Cover image for Afgewezen

Afgewezen

Hoofdstuk 3.

LIAM

De witharige vrouwelijke wolf knikt en loopt vlug achter mijn bureau vandaan.
'Ja. U-u moet alfa Lynch zijn.' Er zit een lichte trilling in haar stem.
'Ga zitten, alsjeblieft.'
Ik neem plaats in de grote zwarte leren stoel achter het bureau terwijl zij op een van de houten stoelen ervoor gaat zitten. Ik neem haar aandachtig op.
Heldere blauwe ogen kijken rustig terug. In tegenstelling tot de meeste nieuwe wolven die ik ontmoet, lijkt ze niet bang voor me te zijn, en dat maakt me nieuwsgierig.
Ik snuif de lucht op. De geur van vanille en lavendel, vermengd met haar eigen unieke geur, vult de kamer. Het ruikt heerlijk, en mijn wolf wordt onrustig, verlangend om meer over deze vrouw te weten te komen.
'Waarom heb je je roedel verlaten?' vraag ik.
De vraag overvalt haar en ze aarzelt even.
'Tja... nou, kijk... I-ik maakte iets mee en had behoefte aan een nieuwe start.'
Ik trek mijn wenkbrauw op en leun achterover, mijn handen voor me gevouwen met mijn ellebogen op de armleuningen.
Sinds mijn broer is overleden, zijn er meer aanvallen op ons en naburige roedels door rogues. Ik heb extra bewakers bij onze grenzen geplaatst, maar ze weten er toch doorheen te komen.
Niemand weet waarom, maar er doen geruchten de ronde. Verhalen over baby's die uit hun wiegjes worden gehaald. Ik kan geen risico's nemen.
'Als je hier wilt blijven, moet ik meer weten. Ik moet weten of jouw aanwezigheid mijn roedel in gevaar brengt.'
Ze kijkt naar de grond, duidelijk op zoek naar de juiste woorden. Ik zie hoe haar gezicht rood wordt en ze zenuwachtig met haar voeten beweegt.
Na een lange stilte zucht ik, ongeduldig wordend. Haar ogen schieten even omhoog naar mij en dan weer weg, alsof ze me niet kan aankijken terwijl ze me vertelt waarom ze hier is.
'Mijn partner heeft me afgewezen.' Haar stem is zacht en verdrietig, met tranen die al over haar wangen rollen.
Ik voel iets in me veranderen als ik haar pijn zie. Ik denk terug aan mijn eigen afwijzing, maar duw die gedachten weg. Nu is niet het moment om aardig te zijn. Niet wanneer de veiligheid van mijn roedel op het spel staat. Ik frons, leg mijn vingertoppen tegen elkaar en kijk haar recht aan.
'Waarom? Wat heb je gedaan?'
Haar geschokte gezicht laat zien dat ik een fout heb gemaakt door een zeer persoonlijke vraag op een erg onbeleefde manier te stellen. Ze staat abrupt op, zichtbaar woedend terwijl ze mijn kantoor uitloopt en regelrecht de voordeur uit gaat.
Ik ga haar snel achterna, klaar om mijn excuses aan te bieden, maar ze is me te vlug af. Ik kijk om me heen op de stoep, snuif de lucht op zoek naar haar geur en volg die naar rechts een zijstraat in. Ik zie haar voor me uit lopen en plotseling stopt ze, boos om zich heen kijkend.
'Mevrouw Delante, alstublieft.'
Ze draait zich om, met boze tranen op haar gezicht. Ik steek mijn handen op.
'Alsjeblieft, Nadia. Het spijt me. Dat had ik niet moeten zeggen. Ik snap dat je boos op me bent, maar het is niet veilig om alleen buiten te zijn. Er zijn... problemen geweest,' ik stop, niet willend een buitenstaander over de problemen van de roedel te vertellen. 'Laat me je alsjeblieft naar huis brengen.'
Een boze grom ontsnapt haar mond.
'Nou, mijn wolf heeft me net verteld dat ik de verkeerde kant op ben gegaan. Ze vertelt me dat meestal snel, maar ik denk dat ze even een tukje deed of zo.' Ze fronst, kijkt naar beneden en veegt haar ogen af. 'Ik zou wat hulp kunnen gebruiken om de weg te vinden.'
Mijn wolf laat een tevreden grom horen die ze duidelijk hoort. Ik kuch, in een poging hem te kalmeren. Ik weet niet zeker waarom deze vrouwelijke wolf hem zo opwindt.
'Jouw wolf is niet de enige die zich de laatste tijd vreemd gedraagt.'
Haar lippen krullen in een glimlach. Een luide schreeuw doorbreekt de koude herfstlucht en verstoort het moment.
Ik kijk om me heen, zoekend naar iets ongewoons als ik botten hoor kraken terwijl Nadia naast me van gedaante verwisselt. Ik draai me om, mijn ogen worden groot als ik de prachtige witte wolf met gloeiende blauwe ogen zie staan waar zij was.
Mijn wolf dringt naar voren net als er nog een schreeuw door de straten klinkt. Zonder te wachten rent de witte wolf weg in de richting van het geluid. De poten van mijn wolf raken de grond vlak achter haar als de vieze geur me bereikt.
Rogues!
Mijn wolf jaagt achter Nadia aan, bijna haar inhalend als een zwarte wolf uit een steeg springt en op haar rug landt. Voor ik haar kan bereiken, rolt ze, en smakt de vieze wolf tegen de zijkant van een bakstenen muur, waarbij stukken baksteen en cement afbreken door de kracht van de klap.
Ze springt overeind. De verwarde rogue bijt in haar poot. Ze buigt zich voorover, sluit haar kaken om zijn nek en bijt hard.
Ik hoor een luide krak en zijn levenloze lichaam valt op de grond terwijl zij weer begint te rennen. Ik heb geen tijd om verbaasd of onder de indruk te zijn terwijl mijn wolf naar voren sprint, voorbij de dode rogue in de richting van waar de schreeuwen vandaan komen.
We gaan om de hoek van een appartementengebouw. Het glas van de voordeuren is gebroken. Nadia rent erdoorheen, zich niet bekommerend om de glasscherven op de grond terwijl ze de trap op rent.
Ze stopt niet om de lucht op te snuiven. Ze rent gewoon alsof haar lichaam al weet waar ze heen moet.
Continue to the next chapter of Afgewezen