
Een faeverhaal prequel: voor het lot
Auteur
Nicole Woodward
Lezers
38,3K
Hoofdstukken
47
De ogen van de troonzaal
Een faeverhaal prequel: voor het lot (Aubrey’s verhaal)
Aubrey's lot was al bepaald voordat ze kon praten.
Zonlicht viel door het torenhoge glas in lood-raam en wierp een caleidoscoop over de glanzende vloer. Elke lichtstraal danste over de eeuwenoude tronen van het koninkrijk Sablewood; symbolen van een erfenis waarvan ze niet zeker wist of ze die wel wilde.
'Tijdens de lente-equinox, Aubrey, zul je tot koningin worden gekroond.'
De woorden sloegen in als een bom. Aubrey maakte een diepe buiging, terwijl haar gedachten op hol sloegen.
'Vader, mijn koning,' zei ze voorzichtig, 'dat is al over een maand.'
Koning Galdor, die normaal gesproken net zo onwrikbaar was als de bergen rondom Sablewood, schoof heen en weer op zijn troon. Het was subtiel, maar Aubrey merkte het op.
De last van het regeren drukte vandaag zwaar op hem en rimpels groeven zich in zijn voorhoofd. Zijn lichtgrijze ogen schoten naar koningin Daena.
De koningin beantwoordde zijn blik met een aarzelende glimlach. Haar goudblonde haar, doorweven met zilveren strengen, was met geoefende elegantie opgestoken. Ze zag er in alle opzichten uit als een vorstin, hoewel haar stralende ogen—ooit zo vol warmte—dof waren geworden van bezorgdheid.
'Liefste,' zei ze met zachte stem, 'we regeren al bijna drie eeuwen. Zelfs wij zijn gebonden aan de wetten van dit rijk.'
Aubrey's vleugels bewogen onder haar vlecht. Gebonden aan wetten? Haar ouders, de heersers van Elarion, geketend door decreten? Absurd.
'Verander ze dan,' zei ze.
De woorden glipten er scherp en sterk uit en sneden door de stilte. Geschokte kreten klonken vanuit de schaduwrijke nissen waar de geestelijken als schimmen stonden.
Ze maakten geen geluid, maar het geritsel van perkament en hun vernauwde ogen spraken boekdelen over hun oordeel. De geestelijken. Altijd observerend. Altijd fluisterend.
Hun vingers gleden langs oude wetten alsof zij alleen de draden van het lot konden weven. Ze verachtten de vampiers, maar bewogen op dezelfde manier—ze kropen door de schaduwen, voeden zich met aarzeling.
Eén van hen stapte naar voren. Geestelijke vierhonderdeenentwintig—Rodney.
Zijn skeletachtige vingers klemden een perkament vast dat zich ontrolde als een slang. Zijn stem kraste, net zo droog als het broze schrift dat hij bij zich droeg.
'Uwe Hoogheid,' zei hij. 'De kwestie van troonopvolging mag niet worden veranderd. Er staat geschreven dat de erfgenaam de troon van Sablewood zal bestijgen op of voor diens tweehonderdeerste levensjaar. Diegene moet dan een gemaal kiezen, als die nog niet geselecteerd is, om de bloedlijn in stand te houden en de toekomst van het rijk veilig te stellen.'
Rodney’s kraaloogjes glinsterden toen hij het perkament weer oprolde en een kleine grijns verscheen op zijn mond. Aubrey keek niet naar hem. Haar focus bleef op haar ouders gericht.
'Moeder. Vader,' zei ze wat standvastiger. 'Jullie zijn nog steeds in staat om te regeren. Waarom zou het uitmaken dat ik tweehonderd ben geworden?'
Voordat ze konden antwoorden, gleed Rodney’s stem er weer tussendoor. 'Inderdaad, Uwe Hoogheid, het lijkt erop dat uw ouders u hebben vertroeteld alsof u nog een baby bent.'
'Genoeg.' De stem van koningin Daena klonk als kristal dat op een steen kapot sloeg. 'De opvoeding van onze dochter gaat u niets aan. U spreekt wanneer u wordt opgeroepen—en niet eerder.'
Er viel een zware en gespannen stilte. De geestelijken wisselden blikken uit en hun gedachten waren bijna zo zichtbaar als rook. Ze waren nog niet klaar.
De koningin draaide zich weer naar haar dochter. 'Jij bent tweehonderd en wij vervagen. Je moet het accepteren zoals het is.'
Die zachtheid deed meer pijn dan een berisping. Aubrey's keel kneep zich samen.
'Jullie zijn niet oud,' zei ze veel te snel.
Maar nu zag ze het. Haar vaders handen, ooit zo machtig, rustten zwaar op de troon en zijn vingers gleden over de versleten groeven in de steen. Haar moeder, stralend als altijd, leek op porselein—foutloos, maar breekbaar.
Koning Galdor sprak opnieuw, zijn stem was zachter. 'De tijd tikt door, Aubrey. Zoals onze ouders ons hebben begeleid, zo moeten wij jou ook begeleiden. Zonder een gemaal—zonder een erfgenaam—eindigt onze bloedlijn.'
Haar vleugels spanden zich aan. 'En als ik zou weigeren?'
Voordat haar vader kon antwoorden, stapte er een gedaante uit de schaduwen naar voren—een man die niet in de gelederen van de geestelijkheid thuishoorde, alleen al qua uiterlijk. Thalos.
Leider van de Sablewood-geestelijkheid. Zijn lichtbruine haar was niet met olie strak naar achteren gekamd en hij sloop niet rond zoals de rest. Hij bewoog met een onnatuurlijke elegantie en zijn lichtblauwe ogen waren te helder, te veelzeggend.
'Uwe Hoogheid,' zei hij, met een stem zo glad als gepolijst glas. 'Over zes dagen wordt er een bal gehouden. Twaalf aanbidders zullen zich presenteren. Uit hen kiest u uw prins-gemaal—hij die als koning naast u zal staan.'
Aubrey's hart kromp ineen. 'Dus dit is geen overleg. Mijn lot is bepaald.'
'Aubrey, mijn bloem,' zei koningin Daena zachtjes, 'het volk aanbidt je. Je zult een stralende koningin zijn. Maar zonder gemaal, zonder toekomst…' Ze stopte even, en Aubrey ving een aarzeling op die haar moeder zelden liet zien.
Een andere geestelijke stapte naar voren. Plinth, mager en traag, ontrolde een perkamentrol met theatrale precisie. 'In het geval dat de troonopvolger faalt om een opvolger te voorzien, of mochten zij afstand doen van de troon, zal de geestelijkheid het rentmeesterschap van het rijk op zich nemen totdat er een rechtmatige heerser is benoemd.'
Aubrey wierp Plinth een koude blik toe. 'En wanneer, precies, is dat decreet geschreven? Was het in de dagen van de Tweede Koning? Of simpelweg veertien dagen geleden, toen jullie in het geheim plannen over mijn toekomst begonnen te maken?'
Koning Galdor wierp een blik op de massieve klok die aan de muur de tijd wegtikte. 'Je hebt je koninginnenlessen voor het avondeten, Aubrey. We zullen deze… discussie morgen voortzetten.'
Aubrey wachtte niet op toestemming om te vertrekken. Met een snelle, vloeiende beweging ontrolden haar bronzen vleugels zich, de veren weerspiegelden de gouden gloed van haar haar toen ze het licht van de edelsteen vingen.
Terwijl ze opvloog, ving ze de blik van haar moeder—en haar subtiele, veelbetekenende knipoog liet een gevoel van verzet door haar heen stromen. De geestelijkheid had hun zet gedaan.
Maar Aubrey was niet van plan om zo makkelijk te buigen voor hun wil.
***
Ondanks de zwaarte van de troonzaal die nog aan haar kleefde, trok er een grijns om Aubrey's lippen. Koninginnenlessen—wat een farce.
Al bijna anderhalve eeuw hielden haar ouders die illusie in stand. Lessen in een of andere afgelegen wijk van Sablewood? Nauwelijks. In een stenen kamer zitten en protocollen opdreunen, zorgde voor jeuk op haar huid.
Haar hart behoorde toe aan de lucht, de bomen—de wilde plekken waar het bereik van het koninkrijk dunner werd.
Ze wikkelde zichzelf in een dikke reismantel en stapte haar balkon op. De avondbries begroette haar als een oude vriend, trok aan de zoom van haar mantel en bracht de geur van dennen en vochtige aarde mee.
Ze sloot haar ogen en ademde diep in, ze genoot van de stille vrijheid. Geen bewakers. Geen hof. Geen titels. Alleen wind. Lucht. Vlucht.
Met één enkele, vloeiende beweging ontrolden haar vleugels zich, het brons flitste in het vervagende licht. Ze sprong—de lucht werd gevangen onder haar veren terwijl ze omhoog zweefde en de stenen torens van het kasteel achter zich liet.
Onder haar strekte het bos zich wijd uit—een smaragdgroene zee die geheimen fluisterde die alleen zij kon horen. Door de ondergaande zon kleurde het bladerdak goud en violet en haar hartslag versnelde van opwinding. Een schaduw kruiste haar pad. Een Thalariaanse uil, reusachtig en stil, zweefde voorbij op weg naar de kliffen.
Zijn amberkleurige ogen ontmoetten een seconde de hare voordat hij in de richting van de bergen verdween, waar de laatste kus van de zon de rotsen verlichtte. Achter hem kwam het bos in beweging. De nachtuilen begonnen hun beklijvende roepen, zachtjes weerkaatsend vanuit de bomen.
Terwijl ze afdaalde door het bladerdak, gleed het gewicht van de dag van haar schouders. Het bos accepteerde haar zonder vragen, de stilte was als een balsem voor haar rafelende randjes.
Ze stuurde naar links en pakte een opwaartse luchtstroom, haar vleugels gleden moeiteloos naar haar ware bestemming—een verborgen open plek tussen het koninkrijk Sablewood en de verre stad Aranello.
Verscholen tussen de bomen stond een kleine hut, met een rieten dak dat door mos was verzacht en klimop die langs de stenen kronkelde. Haar toevluchtsoord.
Rook kronkelde uit de schoorsteen en vermengde zich met de wilde geur van schemering en leem. Vlakbij glinsterde een kas zwak in het schemerlicht—het betoverde glas warm van leven.
Eén muur was open, waardoor de adem van het bos erdoorheen kon trekken. Binnen groeiden de planten zoals ze wilden—verstrengeld, ongebonden, paleistuinen zouden nooit zo kunnen zijn.
Toen Aubrey uit de lucht neerdaalde, zag ze beneden Nalia, die de horizon al afspeurde met haar scherpe elfenogen. Nalia's rode krullen vingen het wegstervende licht en omlijstten haar puntige oren en er brak een ondeugende glimlach door op haar gezicht toen ze zwaaide.
'U durft wel, om zo laat nog aan te komen, Uwe Hoogheid,' plaagde Nalia, valse formaliteit klonk dik door in haar stem.
Aubrey landde met een dramatische kreun naast haar. 'Moet je me echt zo noemen?'
'Oude gewoontes,' zei Nalia, terwijl haar grijns affectie verraadde. 'Hij is in de kas. Kieren vliegt je over een uur terug.'
'Twee,' wierp Aubrey tegen.
Nalia rolde met haar ogen. 'Dan mis je het avondeten. Je hofdames zullen in opstand komen.'
'Ik ben er zeker van dat er iets staat te pruttelen in jouw keuken. Haal je een kom voor me?'
'Vooruit,' zuchtte Nalia, lachend. 'Uw wens, prinses.'
Aubrey kuste haar wang als dank en liep naar de kas, aangetrokken door de geur van aarde en dennen, van levende wezens die wild waren gelaten. Binnen knielde Caedar tussen de zaailingen.
Hij zag eruit alsof hij daar was gegroeid—zijn gewaden van groen en bruin gingen op in de planten, lang zilveren haar naar achteren gebonden, handen diep in de aarde terwijl hij oude elfenliederen fluisterde.
De lijnen in zijn gezicht waren uitgesneden door eeuwen, maar in zijn ogen glinsterde ondeugendheid, als sterrenlicht begraven in oude steen. 'De vorst laat los,' mompelde hij, terwijl zijn vingers een zachte spruit streelden. De woorden waren niet echt voor haar bedoeld.
Hij was al sinds haar kindertijd in haar leven. Niet zomaar een leraar, maar een anker voor de oude magie—voor de ritmes van wortel en wind en steen. Van hem had ze geleerd om naar het land te luisteren, in plaats van het alleen maar naar haar hand te zetten.
Ze herinnerde zich de dag dat haar vleugels zich voor het eerst ontrolden op haar twintigste. De volwassenwordingsceremonie stond in haar geheugen gegrift als sterren aan de nachtelijke hemel.
De pijn van die verandering was inmiddels ver weg, maar de wilde, opstijgende vrijheid—het moment waarop ze één werd met de wind—bleef net zo levendig als altijd.
Haar aura had haar pad onthuld: een tuinbloeier, voorbestemd om leven uit de aarde onder haar voeten te voeden. Het kwam niet onverwacht—geen enkele erfgenaam van Sablewood had ooit een aura getoond dat gekoppeld was aan regeren. Maar Aubrey had zich nooit gekleineerd gevoeld door dit lot.
Haar ouders en grootouders hadden haar juist altijd aangemoedigd om haar passie te volgen, om de magie in zich te cultiveren. Het was een vrijheid waarvoor Aubrey eeuwig dankbaar was.
Ook Caedar had die passie gekoesterd en haar alles geleerd wat hij wist—van het met zachte handen tot leven wekken van zaailingen tot het tevoorschijn toveren van zaden uit de lucht zelf. 'Waarom sta je daar maar, kind?' vroeg Caedar, zijn toon nors maar vertrouwd.
In tegenstelling tot Nalia noemde hij haar zelden prinses—en hij liet haar nooit vergeten hoe jong ze bleef in zijn ogen.
Aubrey maakte een buiging. 'Mijn excuses, Caedar. Nalia haalt eten voor me, en ik… genoot van het uitzicht.'
Zijn ogen bleven op de aarde gericht, terwijl zijn handen zachtjes te werk gingen. 'Luister dan goed. De muur blijft vanavond open. De planten snakken naar de berglucht nu de vorst breekt. En als je gegeten hebt—wil ik dat je een bloem creëert.'
Een bloem. Een rilling liep over haar rug. Eenvoudig van naam, maar complex—de ware test van scheppingsmagie. Leven, schoonheid, balans. Elementaire harmonie geweven in één enkele bloesem.
'Ik heb zaailingen opgekweekt,' zei ze aarzelend. 'Maar een bloem…'
'Je bent er klaar voor,' onderbrak Caedar haar, terwijl hij langzaam opstond. 'De lente ontwaakt, en je hebt al meer dan genoeg leven ingeblazen. Waarom laat je je twijfels de aarde vergiftigen?'
Voordat ze kon antwoorden, verscheen Nalia met een stomende kom in haar handen. 'Omdat ze niet gelooft dat ze een kroon waardig is,' zei ze, en ze drukte het eten in Aubrey's handen. 'Die twijfel sijpelt door in alles wat ze aanraakt.'
Aubrey blies zachtjes op haar lepel, geurige kruiden en specerijen dwarrelden omhoog. 'Maar jij begrijpt het, of niet?'
Nalia stopte een krul achter haar oor. 'Ik doe alsof. Maar ik heb je zien opgroeien tot meer dan een prinses. Misschien is het bescheidenheid die je tegenhoudt.'
'Het is meer dan dat,' zei Caedar, niet onvriendelijk. 'Laat haar eerst eten. Het licht vervaagt, en wat ze onder ogen moet zien is niet simpel.'
Nalia grijnsde en stootte zachtjes tegen de arm van haar vader. 'Ga jij ook eten, wijze?'
'Alles op zijn tijd,' mompelde hij. 'Zodra ze begint… zal ik haar ermee alleen laten.'
De lepel pauzeerde halverwege haar mond. 'Alleen?'
Het was een vreemd woord—onbekend. Afgezien van in de lucht, was ze nooit echt alleen geweest. Caedar en Nalia waren er altijd geweest, gebonden door hun beloftes om haar te beschermen.
Caedar reikte in zijn gewaad en legde iets in haar hand: een klein gouden belletje, warm en massief en op leeftijd. Ze streek over de runen die erin gegrift waren, terwijl het metaal zwak gonsde van de magie.
'Je kent de woorden,' zei hij zachtjes. 'Als je ons nodig hebt.'
Aubrey knikte. 'Dat doe ik.'
'Deze plek is veilig,' voegde Nalia eraan toe.
Aubrey geloofde haar. Nalia's broer, de stille bewaker van het bos, hing altijd rond aan de rand—ongezien, maar nooit ver weg.
Caedars stem verbrak de stilte. 'Eet nu. Laat me daarna zien wat er is opgebloeid.'













































