Cover image for Alfa Jasper

Alfa Jasper

Hoofdstuk Drie

Thea

Ik lig onder mijn dekbed en luister naar de regen die op het dak klettert.
Het geluid is rustgevend en maakt me slaperig.
Maar ik heb Luca beloofd om samen te lunchen in het restaurant voordat ik ga werken. Ik kijk op de klok en zie dat ik er over een uur moet zijn.
Ik spring snel uit bed en neem een douche. Luca heeft een hekel aan mensen die te laat komen, en ik ook. Maar ik ben niet bepaald een ster in plannen.
Als ik aangekleed ben en mijn haar aan het föhnen ben, hoor ik geklop. Ik denk dat het Luca is die me probeert op te jagen.
Dat blijf ik denken totdat ik de deur opendoe.
Mijn handdoek valt op de grond. Ik sta als aan de grond genageld naar de knapste man te kijken die ik ooit heb gezien. Niemand kan aan hem tippen. Zelfs Luca niet.
'Goedemorgen,' zegt hij. Zijn stem is niet wat ik had verwacht. De woorden zouden vrolijk moeten klinken. Maar hij spreekt ze zacht uit met een diepe stem.
Zijn accent klinkt bekend maar ook anders op een manier die ik niet kan uitleggen.
Ik sta daar maar, starend naar hem als een idioot, kijkend naar deze ongelooflijk knappe man bij mijn deur. Ik kan mijn ogen niet van de zijne afhouden.
Ze zijn diep paars met heel donkere zwarte pupillen. Ze lijken me naar binnen te zuigen, als magische handen die me dwingen om te blijven kijken.
Hij lijkt een paar jaar ouder dan ik. Hij ziet er volwassen uit terwijl hij net zo intens naar mij staart als ik naar hem.
Maar zijn haar is niet nat en warrig zoals het mijne. Hij heeft donker, warrig zwart haar dat over zijn gebruinde voorhoofd valt.
En als ik het goed zie, zit er een vleugje paars in zijn haar dat bij zijn ogen past.
Ik weet wat normaal is, en dit is niet normaal.
'Ah... Ik... Hoi.' De woorden floepen er zonder nadenken uit, waarschijnlijk klinkend als gebrabbel.
Hoe langer ik naar hem kijk, hoe vreemder hij lijkt. Ik had nooit gedacht dat iemand er zo mooi uit kon zien. Bijna betoverend.
En hoewel het buiten pijpenstelen regent, is hij helemaal niet nat.
Misschien heeft het afdak boven de veranda hem droog gehouden, maar hij moet hier toch op de een of andere manier zijn gekomen, en ik zie nergens een auto of paraplu.
'Ik kwam dit aan je teruggeven,' vertelt hij me met zijn zachte, diepe stem. Mijn benen voelen als pudding.
Hij steekt zijn hand uit en ik zie dat hij een riem vasthoudt. Ik volg de riem met mijn ogen en zie Squiggles.
'Waar heb je hem gevonden?' vraag ik, terwijl ik buig met mijn armen uitgestrekt. Ik hou niet echt van de hond, maar ik ben zo blij om hem levend te zien.
Voor heel even voelt het normaler aan dan de vreemdeling.
Want we hebben geen vreemdelingen in ons dorp.
De hond rent naar me toe, zet zijn vieze poten op mijn benen en likt mijn gezicht met zijn natte tong. Ik probeer niet ongelukkig te kijken voor de knappe man die de hond heeft gered.
'Hij liep in het bos,' vertelt hij me met een aangename stem. 'Dit was het eerste huis...'
Ik aarzel even. Mijn huis ligt aan de andere kant van het bos ten opzichte van June's huis, wat betekent dat Squiggles een heel eind moet hebben gelopen om hier te komen.
Maar het is vreemd dat deze man er zo zeker van is dat de hond van mij is.
Is hij de man van gisteravond? Nee, dat moet ik me verbeelden.
Hij geeft me de riem terwijl ik opsta, en kijkt me recht in de ogen.
In de hoop dat hij mijn trillende handen niet ziet vanwege het effect dat hij op me heeft, trek ik aan de riem zodat Squiggles naar binnen komt.
'Wat deed je in het bos?' vraag ik. Het is een simpele vraag, misschien te persoonlijk, maar ik ben nieuwsgierig. Maar wat ik echt wil weten is waarom er een vreemdeling hier is.
En zo'n knappe nog wel.
'Ik ben net in een huis daar verderop komen wonen,' vertelt hij me, terwijl hij zich omdraait om naar de overkant van het bos te wijzen. Ik kijk en zie dat het het deel is waar niemand ooit komt.
Niemand bezit het omdat mensen zeggen dat er Fantoomwolven zijn. Tenminste, tot nu...
We staan een tijdje naar elkaar te kijken. Dan besef ik dat ik beleefd moet zijn.
'Wil je binnenkomen?' vraag ik, glimlachend zoals ik doe voor vreemden of oude mensen. Hij knikt meteen, dus doe ik een stap opzij en open de deur wijd zodat hij binnen kan komen.
Zomaar heb ik een vreemdeling in mijn huis gelaten, die me misschien wel kwaad zou kunnen doen. Ik knipper met mijn ogen terwijl hij de woonkamer inloopt.
Misschien kwam het omdat hij zo zelfverzekerd overkwam.
'Het is eigenlijk niet mijn hond,' vertel ik hem, terwijl ik zenuwachtig de deur sluit. Ik draai me van hem af, me stom voelend om wat ik heb gedaan.
'Oh?'
'Hij is van mijn vriendin. Ze woont ver in het noorden,' leg ik uit, terwijl ik buk om de riem van Squiggles af te doen. Hij rent weg op zijn kleine pootjes naar ergens in mijn huis.
Ik kan me voorstellen hoe June zou reageren als ze deze mysterieuze man zou zien. Ze zou of verliefd worden of denken dat hij een Fantoomwolf was.
'Ik heet trouwens Thea,' vertel ik hem, terwijl ik me omdraai om hem aan te kijken. Hij staat naar een muur te kijken met foto's van mijn moeder.
Hij stopt, alsof hij verrast is dat ik zijn naam wil weten. 'Ah... Casper.'
'Interessant,' zeg ik. Ik kijk naar beneden en zie dat mijn benen vies zijn van de hond. Ik probeer het eraf te vegen, maar maak alleen mijn spijkerbroek vies.
Ik zucht en loop dichter naar waar Casper stilletjes naar de muur staat te kijken.
'Eh...' Ik stop als ik de ernstige blik in Caspers ogen zie terwijl hij naar me kijkt. 'Dat is mijn moeder.'
'Het spijt me,' zegt hij zachtjes. Hij wist het. Hij kijkt verdrietig voor me, maar ik voel me alleen maar beschaamd.
Het is alsof zijn ogen door alle muren heen kunnen kijken die ik heb opgebouwd. Het is zo geweest sinds ze stierf.
Ik schraap mijn keel en doe een stap achteruit. 'Dat hoeft niet. Het is lang geleden gebeurd.'
Ik draai me om en loop naar de keuken. Het huis is niet groot, dus ik kan hem nog steeds zien, maar ik wil het niet. Hij moet weggaan voordat hij de tranen in mijn ogen ziet.
Want ik wil niet toegeven dat een vreemdeling een van mijn grootste geheimen heeft ontdekt.
En ik weet niet eens waarom hij hier is... of wat hij wil. Niets. Ik moet op het aanrecht leunen om overeind te blijven.
'Het maakt niet uit hoe lang geleden het was.' Ik schrik als ik Caspers stem achter me hoor. Hoe is hij zo snel hier gekomen? 'Iemand verliezen doet altijd pijn.'
Zijn woorden klinken alsof hij het uit eigen ervaring weet. Maar in tegenstelling tot hem, zal ik er niet naar vragen.
'Luister, ik denk dat je beter kunt gaan,' zeg ik snel, terwijl ik om hem heen probeer te lopen. Hij blijft stil terwijl ik in de woonkamer rondkijk naar mijn jas en sleutels.
Luca zal boos zijn als ik te laat kom.
Ik kijk op de klok, in de veronderstelling dat het bijna twaalf uur zal zijn.
'Half vijf?' zeg ik met een hoge stem, terwijl ik naar de wijzers kijk die naar getallen wijzen die ik niet had verwacht. Ik zou om half één moeten beginnen met werken! Ik zit in de problemen.
'Verdomme,' zeg ik zachtjes, terwijl ik sneller naar mijn sleutels zoek. Hoe heb ik... vierenhalf uur met Casper gepraat? Ik moet gek worden.
Casper staat bij de voordeur, met mijn sleutels bungelend aan zijn vinger. 'Ben je te laat?'
Als ik niet op het punt stond de enige baan te verliezen die me zou kunnen helpen deze Roedel te verlaten, had ik hem misschien vragen gesteld. Hoe kon hij niet merken hoeveel tijd er voorbij was gegaan? Hoe kon ik het niet merken?
Er klopt iets niet.
'Eigenlijk ben ik heel erg laat,' vertel ik hem, terwijl ik de sleutels uit zijn hand pak en een van papa's jassen van de haak gris.
Ik open de voordeur en leid een kalme Casper de veranda op, terwijl ik de deur achter me op slot doe.
'Ik vond het fijn om...'
'Zoals ik al zei, je moet gaan,' zeg ik, Casper onderbrekend. Zijn gezicht is uitdrukkingsloos terwijl hij knikt om te laten zien dat hij het begrijpt.
Zonder nog iets te zeggen, loopt hij de zware regen in en verdwijnt in het bos.
Continue to the next chapter of Alfa Jasper