
Bonushoofdstuk van De Hybride-experimenten
Autorzy
Jen Cooper
Lektury
19,0K
Rozdziały
1
Ga terug in de tijd naar het moment waarop Mackenzie en Ryken elkaar voor het eerst ontmoetten met dit bonushoofdstuk van De hybride-experimenten.
Bonushoofdstuk van De Hybride-experimenten: Tien jaar oud
MACKENZIE
🚨 SPOILER ALERT 🚨 Het hoofdstuk dat je gaat lezen bevat spoilers voor De Hybride-experimenten. Als je het boek nog niet hebt gelezen, STOP dan ✋🏼 en lees dit hoofdstuk wanneer je het boek uit hebt. Veel leesplezier!
Tien jaar oud
De regen viel over me heen en mijn lichaam trilde terwijl ik mijn knieën naar mijn borst trok.
Ik kroop ineen in de oude hut. Die was verlaten voordat mijn ouders me hierheen brachten.
Maar ze waren weg.
Mijn blik dwaalde af naar hun levenloze lichamen, hun bloed stroomde eromheen. Ze zagen er niet meer uit zoals vroeger.
Ze glimlachten niet, ze hielden me niet vast terwijl ik huilde. Ze lagen daar gewoon, met enorme sneden in hun buik, nek en gezicht.
De ramen van de hut waren verbrijzeld en het glas bedekte hun lichamen terwijl de wind en de regen door de donkere nacht buiten raasden.
Binnen fladderden de gordijnen en ze sloegen tegen het natte hout, maar ik bewoog niet.
Ik had het ijskoud, verstopt onder de vloerplanken, in het hokje dat mijn vader had gebouwd. Hij zei dat ik daar naar binnen moest gaan en er niet uit moest komen voordat hij het zei.
Hij kon nu niets meer zeggen.
Ik huilde nog harder. De tranen liepen in grote druppels over mijn wangen en vielen vervolgens op de aangestampte aarde onder mijn blote voeten.
Ik zat hier al uren, benauwd en ijskoud, maar ik wilde niet weg. Wat als de wolven terugkwamen?
Ze zochten me. Dat hadden ze gezegd. Maar ze noemden me niet bij mijn naam. Ik was het “domme kreng” of die “kleine, fucking hybride”.
Beter dan moordenaar.
Vijf van hen verscheurden mijn ouders, terwijl ik me verstopte.
Mijn moeder draaide zich naar me toe, schudde haar hoofd, legde haar vinger op haar lippen en gebaarde dat ik me moest verstoppen en stil moest blijven. Terwijl ze stierf, stikkend in haar eigen bloed.
Vanwege mij.
Ik had de wolven gehoord. Ze waren boos dat ik bestond. Ik was ook boos op hen. Ze hadden de enige mensen die ooit van me hadden gehouden, pijn gedaan. Ze hadden ze van me afgenomen.
Maar ik zou ze wel terugpakken, dat wist ik met elke rilling in mijn lijf. Ik verstopte me niet omdat ik zwak was, ik verstopte me om mijn ouders te wreken.
Ik wachtte nog een dag in de kruipruimte totdat er een man opdook die de wapens kwam afleveren die mijn ouders hadden besteld.
Een pijl en boog, een kleinere set om mee te oefenen, twee bijpassende dolken die in mijn kleine laarzen passen, en drie geweren.
De man, een wapenhandelaar met wie mijn ouders jarenlang hadden samengewerkt, leerde me hoe ik ze moest gebruiken. Toen zei hij dat hij me naar mijn roedel zou brengen.
Ik had hem vertrouwd. Barker had dat verdiend door me te leren wat ik moest leren, me te helpen mijn ouders te begraven en me een plek te bieden waar ik naartoe kon.
Dus toen hij zei dat de roedel mij zou opnemen, dat ze niet waren zoals de wolven die mijn ouders hadden vermoord, geloofde ik hem.
Dat was de eerste keer dat ik leerde niemand te vertrouwen.
Hij nam me mee naar de Storm Blood-roedel, alfa Cerberus en zijn vertrouwelingen wachtten ons buiten de grote lodge waar ze woonden, op. Het was grootser dan elke andere lodge waar ik ooit had gewoond.
Ik voelde plots opwinding in plaats van de angst en het trauma die mij al dagenlang kwelden.
“Cerberus. Ik heb iemand voor je,” zei Barker, terwijl hij me naar voren duwde.
Ik keek naar de enorme man met de lange vlecht. Hij had een heleboel vlechten. Papa had gezegd dat ik uit de buurt van wolven met vlechten moest blijven.
Maar Cerberus glimlachte.
“En wie is dit?”, vroeg hij, zijn vest was open, zodat ik elke spier van zijn torso kon zien.
Hij was de grootste man die ik ooit had gezien.
“Jouw hybride,” grijnsde Barker.
Een waarschuwende tinteling rolde langs mijn ruggengraat en ik fronste, terwijl ik naar Barker opkeek. Hij had me altijd Mackenzie genoemd. Of Murlow. Nooit een hybride. Mijn alarmbellen gingen af.
Cerberus trok een wenkbrauw op en keek me fronsend aan. “Heeft ze mijn wolven overleefd?”
Ik fronste nog harder. Zijn wolven? Zat hij achter de aanval op mijn ouders?
Ik beefde en deed een stap achteruit, mijn vingers gleden naar de dolk in mijn mouw.
Barker knikte en vertelde hoe hij me had gevonden, en de haren in mijn nek gingen overeind staan. Ik werd in de gaten gehouden.
Mijn blik schoot naar de deuropening en ik keek recht in een paar felblauwe ogen die uit de schaduwen tevoorschijn kwamen. Een jongen keek me fronsend aan.
Hij leek een kleinere versie van de grote man. En hij rook sterk, de alfageur had mijn moeder me verteld, vulde de lucht om me heen.
Hij glimlachte naar me, met een klein glimlachje dat nog net zijn mondhoeken iets optilde. Ik glimlachte terug en zwaaide een beetje.
Hij leek vriendelijk, niet zoals zijn vader.
Cerberus gromde en keek me aan. Ik spande me aan en keek hem weer aan, mijn vingers raakten opnieuw mijn verborgen dolk. Als hij mijn ouders vermoordde, zou hem dat duur komen te staan.
Hij keek over zijn schouder naar de jongen die vanuit de deuropening naar buiten gluurde. “Ryken. Kom hier,” beval Cerberus.
Ryken kwam met grote stappen naar buiten, hij droeg een spijkerbroek en een wit overhemd. Hij had langer haar dan ik en was zo schoon.
Dat was ik niet.
Ik keek naar mijn vuile kleren, die nog steeds bevlekt waren met het bloed van mijn ouders, en mijn gezicht vertrok. Hij dacht waarschijnlijk dat ik een rogue was. Technisch gezien was ik dat ook.
“Ja, vader?”
“Het lijkt erop dat we een gast hebben. Wil je mevrouw Mackenzie Murlow naar haar kamer begeleiden? We moeten beslissen of we haar houden of niet.” Cerberus glimlachte naar me, maar het voelde niet zo warm aan als de glimlach van mijn ouders.
“Beslissen?” vroeg ik.
Cerberus knikte. “Ik kan je niet in de roedel toelaten zonder de anderen te raadplegen. Maar blijf, maak het je gemakkelijk, dan zullen we je toekomst bespreken. Je bent tenslotte ons bloed.” Hij klopte op mijn hoofd en duwde me naar Ryken toe.
Toen liep hij met Barker weg.
Ik draaide mijn vingers in mijn handen en keek omhoog naar hun lodge. Het was prachtig. Hout en steen met glas boven een glinsterend meer. Het voelde vredig en huiselijk.
De gedachte om daar te wonen met andere wolven, mijn bloedverwanten, maakte me aan het glimlachen. Ik had al dagen niet meer geglimlacht, niet sinds wat er met mijn ouders was gebeurd. Ik kon nog steeds niet slapen en de woede woedde nog steeds hevig in mijn hart.
Maar wat als door de wolven omringd zijn, dat kan veranderen?
“Je ruikt raar,” zei Ryken met een frons terwijl hij mij naar binnen leidde.
Ik haalde mijn schouders op. “Ik ben een hybride.”
Papa en mama hadden gezegd dat wolven mijn geur vreemd zouden vinden, dus ik was niet beledigd. Barker had hetzelfde gezegd, maar ik was er vrij zeker van dat het de geur van de dood was.
Rykens ogen werden groot. “Echt? We hebben nog nooit eentje van jullie hier gehad.” Vader zegt — “ Hij hield zichzelf in, fronste zijn wenkbrauwen en keek over zijn schouder naar een enorme kamer.
Hij knikte ernaar. “Kom op, ik wilde net Patsy om een ijsje vragen. Wil jij ook?”
Ik had nog nooit ijs gegeten, maar ik had er wel van gehoord. Ik wilde niet laten zien hoe weinig ik ervan wist, afgezien van de hoognodige dingen, dus knikte ik.
“Tuurlijk, dank je.”
Ryken grijnsde en leidde me door een gigantische kamer met een schuine zithoek tegenover een flatscreen. Midden in de kamer stond een open haard tegen een grote stenen muur.
Er was een lange bar met krukken en een paar tafeltjes ernaast. Het geheel keek uit op een glazen wand die uitkeek op het meer.
En het was zo schoon.
Ik keek weer naar mijn kleren. Ik had me echt moeten omkleden.
Ryken wilde me naar de keuken achter de bar leiden toen de deur openzwaaide en er een andere jongen met lang blond haar naar binnen rende. Zijn haar was warrig en onverzorgd, wat perfect paste bij zijn baggy short.
Hij had een brede grijns toen hij voorbij rende met een bak ijs in zijn handen.
“Ik heb het!” lachte hij, en hij bleef even stilstaan toen hij me zag. Toen keek hij naar het ijs. En toen naar Ryken.
Hij zuchtte en gaf de bak aan. “Je ziet eruit alsof je dit harder nodig hebt dan ik,” riep hij, net toen een oudere vrouw met rafelig grijs haar en rimpels haar hoofd door de deur stak en met een spatel zwaaide alsof het een wapen was.
“Ik krijg je nog wel, Viking! Blijf uit mijn verdomde keuken, jij afschuwelijke jongen!” snauwde ze, waarna ze me boos aankeek terwijl ik de bak vasthield.
Ze wees met haar spatel naar me. “Je hoort hier niet, stuk vuil. Ga terug naar het hol waar je uit bent gekropen, voordat de roedel erachter komt wat hier gebeurt.” Ze kwam naar me toe, griste het ijs uit mijn handen en stormde toen terug de keuken in.
Met grote ogen draaide ik mij om naar Ryken, maar hij schudde alleen maar zijn hoofd.
“Negeer Patsy. Haar partner is overleden, en sindsdien is ze een beetje gek geworden.”
“Partner?” vroeg ik fronsend. Ryken keek naar Viking, die zijn schouders ophaalde.
“Ik heb het niet over bloemetjes en bijtjes met haar. Ze ziet er te onschuldig uit om te zoenen, laat staan als zielsverwant,” zei Viking. Ryken fronste en schudde zijn hoofd.
Laten we het ijs even vergeten. Ik breng je naar een kamer, zodat je je kunt wassen en omkleden. Daarna breng ik je naar de boomhut.
Ik knikte en vond het beter om na het hele Patsy-gedoe maar geen ruzie meer te maken.
“Mijn ouders waren zielsverwanten,” zei ik terwijl we liepen. Viking sjokte achter hem aan. Hij was net zo groot als Ryken, wat intimiderend was.
Ik voelde of mijn dolken nog op hun plek zaten en volgde hem ook.
“Dat weten we. Je ouders zijn nogal beroemd.”
Ik fronste mijn wenkbrauwen. Dat was nieuw voor me. Waren beroemde mensen niet superrijk? Wij niet. Na de dood van mijn ouders had ik niets meer dan hartverscheurende nachtmerries.
“Maar niet op een goede manier,” zei Viking. Hij was tenminste eerlijk.
“Dat dacht ik al. We zijn vaak verhuisd,” zei ik.
Ik had een paar jaar geleden al door dat we op de vlucht waren. Iemand had me gevraagd waar we woonden toen we in de supermarkt waren. Die avond hadden we onze spullen ingepakt en waren we vertrokken, maar we waren net weg toen er werd ingebroken.
Ik had die nacht mijn klauwen en hoektanden gekregen. Ik was opgewonden, maar mijn ouders waren nerveus. En verdrietig. Mijn moeder had die nacht gehuild toen ze dacht dat ik haar niet kon horen.
Ik had bedacht dat ze hoopten dat ik een echte wolf zou zijn. Dat ik dat niet was, maakte alles erger, omdat mijn geur zo makkelijk te traceren was.
Ryken leidde me een brede houten trap op en een gang door, waarna hij bleef staan en naar een deur wees.
“Je kunt hier slapen. Mijn kamer is hiernaast. Viking ligt naast me. Er liggen vast wel wat schone kleren voor je klaar, mocht je die willen aantrekken,” zei hij.
Ik knikte. “Dank je wel.” Ik ging de kamer in.
Het was de grootste kamer waarin ik ooit had geslapen. Groter dan de meeste plekken waar we ons schuilhielden.
Ik gooide mijn rugzak op het bed en controleerde of mijn wapens er nog waren. Blij dat ze er nog waren, inspecteerde ik de kamer zoals mijn ouders me hadden geleerd.
Toen ik er zeker van was dat niemand me wilde doden of pijn doen, ging ik naar de badkamer. Ik nam een douche en trok daarna mijn eigen kleren uit mijn rugzak aan.
Een nieuwe spijkerbroek en een witte trui. Ik trok mijn laarzen weer aan en stopte mijn dolk terug in de ene laars, een pistool in de andere. Daarna legde ik de andere dolk onder mijn kussen. Ik stopte de andere wapens en de weinige spullen die ik bezat in de tas en ging op zoek naar Ryken.
Hij leunde tegen de tegenoverliggende muur en keek boos naar Viking, die grijnsde.
“Gaat alles goed?” vroeg ik, terwijl ik de spanning kon voelen.
“Prima,” zei Ryken snel en stond toen op. “Viking wilde alleen wat te eten halen om mee te nemen naar de boomhut.”
Viking lachte luid en ik schrok op, mijn vingers gingen automatisch naar mijn dolk, maar toen werd hij weer rustig en liet ons met rust. Ryken keek me aan, dus plakte ik ene glimlach op mijn gezicht.
“De boomhut?” vroeg ik.
Hij knikte en grijnsde terwijl hij me de trap af leidde. We liepen door de schuifdeur naar het terras dat aan de enorme woonkamer grensde, toen rende hij weg. Ik rende achter hem aan om hem bij te houden en klom met hem over een houten hek.
We waren net over de heuvel geklommen toen er een meisje bij ons kwam staan. Ze stak haar arm door die van Ryken terwijl we door het kniehoge, droge gras naar de rand van een bos liepen.
“Dana, hallo,” zei Ryken.
“Hé Rykie. Wat ben je aan het doen?” Ze keek me aan met een blik waarvan ik zeker wist dat het een boze blik was. Niet dat ik iets had gedaan om dat te verdienen.
“Mackenzie naar de boomhut brengen. Wat doe je hier? Ik dacht dat je les had?”
Ze haalde haar schouders op. “Alle volwassenen zijn opgeroepen voor een spoedvergadering, dus ik ben gekomen om jou te zoeken.”
“O. Nou, dit is Mackenzie. Kenzie, dit is Dana.”
Ik zwaaide en glimlachte.
Dana snauwde. “Jij bent degene waar iedereen het over heeft. Ze zeggen dat je hier niet thuishoort,” zei ze op een gemene toon.
Ik haalde mijn schouders op. Ik wilde geen ruzie, maar zij klonk alsof ze dat wel wilde. Ik hoorde hier niet thuis, ze had gelijk. Ik hoorde bij mijn ouders, maar die waren overleden, dus ik probeerde een gezin te vinden dat me kon opnemen.
Of dit nou het Storm Blood-roedel was of niet, ik was er nog steeds niet zeker van.
Ik had het gevoel dat ik daar hoorde te zijn. Bij Ryken en Viking voelde ik me vreemd genoeg op mijn gemak. Maar Dana gaf me dat gevoel niet. Cerberus ook niet. Of Patsy.
Ik slikte het verdriet weg dat mijn keel dichtkneep en mijn borstkas samenkneep. Ik hoorde nergens meer bij.
Ryken trok zijn arm los. “Ik heb nog wat dekens en kussens nodig voor de boomhut. Ga ze halen, Dana.”
Dana lachte geërgerd. “Waarom haal jij ze niet?”
“Ga. Ze. Halen.” Ryken gebruikte een diepere stem, een die mijn hele lichaam deed tintelen. Ik wist niet precies wat dat gevoel was, maar het maakte dat ik ernaar wilde luisteren. Om er dichter naartoe te gaan.
Dana gromde zachtjes in haar borst en keek me toen aan. “Dit zal niet goed voor je aflopen, hybride.” Ze zei het met een grommende stem, maar ze was veel minder eng dan de wolven die ik had gezien.
Ik reageerde niet. Ik was niet van plan om ruzie te zoeken. Ik kon winnen, daar hadden mijn ouders voor gezorgd, maar dat wilde ik niet. Ik wilde blijven. Als dat betekende dat ik mijn mond moest houden om te krijgen wat ik wilde, deed ik dat.
Ze stormde weg.
Ryken zuchtte, maar zei niets. Hij stopte bij een boom, greep de touwladder die eraan hing en gaf hem aan mij.
Ik pakte hem van hem aan en keek omhoog naar de ingang van de boomhut. Die was enorm en er hingen lichtstrengen in.
Ik glimlachte en was blij om naar boven te gaan toen Rykens hand de mijne raakte.
Zijn aanraking was elektrisch, en maakte mijn hele lichaam aan het tintelen, net als zijn stem. Mijn ogen schoten naar de zijne. Zijn helderblauwe ogen stonden wijd open, zijn hand bevroor tegen de mijne op de touwladder.
Ik wilde iets zeggen, maar ik wist niet wat. Zijn aanraking was anders. Ik keek naar zijn hand op de mijne.
Het was zo warm. Zo troostend. Alsof alle pijn in mijn hart geheeld was. Alsof elk beetje woede oploste. Ik was niet bang of wrokkig. Ik wist dat alles goed zou komen op dat moment.
Het voelde surrealistisch en ik begon me net af te vragen of ik het me had ingebeeld, toen Ryken zijn lippen op de mijne plantte.
Zijn lippen waren zacht en ik raakte meer van zijn arm aan.
Ik had nog nooit gezoend, maar als het altijd zo voelde, snapte ik wel waarom volwassenen dat deden.
Hij legde zijn hand op mijn gezicht en drukte zijn lippen nog harder op de mijne.
Ik kuste hem terug.
Toen hij zich terugtrok, was er iets veranderd. Zijn ogen waren rood en met blauwe aderen doorlopen. En ze waren zo wijd opengesperd.
Hij trok me tegen zich aan en ik reikte naar mijn lippen om ze aan te raken en hem in de ogen te kijken.
“Dat was mijn eerste kus,” fluisterde ik.
Hij glimlachte. “Goed. Ik wil je al je kussen geven.”
Ik keek hem stralend aan, mijn hart zwol op van de warmte die ik voelde. “Ik wil meer,” fluisterde ik.
Hij grijnsde. “Ik weet het. Je wilt altijd meer. Zo gaat dat met partners.”
Toen werden mijn ogen groot. “Partners?”
Hij knikte. “Ik voel het. We zijn partners.”
“Ik denk dat ik het ook voel.”
En toen gingen we de boomhut in. We kusten urenlang. We lachten. We praatten. Hij zorgde ervoor dat ik me beter voelde dan ooit tevoren. Alsof ik erbij hoorde. Alsof hij me nooit meer zou laten gaan.
Hij beloofde me zoveel.
De rest van de dag heb ik niemand meer gezien en toen we naar bed gingen, was ik ervan overtuigd dat het leven mij een tweede kans had gegeven.
Die nacht, toen ik nachtmerries had, was hij er, hield hij me vast. Zijn grote lichaam vouwden zich om me heen, hield me warm, fluisterde tegen me.
“Ik ben er voor je, Kenzie. Ik zal je altijd beschermen. De monsters zullen je niet te pakken krijgen, dat beloof ik,” zei hij en ik kroop tegen hem aan, mijn tranen op zijn borst droogden op, terwijl we in slaap vielen.
De volgende dag was hij er niet toen ik wakker werd, dus nam ik een douche en kleedde me aan en ging hem zoeken. Ik nam mijn rugzak mee.
Het was stil in de grote lodge toen ik Ryken naast zijn vader in de zitkamer zag staan.
Het was vol. De hele roedel stond te wachten.
Ik bleef in de deuropening staan en mijn nekharen gingen overeind staan.
Cerberus grijnsde op een manier die mij zenuwachtig maakte, maar het was Ryken die mij diep deed slikken.
Hij was anders. Alle warmte en woorden die we de afgelopen 24 uur hadden gedeeld, waren verdwenen. In plaats daarvan keek hij boos en had hij dezelfde grijns als zijn vader.
“Eh, hallo,” stamelde ik, terwijl ik in de deuropening bleef staan.
“Mackenzie.” Cerberus’ stem was niet langer vriendelijk.
Toen wist ik wat er gebeurde.
Ik verloor mijn familie opnieuw. Ze wilden me niet houden. Ondanks alles wat Ryken had beloofd.
Ik wist niet wat het betekende om partners te zijn, maar ik dacht dat ze een onbreekbare band hadden. Tenminste, zo lieten mijn ouders het lijken.
Maar ik was een naïef kind.
Want Ryken en ik waren duidelijk niets. Het Storm Pack-bloed dat door mijn aderen stroomde, betekende niets.
Ik schraapte mijn keel om de emotie in mijn stem te onderdrukken. “Ja?” vroeg ik.
“We hebben ons besluit genomen en we kunnen je geen plek bij ons aanbieden. Je bent een hybride. Je kunt niet van gedaante veranderen. En eerlijk gezegd,” grijnsde hij kwaadaardig, “ben je niet één van ons. Een gruwel geboren uit een illegale match. Je had nooit geboren mogen worden en we kunnen degenen die ervoor kozen dat te negeren niet tolereren.”
Ik hield mijn hoofd omhoog en deed alsof elk woord niet voelde als een messteek in mijn hart. In plaats van te huilen, wat ik zo graag wilde, bouwde ik mijn muren op.
Gigantische stalen muren. Laag na laag zwaar beveiligd, zodat ik tegen de tijd dat hij klaar was met zijn speech, de roedel die me afwees kon trotseren zonder te breken.
“Ik kan nergens heen. Ik heb niemand anders. De mensen vertrouwen ons nog niet. Wat moet ik nu doen?” vroeg ik, terwijl mijn vuisten balde van woede.
Cerberus haalde zijn schouders op. “Het kan me niet schelen. Maar ik raad je aan het ver hier vandaan uit te gaan zoeken. En snel een beetje.”
Zijn dreigement was duidelijk. Ik had een voorsprong, waarna ze me zouden komen halen.
Dus begon ik te rennen.
Ik rende langs het bebloede lichaam van Barker dat op het grasveld bij de poort lag, en rende verder.
Ik keek niet om.
Zelfs niet naar de jongen die mijn hart had gebroken.
Sindsdien ben ik op de vlucht.
HET EINDE













































