
Alfa en Aurora Boek 4
Auteur
Delta Winters
Lezers
44,5K
Hoofdstukken
25
Mysterieuze ziekte
Book Four: Ghosts of the Past
„Aurora en Everett zijn eindelijk vrij. De kwade godin Nemesis is gedood, net als haar helper, de zogenaamde mentor van Rory, de leugenachtige professor Xander. Eindelijk kunnen ze zich richten op hun roedel en op elkaar. Maar het lichaam van Xander is nog steeds spoorloos. Een vreemde ziekte maakt zomaar mensen ziek, en afvallige wolven zonder roedel verplaatsen zich. Zelfs Rory is niet veilig. Ze moeten snel ontdekken wat er echt gebeurt, voordat er iemand sterft. Zullen ze kunnen samenwerken, of drijven deze nieuwe problemen hen uit elkaar?“
RORY
„Twee maanden nadat Nemesis is verslagen“
Zonlicht stroomt door de opening in de gordijnen en verlicht mijn slaapkamer. Ik kreun bij de gedachte dat ik uit bed moet komen, na alweer een onrustige nacht.
De herinnering aan de koude, gele ogen van Nemesis achtervolgt me. Ik trek de dekens over mijn hoofd en twijfel of ik zal proberen om nog wat te slapen, of dat ik het opgeef en aan mijn dag begin.
Ik voel de warmte van Everetts lichaam naast het mijne en glimlach. Ik ben blij dat hij niet is weggegaan voordat de zon opkwam. Hij heeft het zo druk en werkt zo hard als Alpha.
Nu we de Shadow Blood Pack en de Red Moon Pack hebben samengevoegd, is hij vaker buiten kantoor. Maar het werk als Alpha neemt nog steeds het grootste deel van zijn dag in beslag.
Uiteindelijk besluit ik om op te geven en langzaam uit bed te stappen. Ik probeer zo min mogelijk geluid te maken, zodat ik hem niet wakker maak. Slapen is voor hem de laatste tijd ook lastig.
Ik kleed me snel aan en pas op dat ik niet struikel, zoals ik normaal vaak doe. Mama wacht vast al op me in de eetzaal. Ik wil haar niet laten wachten, dus loop ik naar de deur.
„Waar sluip je naartoe?“ zegt Everett. Hij gaat rechtop in bed zitten en laat me me wezenloos schrikken. Hij plaagt me, lacht naar me, en ik voel een golf van liefde voor hem.
„Het spijt me,“ antwoord ik, en ik loop terug naar het bed. „Ik wilde je niet wakker maken.“
„Dat deed je niet. Ik sliep niet,“ grijnst hij. Hij steekt zijn hand uit en trekt me dichter naar zich toe.
Hij kust me zachtjes en de rest van de wereld verdwijnt heel even. Alleen wij tweeën doen er nog toe. Ik voel me veilig, in zijn armen gesloten. Alsof we samen alles aankunnen.
„Je hebt mijn vraag niet beantwoord,“ fluistert hij met een ondeugende glimlach.
„Ik heb Mama verteld dat ik samen met haar zou ontbijten. Daarna ga ik naar het weeshuis om te kijken hoe het met iedereen gaat,“ antwoord ik. Ik wou dat ik gewoon bij hem in bed kon blijven en de rest kon vergeten.
„Dat klinkt als een goed plan, kleine mate. Ik moet toch naar kantoor,“ zegt hij, en hij kust me op mijn voorhoofd.
Hij stapt uit bed en loopt naar de kledingkast. Ik kijk toe hoe hij zijn shirt uittrekt. Zijn brede borstkas en armen komen tevoorschijn, en ik herinner me hoe het voelt om daar met mijn handen overheen te gaan.
Hoe heb ik zoveel geluk gehad? Ooit zal ik de godin Selene moeten bedanken dat ze Everett mijn mate heeft gemaakt. Ik had nooit durven dromen dat ik zo'n relatie zou kunnen hebben.
„Ik hoop dat je een prachtige dag hebt, kleintje. Ik zie je rond de lunch,“ zegt hij. Hij leunt voorover om me nog één keer te kussen voordat hij weggaat.
Ik loop naar de eetzaal, waar Mama al op me wacht met een lach op haar gezicht en twee borden pannenkoeken. Ik voel dat iedereen naar me kijkt. Ik zie hun flauwe glimlachjes en nieuwsgierige blikken.
„Goedemorgen, lieverd,“ zegt Mama. Ze leunt voorover om me een kus op mijn wang te geven zodra ik ga zitten.
„Goedemorgen, Mama,“ antwoord ik. Ik probeer de vermoeidheid, die aan me blijft kleven, van me af te schudden.
„Slaap je nog steeds niet?“ vraagt ze met een bezorgde blik.
„Niet veel. Wat ik ook doe, ik lijk maar niet te kunnen ontspannen.“ Ik pak de stroop en gooi daarbij het zoutvaatje om. Gelukkig is er niets gebroken.
Ze steekt haar hand uit en aait over mijn haar om me te troosten. Ik probeer de rol van Luna nog steeds onder de knie te krijgen, maar gelukkig begrijpt Mama het. Ze vindt het ook niet erg om mijn rommel op te ruimen.
„Maak je niet te druk om wat zij denken. Jij bent de Luna, en niemand kan dat veranderen. Ze draaien vanzelf wel bij. Ze hebben namelijk geen andere keuze,“ zegt Mama met een glimlach.
„Ik weet het, Mama. Ik ben het gewoon zat om me te voelen alsof ik onder een vergrootglas lig. Daardoor ga ik aan alles twijfelen.“ Ik zal voor hen altijd 'de mens' blijven. Soms voelt het alsof ze me nooit echt zullen accepteren.
„Tja, dat ben je helaas wel,“ zegt ze terwijl ze haar hoofd schudt. „Maar dat is geen reden om te twijfelen aan wie je bent of aan je instincten. Vertrouw daarop, Rory. Vertrouw op jezelf.“
Mama weet altijd precies wat ze moet zeggen. Ik knik met mijn hoofd en glimlach. Ik ben zo dankbaar dat ik haar bij me heb. Zij is de enige persoon die altijd aan mijn kant heeft gestaan.
„Heb je Mia nog gezien?“ vraag ik om van onderwerp te veranderen.
„Nee, ik heb haar niet gezien. Hoezo? Is er iets aan de hand?“ vraagt ze bezorgd.
Na alles wat er is gebeurd met professor Xander en Nemesis, is iedereen gespannen. Mama is extra bezorgd sinds ze geprobeerd hebben om me te doden.
„Nee hoor. Ik heb haar de laatste tijd gewoon niet gezien, dat is alles,“ antwoord ik om haar gerust te stellen.
Ik kijk rond in de eetzaal, maar Mia is nergens te bekennen. Dit is al de derde dag dat ik haar hier niet heb gezien.
Aan de andere kant heeft ze ook gewoon school. Net als een normaal persoon. Mijn eigen droom om naar de universiteit te gaan, lijkt nu ineens heel ver weg.
Mama kijkt opgelucht. „Er is veel gebeurd. Misschien is ze gewoon druk met haar schoolwerk.“
Ik knik afwezig. Nu ik erover nadenk, heb ik Freya de afgelopen dagen ook niet gesproken. Mijn pogingen om haar te bereiken bleven onbeantwoord, en het is niets voor haar om zomaar te verdwijnen.
Ik wil niet dat deze gedachten te lang in mijn hoofd blijven rondspoken en me nog meer stress geven. Daarom neem ik afscheid van Mama en loop ik naar het weeshuis.
Ik krijg een raar gevoel zodra ik bij de deur aankom. Het is er griezelig stil. Ik kan het gevoel niet kwijtraken dat er iets heel erg mis is. Ik houd mijn adem in als ik de deur opendoe.
Niemand komt me begroeten. Ik loop door het gebouw en zoek naar een teken van leven, maar ik zie niemand. Er is geen lawaai en er spelen geen kinderen. Waar is iedereen toch?
Iemand roept mijn naam. „Rory!“
Ik schrik op en stoot mijn heup tegen een salontafel. Het is Nellie, die door de gang naar me toe komt rennen. Gelukkig is de verzorgster er in ieder geval wel.
„Ik ben zo blij dat je er bent.“
„Hé, wat is er aan de hand?“ vraag ik. Door de blik op haar gezicht krimpt mijn maag ineen van bezorgdheid.
„De kinderen moeten in hun kamers blijven. Sommigen zijn ziek geworden,“ zegt Nellie nerveus terwijl ze om zich heen kijkt. „Ik heb geen idee wat dit veroorzaakt of wat ik moet doen.“
„Ziek? Hoe dan?“ Ik frons. Het is geen griepseizoen en ik heb niet gehoord dat er iets anders heerst. „Kan ik iets doen om te helpen?“ Ik heb mijn krachten tot nu toe alleen gebruikt voor verwondingen, maar misschien kan ik iets betekenen.
Nellies gezicht klaart een beetje op. „Oh, als je dat zou willen, zou ik je heel dankbaar zijn. Kom maar mee. Ze zullen in ieder geval blij zijn om je te zien.“
Ik loop achter haar aan door de gang en voel me steeds zenuwachtiger worden. Ze stopt voor een deur aan het einde van de gang en kijkt me even aan voordat ze hem opent.
Binnen is het vreemd stil en de muren zijn kaal. Er zit een groepje kinderen op hun bedden. Hun ogen staan wijd open van angst als ik binnenkom. Verward kijk ik naar hun bange gezichten.
„Hoi allemaal. Ik hoorde dat jullie je niet zo lekker voelen. Willen jullie me erover vertellen?“ Ik ga op het bed van Cassidy zitten. Ik ken haar iets beter dan de andere kinderen, en ze is best verstandig.
„Ik weet het niet. Orion en ik voelden ons ineens heel raar. Daarna werden de anderen ook ziek,“ antwoordt Cassidy schouderophalend, terwijl ze naar de andere kinderen kijkt.
Ik leg mijn hand op haar voorhoofd. Ze voelt goed aan, niet eens zweterig. Haar huid is misschien een beetje koel. „Raar? Wat bedoel je met raar? Heb je koorts, of buikpijn?“
Cassidy kijkt me aan alsof ze het beu is om vanzelfsprekende dingen aan volwassenen uit te leggen. „Nee, helemaal niet. Het is mijn wolf. Al onze wolven voelen dit. Ze zijn bang en denken dat er iets ergs gaat gebeuren.“
Dat verbaast me. „Je wolf? Dus jullie menselijke kanten voelen niet hetzelfde?“
De kinderen schudden hun hoofd. Ik probeer te begrijpen wat dit betekent. De kamer is stil terwijl ze wachten tot ik iets zeg wat hen kan helpen of troosten.
Als alleen hun wolvenvormen hier last van hebben, moet het meer zijn dan alleen maar stress. Het klinkt bijna meer als een vloek dan als een ziekte.
Een plotselinge kou trekt door mijn lichaam en ik begin te rillen. Ik sla mijn armen om me heen terwijl een ongemakkelijk gevoel me bekruipt. Ik duw de gedachten aan de kant en focus me op de zieke kinderen.
„Is dat alles? Jullie wolven zijn bang? Je voelt je verder niet op een andere manier ziek?“ Ik leg mijn hand op Cassidy's hoofd, aai over haar haar en stuur stiekem wat van mijn kracht naar haar toe.
Orion geeft dit keer antwoord. „We hebben het allemaal koud. En we zijn heel erg moe, ongeacht hoeveel we slapen of eten.“
Dat is te vaag om echt verder te helpen, maar het klinkt absoluut niet goed.
Ik voel niets vreemds bij Cassidy, maar er gaat weer een rilling door me heen. Ik hoop maar dat ik niet hetzelfde krijg als zij. Maar ik heb geen wolf, dus dat kan waarschijnlijk niet.
Ik kijk naar de kinderen en probeer te glimlachen. „We hebben veel meegemaakt. Het is heel normaal om je bang en gestrest te voelen na alles. Zeker als er nog zoveel onbeantwoorde vragen zijn.“
Ze knikken, maar ik zie twijfel en angst in hun ogen. Ik kan het ze niet kwalijk nemen. Ik heb diezelfde twijfels en angsten. Maar als Luna moet ik me sterk houden. Elk teken van zwakte kan voor problemen zorgen.
Cassidy pakt mijn hand vast en knijpt erin. „Gaan we dood?“ vraagt ze, terwijl de tranen in haar ogen branden. Ze is normaal gesproken zo stoer, maar nu haar wolf in paniek is, is het logisch dat ze troost nodig heeft.
Haar onderlip trilt, en dat breekt direct mijn hart. De andere kinderen kijken net zo in de war en bang. Ze zijn allemaal doodsbang.
„Nee, jullie gaan niet dood. We gaan een manier vinden om jullie beter te maken,“ zeg ik zachtjes. Ik slik mijn tranen weg en bid dat ik niet tegen ze lieg.
Mijn gedachten dwalen af naar professor Xander. Hij had me misschien de informatie kunnen geven die ik nu nodig heb. Ik schud mijn hoofd een beetje om die gedachte weg te jagen.
Hij heeft nooit geprobeerd om me te helpen. Hij wilde me dood hebben. Ik was een idioot dat ik hem ooit heb vertrouwd. Hij heeft me gebruikt en tegen me gelogen, en ik had niets door. Ik laat dat nooit meer gebeuren.
„Misschien heeft de heks uit het bos ons vervloekt,“ fluistert Orion.
„Een bosheks bestaat helemaal niet!“ roept Cassidy, en ze gooit haar speelgoedkonijn naar zijn hoofd.
Hij schreeuwt het uit, en Nellie moet ingrijpen om een heel kussengevecht te voorkomen.
„Waar heb je het over, Orion?“ vraag ik zodra de kinderen weer rustig zijn.
Orion geeft gretig antwoord. „Er woont een wolvin helemaal alleen in het bos hier vlakbij. Ze is geen afvallige en zit niet in een roedel. Ze is een heks die kan toveren, en ze zal je vervloeken als ze je ziet!“
„Ik heb nog nooit van deze bosheks gehoord,“ zeg ik, al klinkt het toch ergens bekend... Alsof het uit een droom komt...
Cassidy steekt haar tong uit naar Orion. „Zie je wel? Luna Rory zou dat echt wel weten! Het is gewoon een dom verhaaltje.“
De kinderen zien er moe uit. Ik kan ze beter laten rusten. Ik sta op. „Ik moet nu gaan en met Everett praten. We lossen dit op, dat beloof ik. Wees in de tussentijd braaf en luister naar Nellie, oké?“
Ze beloven het, en ik geef ze allemaal een knuffel voordat ik de deur uitloop. Nellie volgt me en trekt de deur zachtjes achter ons dicht. We lopen een stukje verder de gang in, zodat we kunnen praten zonder dat ze ons horen.
„Rory, wat moet ik doen?“ vraagt Nellie, terwijl ze haar armen losjes om zich heen slaat. „Ik weet niet hoe ik ze kan helpen.“
„Je doet het geweldig. Het lijkt geen normale ziekte te zijn, en mijn krachten hebben niets gevonden, maar ik heb wel een idee waar ik moet zoeken.“ Ik bluf een beetje, maar Nellie lijkt gerustgesteld.
Ik klop haar op haar schouder. „Houd ze warm en comfortabel terwijl wij op onderzoek uitgaan. Zodra ik meer weet, bel ik je. Als iemand anders ziek wordt of als het erger wordt, laat het me dan alsjeblieft weten.“
Nellie kijkt nadenkend. „Nou, je vriendin Mia is ook ziek. Ze was hier op bezoek toen een paar kinderen ziek werden. Ze zei dat ze precies dezelfde klachten had.“
Ik staar haar vol ongeloof aan. Is ze daarom niet in de eetzaal geweest? Er kunnen nog veel meer mensen ziek zijn. Hoe ver heeft dit zich al verspreid? Gaat het nog erger worden?
Talloze vragen overspoelen mijn geest, zonder dat ik er antwoorden op heb. Ik moet met Everett praten. De roedel zal naar ons kijken voor antwoorden, en op dit moment hebben we ze niets te vertellen.
DK*„Oké, bedankt, Nellie.“ Ik houd mijn glimlach op, maar het voelt nu enorm nep. Er waart een plaag door onze roedel en we wisten van niets. Misschien zijn we nog op tijd om het te stoppen. Ik hoop het maar.
We nemen afscheid en ik haast me naar buiten. Zodra ik de deur bereik, trekt er weer een koudegolf door me heen. Mijn onrust groeit. Ik ren het weeshuis uit, in de hoop dat ik het gevoel daar achter kan laten, maar het blijft me achtervolgen.
Paniek neemt me over, waardoor ik gespannen blijf en me niet kan concentreren. Ik ben nog maar een paar meter van de deur verwijderd als mijn voeten me in de steek laten en ik in een gat stap. Mijn enkel zwikt dubbel en ik val hard op de grond.
Ik krabbel overeind en kijk om me heen of iemand me gezien heeft. Gelukkig is er niemand in de buurt, en ik blijf doorlopen. Ik haast me terug naar het roedelhuis en hoop dat Everett iets weet.
Mensen praten wel met hem, ook al doen ze dat niet met mij. Misschien weet hij er al alles van. Of misschien staat er een boek in de bibliotheek met het antwoord. Ik moet ook nog bij Mia langs. Ik kan al die taken niet in mijn hoofd houden.
Als ik het oude roedelhuis passeer, hoor ik in de verte iets vreemds. Het klinkt bijna alsof er mensen fluisteren. Er is iets bekends aan, en mijn lichaam spant zich meteen aan in reactie daarop.
Ik draai me om, maar ik zie niets ongewoons. Opnieuw voel ik een plotselinge kou. Het wekt een diepere angst in me op dan ik ooit heb gekend. Ik versnel mijn pas.
Het geluid wordt harder—onverstaanbare stemmen in een gesprek. Met elke stap worden ze luider, maar ik versta nog steeds niet wat ze zeggen. Ik kijk weer achterom, maar ik zie nog steeds niets.
Mijn hart klopt als een gek en ik heb moeite om diep adem te halen. Mijn enkel steekt nog meer, maar ik blijf doorlopen om weg te komen van de stemmen. Het klinkt alsof ze vlak achter me zitten.
Ik voel weer een ijskoude wind door me heen trekken terwijl mijn angst groeit. Nog steeds zie ik niets. Ik ren, mijn enkel klopt van de pijn, maar ik negeer het. Ik kijk nog een keer achterom en voel mijn voet tegen een tak botsen. Ik klap hard tegen de grond.
Een brandende pijn schiet door mijn hoofd als ik met een klap op een steen terechtkom. Vrijwel direct word ik duizelig. Ik weet dat ik moet opstaan en door moet lopen, maar mijn lichaam wil niet reageren.
Ik open mijn ogen en ben gedesoriënteerd, terwijl de duizeligheid toeneemt. Mijn zicht is wazig en mijn hoofd bonkt. Ik probeer mijn ogen scherp te stellen en snak naar adem.
In mijn verdwaasde toestand zie ik iets zweven, maar het is te wazig om te zien wat het is. Naarmate mijn ogen beter scherpstellen, worden de zwevende figuren duidelijker. De angst grijpt me naar de keel.
Ik probeer om hulp te roepen, maar ik krijg geen geluid uit mijn keel. Ik kan niet wegkijken en word gedwongen om ze te zien. Het voelt als een nachtmerrie waaruit ik niet wakker kan worden.
Boven me zie ik gezichten in de lucht zweven. Het zijn professor Xander en Nemesis, doorzichtig als wolken en allebei met een gemene grijns. Ze zweven over me heen en bespotten me met hun aanwezigheid.
Ze leven nog. We zijn allemaal in gevaar.














































