... en ik moet naar therapie.”
Ik haatte het om nee te zeggen, maar ik kon niet vervangen wat ik verloren had.
Het had geen zin om het te proberen.
Hij knikte, begreep wat ik eigenlijk wilde zeggen.
“Damon geeft je toch geen problemen?”
Hij keek me aan, zijn volledige aandacht op mij gericht, waardoor ik wegkeek.
Zijn politiekant scheen door.
“Nee, ik heb geen lessen of zo met hem.” Dat was de waarheid.
“Goed. Nog nieuws over Percy?”
Oom Jonah grinnikte.
“Nee, het gaat goed met hem. Volgens mij is hij een oude man in een tienerlichaam, gestrest over van alles en nog wat, maar oké. ”
Hij knikte, de stilte dreef de kamer binnen als vers gevallen sneeuw.
“Met mij gaat het ook goed, oom. Ik ben nog steeds een puinhoop, maar het gaat goed. Alles welbeschouwd.”
Ik wilde zijn zorgen wegnemen.
Percy had dat zeker van zijn vader.
“Ik weet het, kind, je bent te sterk voor je eigen bestwil. Dat ben je altijd geweest. Dapper en onverschrokken. Ik heb nog nooit een kind ontmoet dat de shit die jij hebt doorgemaakt met zo’n gemak aankon als jij.”
Hij draaide zich om en keek naar het dressoir.
Het was van mijn vader geweest toen hij nog een kind was.
Bedekt met stickers uit de loop van zijn leven, elk een herinnering die hij erop plakte.
Er lang een leren jasje op, en oom Jonah stak zijn hand uit om het aan te raken.
“Het staat je goed. Hij had je er graag in gezien, Ellis niet zozeer. Ik weet bijna zeker dat ze me een schop onder mijn kont zou geven omdat ik het je zelfs maar heb laten zien.”
Hij streek over de patches op de zijkant.
Vaders leren jas was mijn persoonlijke familiestuk; het is mijn meest waardevolle bezit en ik waak erover met mijn leven.
Papa zat in een “bad boy-club” met zijn vrienden van de middelbare school en ze hadden allemaal bijpassende jassen.
De patches die op de zijkant zijn genaaid, zijn gepersonaliseerd en handgemaakt.
Papa’s jas was gebarsten en gekreukt met overal krassen en kerven, en bedekt met een laag vuil toen ik het op zolder vond.
Daar had ik mijn tijd aan gewijd toen ik net uit het ziekenhuis kwam.
Ik had hechtingen en zat in het gips, ik stond onder zelfmoordbewaking en kon niet alleen gelaten worden.
Dus vulde ik mijn tijd met werken aan het restaureren van mijn vaders jas.
Ook al was het buiten regelmatig 30 graden en zou dat de komende drie maanden nog steeds zo zijn, toch ging ik niet naar buiten zonder die jas.
Oom zei me welterusten en deed het licht uit, zodat ik alleen achterbleef met mijn gedachten.
En die waren helemaal gevuld met een duistere engel, de prins van de motorrijders en de grootste klootzak die ik in lange tijd had ontmoet.
Alles bij elkaar was vandaag eigenlijk best wel... leuk.
Continue to the next chapter of Bedorven liefde