Cover image for De Lycans Verloren Partner

De Lycans Verloren Partner

Hoofdstuk 3

De dag ging snel voorbij.
In wat aanvoelde als een kwestie van minuten, zakte de zon naar de horizon. Ik had nog twee volle stapels hout te gaan en mijn lichaam schreeuwde om een pauze.
Mijn handen waren schraal en zaten vol blaren en mijn voeten voelden aan alsof er twee blokken beton aan waren vastgelijmd.
Met moeite sleepte mijn kleine gestalte de grote stukken hout naar de vuurplaats een paar honderd meter verderop.
Er zaten diepe groeven in de grond op de plekken waar ik de planken achter me aan had gesleept. De groeven maakten het makkelijker om het hout mee te slepen, maar het bleef een worsteling.
Niemand mocht me helpen met mijn taak, niet dat ze dat überhaupt zouden doen.
Ik voelde hun blikken, terwijl ze toekeken hoe het kleine mensje hout op de stapel probeerde te tillen dat vier keer zo groot was als zij. Ik hoorde het gniffelen van de leerlingen en de jongere krijgerwolven.
Ik probeerde me er niet aan te storen. In werkelijkheid had mijn woede me geholpen.
Maar nu was ik alleen, met niets anders dan mijn vastberadenheid om deze bijna onmogelijke taak te volbrengen.
Ik zag het nut er niet van in, behalve misschien om me een voorproefje te geven van wat er nog zou komen. Als hij me uit mezelf wilde laten stoppen, zou hij falen.
Ik zou deze taak volbrengen, en de volgende, en de volgende honderd die hij me zou geven.
Ik zou dit doen. Ik zou iedereen bewijzen dat ik net zo goed was als zij. Hoewel Coda de strengste leraar was, was hij ook de beste.
Zijn manier van lesgeven was hard en wreed, maar ik zou dingen van hem leren die geen enkele andere wolf zou leren.
Sommige lessen konden alleen geleerd worden door bloed, zweet en tranen, en hoewel ik nog steeds moeite had om de les van deze opdracht te begrijpen, wist ik dat ik die op den duur zou ontdekken.
Op dit moment was het belangrijkste dat ik mijn opdracht af kreeg, ook al duurde het tot de ochtend.
Coda zou me laten huilen, bloeden en pijn doen, maar de pijn zou verdwijnen, gebroken botten zouden helen, bloed zou stollen en tranen zouden drogen.
Ik zou sterker zijn dan ooit, met een nieuw gevoel van vastberadenheid en doorzettingsvermogen.
Noem me ambitieus voor een bijna dertienjarige, maar ik wist wat ik wilde en waar ik aan begon, en ik zou niet terugdeinzen voor wat er ook op mijn pad zou komen.
Ik zou vechten en verliezen en nog meer vechten en verliezen, totdat ik won. Ik was bereid om honderd keer te verliezen voor één overwinning. Ik zou vechten en alles op alles zetten, tot ik niet meer kon.
Ik zou niet alleen trainen tot ik het goed deed. Ik zou trainen totdat ik het nooit meer fout deed.
Ik zou leren hoe ik een wolf moest verslaan, of hij nu een mensenvorm of een wolvenvacht had, en ik zou deze roedel gaan leiden na mijn vader.
Ik zou de eerste mens zijn die een wolvenroedel zou leiden en niets minder dan de dood zou me kunnen stoppen.
Terwijl ik de volgende plank in de kuil voor me liet vallen, sjokte ik terug naar de steigers, waar het laatste licht van de dag aan het verdwijnen was.
Ik moest nog ruim vijftig planken dragen en de duisternis van de nacht zou de tocht naar de vuurplaats nog moeilijker maken.
Terwijl de uren verstreken, bleef ik de planken verslepen, en met kleine stapjes volgde ik het pad dat ik de hele dag had afgelegd.
Het was slopend werk, maar al snel werd het een repetitieve handeling waarbij ik niet hoefde na te denken.
Mijn gedachten leken zich in een hoekje van mijn geest te hebben teruggetrokken. Ik besefte me alleen dat mijn ledematen en oogleden zwaar waren.
Het heldere licht van de maan was verborgen achter de wolken, geen enkele hulp.
De temperatuur daalde en de wind wakkerde aan, waardoor ik rilde.
De kou sijpelde in mijn botten en mijn maag klemde zich samen van de honger, maar ik negeerde het en ging door.
De laatste vijf planken waren het zwaarst.
Mijn armen konden de planken nauwelijks meer vasthouden en ik moest het hout voortdurend bijstellen wanneer het weggleed.
Toen de laatste plank de stapel raakte, zakten mijn benen onder me vandaan en lag ik languit op de grond naar de hemel te staren.
Ik had nog vijf uur tot zonsopgang. Vijf uur om te slapen en mijn pijnlijke lichaam te laten rusten.
Morgenochtend zou de hel op me wachten, dus ik dwong mezelf op te staan en begaf me in het donker terug naar huis.
Ik haalde mijn bed niet eens. De trap leek me een te groot obstakel, dus zakte ik op de bank in elkaar.
Zodra mijn hoofd het kussen raakte, viel ik in een diepe slaap.
Maar al te vroeg porde iemand me in mijn ribben. Ik dwong mijn ogen open te doen en zag Coda met zijn armen gekruist over me heen gebogen staan. "Sta op, pup. We gaan heen en terug naar het meer rennen."
Ik liet bijna een kreun van ongenoegen aan mijn lippen ontsnappen, maar ik ving het net op tijd op en verbloemde het met een gaap. Mijn benen waren stijf en moe van het werk van gisteren en rennen was wel het laatste waar ik zin in had.
Coda zou daar geen boodschap aan hebben, dus dwong ik mezelf om me uit te rekken en op te staan. Ik bukte om mijn schoenen van de grond te rapen, maar Coda schopte ze weg.
"Vanaf nu draag je geen schoenen meer." Hij draaide zich om en marcheerde de deur uit, niet wachtend om te zien of ik hem volgde.
Ik stond even met mijn mond vol tanden voordat ik hem dichtklapte en achter hem aan het huis uitrende.
"Hoe zit het met het ontbijt?" riep ik hem toe.
"Ik heb al gegeten."
Ik nam niet de moeite om te vragen: "En ik dan?" omdat ik wist wat zijn antwoord zou zijn: "En jij dan? Je had tijd om te eten, maar in plaats daarvan heb je uitgeslapen."
"Als je wandelt, laat ik je morgen twee keer zo ver rennen," waarschuwde Coda me, voordat hij razendsnel het pad naar het meer afbeende.
Ik rende langzaam en Coda was me al ver voor. Hij verdween binnen een paar seconden uit mijn zicht.
Hij zou het waarschijnlijk niet merken als ik ging wandelen, maar ik speelde op veilig en jogde de hele afstand.
Ik hijgde zwaar toen ik de rand van het meer bereikte waar Coda stond, en niet bepaald onder de indruk naar me keek. Ik boog voorover met mijn handen op mijn knieën en nam grote teugen adem.
"Ga rechtop staan," beval Coda. "Je blokkeert de luchtstroom naar je longen."
Ik deed wat hij zei en deed mijn best om snel weer op adem te komen.
"Hier zijn je activiteiten voor vandaag. Luister goed, pup, want ik herhaal het niet."
Ik knikte begrijpend. "Eerst zwem je naar de overkant van het meer." Hier wilde ik wel om huilen. Hoewel het meer niet enorm was, was het toch nog een paar honderd meter naar de overkant.
"Zodra je er bent, moet je er één keer omheen rennen, en dan zoek je het springtouw en doe je honderd sprongen, drie keer achter elkaar. Daarna ren je nog een rondje en dan doe je vijftig push-ups."
"Ren dan nog een rondje om het meer, pak de twee dumbbells die ik daar heb achtergelaten en doe vijf herhalingen van tien keer tillen, met je armen volledig gestrekt boven je hoofd. Ren dan nog een laatste rondje en dan is de rest van de dag voor jou."
"Je hebt vijf pauzes van vijf minuten en twee pauzes van tien. Gebruik ze verstandig."
Coda draaide zich om en liep naar een tuinstoel die een eindje verderop stond.
Hij leunde achterover in de stoel en zette een zonnebril op. Hij sloeg een boek open en negeerde me.
"Ik hoor geen gespetter," riep hij. "Of gebruik je nu al een van je pauzes?"
O, ik wilde heel graag dat hij op dat moment dood neerviel. Mijn spijkerbroek zou me afremmen, dus trok ik hem uit en dook het water in.
Halverwege het meer dacht ik dat ik zou verdrinken. Ik was zo uitgeput.
"Je gebruikt te veel energie, pup. Langere, diepere slagen. Eén aan je linkerkant, één aan je rechterkant en stop met je poten heen en weer te zwaaien."
Coda's ongeïnteresseerde stem klonk over het meer naar de plek waar ik was.
Als ik zou verdrinken, zou hij me dan redden? Of zou hij denken, "opgeruimd staat netjes"? Ik vertrouwde er niet op dat hij genoeg om me zou geven om zijn boek neer te leggen en me te redden.
"Dan kun je maar beter niet verdrinken, pup. Blijven zwemmen."
Ik volgde zijn advies op en probeerde te zwemmen zoals hij had voorgeschreven. Uiteindelijk haalde ik de overkant, waar ik mezelf uit het water wierp en op de oever ging liggen.
"Gebruik je je eerste pauze?" riep hij. "De timer is gestart, je hebt nog vier minuten en achtenveertig seconden."
Ik wilde een steen naar zijn hoofd slingeren om hem de mond te snoeren, maar ik was te moe om een vinger uit te steken.
Coda riep om de dertig seconden mijn tijd af en al snel moest ik mezelf overeind hijsen en een rondje om het meer maken.
Ik kon het niet laten om na één ronde te stoppen en nog een pauze te nemen. Ik gebruikte een van mijn twee pauzes van tien minuten en vroeg me af hoe ik deze dag zou overleven.
Ik nam niet de moeite om mijn spijkerbroek weer aan te trekken. Die zou de rest van de training moeilijker en heter maken.
Het touwtje springen was een hel. Ik haalde twee rondes van honderd voordat ik weer een pauze nam.
Nadat ik de volgende sprongen en de ronde erna had gedaan, haalde ik een kwart van de push-ups voordat ik weer een pauze nam. "Je hebt nog maar drie pauzes meid," waarschuwde Coda.
Ik negeerde hem.
Hij probeerde me boos te maken en dat lukte. Ik maakte de push-ups af en nam toen mijn laatste pauze van tien minuten, direct gevolgd door een pauze van vijf minuten.
De dumbbelloefeningen waren het ergst omdat mijn armen zo ontzettend uitgeput waren. Ik verbruikte mijn laatste pauze halverwege de set en rende toen de laatste ronde.
Coda stond me op te wachten toen ik klaar was. "Niet slecht gedaan hoor. Ik had verwacht dat je nog een pauze zou gaan gebruiken die je niet had.
"Morgen gaan we aan je vorm werken. Je deed alles maar half."
Hij overhandigde me mijn spijkerbroek. "Ik wil dat je terug naar het huis sprint."
Ik staarde hem aan maar deed wat me gezegd werd. Mijn voeten deden vreselijk pijn van het trappen op dennenappels en stenen, maar het leek me dat dat juist de bedoeling was.
Ik maakte een enorme boterham voor de lunch, hoewel het al twee uur 's middags was, en deed een lang dutje tot pap me wakker maakte voor het avondeten.
"Hoe was je eerste dag?" vroeg hij toen we aan tafel zaten.
Ik schoof de vork in mijn mond. "Uitputtend," gaf ik toe. Maar wat ik eigenlijk wilde zeggen was: "Coda hoort thuis in een psychiatrische inrichting, omdat hij denkt dat de training die ik vandaag deed eenvoudig was. Hij is gestoord, irritant en ontzettend vervelend."
Maar dat kon ik niet tegen mijn vader zeggen, anders zou hij erop staan dat ik op zou geven.
Ik ging vroeg naar bed, nadat ik een warm bad had genomen om mijn pijnlijke spieren te kalmeren. Mijn vader stelde voor om elke dag te stretchen als ik wakker werd en voordat ik naar bed ging.
Ik zette mijn wekker zodat ik 's ochtends genoeg tijd zou hebben om te eten, en ik legde ook een korte broek en een tanktop klaar voor de training van morgen.
Coda kwam me bij zonsopgang weer halen en de training was precies hetzelfde als de dag ervoor. In plaats van me te negeren, coachte hij me vandaag en corrigeerde hij mijn vorm, zodat ik de oefeningen correct uitvoerde.
Alles op de juiste manier doen maakte het nog vermoeiender, en ik had uiteindelijk meer pauzes nodig dan me toegewezen was. Aan het eind van de dag voelde ik me een mislukkeling en slapen was mijn enige ontsnapping.
De dagen streken voorbij en na twee weken werd de training steeds makkelijker. Er begonnen zich spieren op mijn lichaam te vormen en ik had elke dag minder pijn.
Mijn hardlooptijd verbeterde en mijn ademhaling was stabieler.
Het maakte me niet uit of ik hierna geen krijger zou worden. Ik was vastbesloten om de eerste leerling te zijn die Coda niet in de steek liet.
Continue to the next chapter of De Lycans Verloren Partner