Cover image for Alfa Jasper

Alfa Jasper

Hoofdstuk Twee

Thea

„We zitten behoorlijk in de problemen...“
Ik begraaf mijn gezicht in de zachte kussens op June's oude bank, in een poging haar bezorgde stem niet te horen.
Ik kwam hier in de veronderstelling dat ze niet zou weten dat Jessica weg was. Ze komt nooit buiten - ik doe zelfs haar boodschappen - en ik dacht dat haar ouders het haar niet zouden vertellen.
„Vermist? Hier raakt toch nooit iemand vermist,“ zegt ze, zo bezorgd klinkend dat ik bijna medelijden met haar krijg. Jammer dat ze denkt dat een of andere onbekende Jessica heeft meegenomen...
„Ze mocht niemand hier,“ probeer ik haar uit te leggen. „Het zou me niks verbazen als ze gewoon uit zichzelf is vertrokken.“
June lijkt me niet te geloven. Ze frummelt aan haar shirt. Haar ogen zijn net als de mijne, lichtbruin, maar een tintje donkerder.
Soms denken mensen dat we zussen zijn, wat ik leuker vind dan zij. June is erg knap. Ze heeft mooie gelaatstrekken, grote ogen en een lieve glimlach.
Haar haar is voller en mooier dan het mijne, en zit altijd goed.
Haar gezicht is donker omdat het licht achter haar is. Het ziet er interessant uit met die grote storm buiten.
Regen komt hier niet vaak voor. En stormen zijn zo zeldzaam dat ze bijzonder zijn.
Met regen die op June's dak en ramen klettert, en donder op de achtergrond, verbaast het me dat ze niet bang is.
„Stel dat iemand haar heeft meegenomen? Wat als wij de volgende zijn?“ vraagt ze, terwijl ze aan haar krullende haar plukt.
Op dat moment lijkt ze sprekend op Jessica. „June, maak je nou geen zorgen...“
„Ik woon in m'n eentje... O nee!“ Ze begint heen en weer te ijsberen voor me. „Ik ben de volgende, toch?“
Ik sta op en pak June bij haar schouders. Ik kijk haar aan, terwijl ik haar stevig vasthoud terwijl ze trilt. Ze is echt bang, en ik kan wel begrijpen waarom.
Zoiets is nog nooit gebeurd in ons rustige stadje.
Plotseling steekt er een harde windvlaag op, en vallen de lichten uit.
Het is niet helemaal donker, maar donker genoeg om June te laten gillen en op de bank te laten springen, waarbij ze een deken over zichzelf heen trekt.
De bomen buiten zwaaien wild met hun takken, en het zwakke licht van de stormachtige hemel werpt griezelige schaduwen op de vloer.
„Het is oké... alleen maar wind,“ zeg ik. Stormen maken me bang. Altijd al. Het idee dat de natuur de Roedel kwaad kan doen is doodeng.
June's bange geluiden laten me weer naar haar kijken. „We moeten gewoon wachten tot het voorbij is.“
Opnieuw steekt de wind op, de bomen zo hard schuddend dat er een tak afbreekt van een nabije boom, die over het terras schuift.
En dan vliegt de deur vanzelf open.
De wind is zo sterk, dat hij de deur terugduwt en tegen het raam smakt, waardoor het helemaal aan diggelen gaat. Het geluid van het brekende glas en June's schreeuw zijn bijna niet van elkaar te onderscheiden. Glasscherven vallen op de grond, vlakbij mijn voeten.
„We gaan eraan!“ hoor ik June zachtjes zeggen boven de luide wind uit. Het is oorverdovend, terwijl ik mijn best doe om de deur te bereiken. De wind is loeihard, veel harder dan normaal.
Er klopt iets niet, dit gebeurt nooit!
Ik grijp de rand van de deur. Met de kracht die ik heb van het de hele dag borden sjouwen naar klanten, duw ik de deur dicht, pas tevreden als ik hem hoor klikken.
Opgelucht zak ik op de grond, met glas om me heen.
„Thea? Gaat het?“ hoor ik June voorzichtig vragen, terwijl ze onder de deken vandaan gluurt. We kijken elkaar aan.
„Niet dankzij jou,“ grap ik, terwijl ik mijn haar in model probeer te brengen.
Ik wil niet zeggen hoe de wind het vreemdste was wat ik ooit heb meegemaakt. Ik weet niet hoe ik de moed vond om die deur te sluiten. Het voelde alsof iets me probeerde tegen te houden.
„Waar is Squiggles?“ vraagt June, eindelijk onder de deken vandaan komend. Wind komt nog steeds door het gat in het raam, af en toe een blaadje naar binnen blazend. Dat wordt niet makkelijk om te repareren.
„Hij zat in zijn...“ Ik stop met praten, als ik kijk naar de plek waar de hond net nog was. June's gezicht wordt lijkbleek. Haar hond is haar alles. Iedereen in de stad weet dat.
Dus als hij niet is waar ze hem kan zien zonder precies te weten waar hij is...
We brengen de volgende vijf minuten door met zoeken naar de hond in June's kleine huis. Onder de bank, achter de koelkast, rond de stoelen. Niks.
„Hij is buiten,“ zegt June, er verdrietig uitziend. Ze kijkt naar de deur, en ik weet wat ze denkt.
In plaats van opgesloten te zitten in de kleine kamer, met wind en geschreeuw, was de hond er vandoor gegaan. Het bos in, waarschijnlijk.
„Als de wind gaat liggen, komt hij vast terug,“ zeg ik tegen haar, maar ze luistert niet. Ze staat al bij de deur, die ze opent.
Meteen is de kamer gevuld met oorverdovende wind, die glasscherven naar me toe blaast.
Ik beweeg naar voren, grijp haar arm om te voorkomen dat ze naar buiten gaat. Ik stel me voor dat ze verdwaalt in die storm en het maakt me bang. Er is geen haar op mijn hoofd die eraan denkt haar daar alleen te laten gaan...
„Jij blijft hier. Ik ga naar buiten en zoek hem,“ beloof ik, voorzichtig naar buiten glurend. De regen komt met bakken uit de hemel, en lijkt niet snel te zullen stoppen.
Ik hoop dat het dichte bos genoeg beschutting zal bieden.
Hoewel ze me niet graag de storm in stuurt, knikt June, denkend aan haar vermiste hond.
Dus, zo dapper als ik kan, ren ik naar buiten, de deur hard achter me dichtgooiend. Buiten slaat de regen op me neer alsof hij op me schiet. Het is lang geleden dat ik regen op mijn huid heb gevoeld.
Het voelt ongemakkelijk, terwijl het koude water door mijn haar loopt, en over mijn huid stroomt.
Ik ga hetzelfde pad af dat ik gisteravond nam, de bomen geven wat bescherming tegen de regen, maar niet veel tegen de wind.
Ik vecht ertegen, mijn haar slaat in mijn gezicht terwijl ik ren.
„Squiggles!“ roep ik zo hard ik kan.
Ik kijk om me heen terwijl ik beweeg, kijk achter boomstammen en onder struiken. Hij is nergens te bekennen. Ik voel me al gefaald hebben na slechts een paar minuten in het bos.
Hoe dieper ik ga, hoe meer de duisternis alles lijkt te bedekken. Verbeeld ik het me, of komen er schaduwen tevoorschijn van achter die bomen?
Ik blijf lopen, de kou van mijn natte kleren tegen mijn huid laat me rillen. Nu begin ik te wensen dat ik niet naar buiten was gegaan om haar stomme hond te zoeken.
Het voelt alsof alles tegen me is op dit moment. De wind is misschien wat gaan liggen, maar de regen maakt me nog steeds doorweekt.
„Squiggles, alsjeblieft...“ smeek ik, struikelend over mijn eigen voeten. Het zandpad is veranderd in een modderige puinhoop, die aan mijn blote voeten kleeft - ik heb geen schoenen aangetrokken.
Ik schop gefrustreerd tegen een stok, waardoor er geluid ontstaat.
Niet alleen zal June stikum zijn over haar vermiste hond, ik ben waarschijnlijk verdwaald, en ik zou wel eens flink verkouden kunnen worden.
Dan hoor ik een man zijn keel schrapen achter me.
Ik draai me als een haas om, hopend dat het geen moordenaar is die zich in het bos verstopt.
Maar er is niets. Niemand. Helemaal niks. In plaats van een persoon, blijf ik als een dwaas naar boomstammen en een dikke muur van bladeren staren. Iemand, of iets, is hier.
En ik denk niet dat ze me hier willen hebben.
'Hallo' roepen is waarschijnlijk geen slim plan. Tenminste, dat is wat elke horrorfilm die ik ooit heb gezien zou zeggen.
Als wat hier ook is niet weet dat ik zijn gebied ben binnengelopen, kan ik er misschien levend uitkomen. Maar het klonk als een heel normaal persoon die een heel normaal geluid maakte.
Dus sta ik stil, niet wetend wat te doen. Maar dan zie ik iets. Een vorm. De omtrek is donker - bijna wazig. Ik moet mijn ogen tot spleetjes knijpen om er zeker van te zijn dat ik het goed zie.
Want als dat zo is, staat er een man verderop op het pad, met zijn rug naar me toe.
Misschien heb ik net iemand gevonden die me de weg terug kan wijzen. Want ik denk dat ik het pad kwijt ben geraakt.
„Hé! Um... Hallo?“ Ik besluit een gok te wagen. Het is beter dan hier alleen dood te gaan. Mijn woorden echoën in de wind, en even denk ik dat hij me niet heeft gehoord.
Maar dan draait hij zijn hoofd.
Ik kan niet veel van hem zien. Het is alsof hij bedekt is door zijn eigen schaduw. Ik kan alleen zijn silhouet zien, wat me vertelt dat hij lang is, en veel groter dan ik.
Zeker een man. Een man die me of zou kunnen helpen, of me hier ter plekke zou kunnen vermoorden.
En dan loopt hij gewoon weg! Hij loopt het pad af, zonder me zelfs maar op te merken.
„Wacht! Ik ben de weg kwijt,“ roep ik hem na. Hij verdwijnt om een bocht. Nou, of ik blijf hier en riskeer dood te vriezen, of ik volg hem... De tweede keuze lijkt de enige.
Ik zet mijn koude lichaam in beweging, ren achter hem aan, duw takken opzij terwijl ik me door de planten heen vecht.
Als ik de man weer zie, lijkt het alsof schaduwen hem achtervolgen. Ik besluit dat ik misschien gek aan het worden ben. Maar ik volg nog steeds. Ik loop nog steeds het pad dat hij volgt.
Hoewel ik hem snel achtervolg, lijkt hij alleen maar verder weg te raken. De afstand tussen ons is frustrerend, maar elke lichte draai van zijn hoofd houdt me gaande.
Misschien wil hij wel dat ik hem volg. Maar op dit moment heb ik geen tijd om te vragen.
En dan, plotseling, verdwijnt hij om nog een bocht. En als ik om de hoek ga, ben ik terug bij June's huis.
Ik slaak een verbaasde zucht. Het kleine, oude huis met het gebroken raam staat voor me, en ik kan niet anders dan denken dat ik dingen zie. De man is in rook opgegaan.
Alsof hij was weggeblazen door de wind. En in plaats daarvan kijk ik naar een politieauto geparkeerd voor June's veranda, de regen maakt de voorkant van de auto glanzend.
Luca. Mijn hart slaat op hol.
Ik ren de verandatrappen op, mijn natte voeten klotsen op het hout. Ik roep door het raam, vraag June om me binnen te laten uit deze gekke wind en regen.
Zodra de deur opengaat val ik naar binnen, schreeuwend dat ze de deur achter me moet sluiten.
Ik draai me om en zie een rommelig uitziende June tegen de deur leunen, de wind van het gebroken raam blaast haar haar wild in het rond.
Maar ik merk haar nauwelijks op, ook al heb ik haar hond niet gevonden. Wat ik wel opmerk is de man die in de hoek staat.
Ik loop naar hem toe, werp mezelf in zijn armen. „Het spijt me.“
Ik zeg sorry omdat ik weet dat hij boos zal zijn. Bezorgd zijn over veiligheid is zijn baan, en het feit dat hij mijn vriend is, en binnenkort voorbestemde partner, maakt het nog erger.
Hij heeft toevallig ook zijn politie-uniform aan.
„Ik kan niet geloven dat je zoiets gevaarlijks zou doen... Jezelf in gevaar brengen,“ zegt Luca zachtjes in mijn haar. Ik wil met mijn ogen rollen.
Dit is niet de eerste keer dat ik precies die woorden van hem hoor.
Ik trek me terug, kijk naar June. „Het spijt me. Ik kon Squiggles niet vinden.“
Ze haalt haar schouders op. Ze ziet er nu kalmer uit, ze heeft tijd gehad om zich geen zorgen meer te maken terwijl ik bijna verdwaald was in de storm.
„Ik heb Luca gebeld, omdat ik dacht dat je niet meer terugkwam...“
„Hoe lang was ik weg?“ vraag ik. June en Luca kijken elkaar aan.
Het geeft me genoeg tijd om naar de twee te kijken. Ze lijken op elkaar. Niet alleen omdat ze van dezelfde Roedel zijn, maar omdat ze volle neef en nicht zijn.
Ze hebben dezelfde lichtbruine ogen die we allemaal hebben, maar zijn haar is iets lichter door veel in de zon te werken. Hun gezichten lijken erg op elkaar, wat ik in het begin vreemd vond.
Maar nu ben ik eraan gewend.
„Ongeveer vier uur,“ zegt June. Mijn ogen worden groot. Vier uur? Ik dacht dat ik maar een half uur weg was geweest. Ik houd mijn hoofd vast omdat ik in de war ben. En dan herinner ik me de vreemde man.
„Er was nog iemand daarbuiten,“ vertel ik hen. „Een man.“
Luca kijkt naar het raam, waarschijnlijk het weer checkend. Er is geen manier waarop hij naar buiten kan gaan in dit weer om hem te zoeken. En wie zegt dat die man überhaupt echt was?
Misschien was het gewoon iets wat ik me verbeeldde, een grap van de kou.
Sprekend over de kou, ik voel plotseling het ijzige gevoel onder mijn kleren, op mijn huid. June merkt het op en gaat snel naar de doos waar ze haar dekens bewaart.
„Morgen gaan papa en ik het gebied uitkammen naar June's hond, en de man,“ vertelt Luca me. Hij is in werkmodus geschakeld. Ik zie het meteen. Zijn schouders zijn recht, armen stijf.
Zijn gezicht ziet er ernstig uit. Ik hou er niet van als hij zo wordt.
June komt van achteren, legt de deken over mijn schouders. Ik wil alleen maar dat deze dag voorbij is.
En erachter komen wie die man was.
Continue to the next chapter of Alfa Jasper