
De Lycans Verloren Partner: De Finale
Auteur
A. K. Glandt
Lezers
283K
Hoofdstukken
13
Bittere Wrok
Nahta
Ik stond op het balkon en keek uit over de stad. Mijn ogen bleven rusten op Kieran en Jezebel, die verstrengeld in de verte verdwenen.
Ze leken wel een perfect stel. De groene kleur van haar jurk paste perfect bij de gelukkige blik op zijn gezicht.
Hij had me verteld dat hij niet zeker van haar was, maar ik was gewoon te voorzichtig geweest. Op dit moment zag Kieran er behoorlijk verliefd uit.
Mijn hart voelde zwaar. Ik deed mijn best om mijn bittere gevoelens te verbergen. Het voelde alsof het verleden zich herhaalde. Het deed me denken aan de tijd dat mijn moeder ervoor koos om te sterven in plaats van voor mij te zorgen.
Ik voelde me weer compleet in de steek gelaten.
„Nahta?“ klonk een zachte stem achter me. Ik moest me wel omdraaien. Jameel stond daar. Zijn ogen stonden bezorgd. Hij was een stadswachter die bureauwerk deed, hij vocht niet.
Deze man zou mijn mate moeten zijn. Maar hij leek in de verste verte niet op de sterke, machtige Alfa die ik altijd voor mezelf had gewenst.
„Jameel,“ spuwde ik uit. Mijn hatelijke toon verbaasde me zelf. „Wat wil je?“
„Ehm...“ Jameel viel even stil. Hij keek bezorgd. „Ik wilde alleen maar even kijken of het wel goed met je ging.“
Iedereen wist dat ik van Kieran hield. De hele stadswacht, inclusief Jameel, was ervan op de hoogte. Maar zelfs dan hoefde hij echt niet te komen kijken hoe het met me ging.
„Natuurlijk gaat het niet goed!“ schreeuwde ik terug. Warme tranen brandden in mijn ogen.
Waarom moest het leven zo gemeen zijn? Als lycan kreeg ik maar één mate. En dit was hem? Ik wilde een man zoals Kieran. Ik wilde een goede vechter en een echte leider. Ik wilde iemand met grove humor, die me aan het lachen kon maken als het tegenzat.
Ik wilde geen zwak en gevoelig persoon zoals Jameel.
„Nahta, alsjeblieft,“ smeekte Jameel. Hij deed een stap dichterbij. „Ik kan... Je kunt met me praten. Ik beloof je dat je hier veilig bent. Je kunt me vertrouwen. Wil je het niet proberen?“
„Proberen?“ Ik maakte een spottend geluid en schudde mijn hoofd. „Je begrijpt het niet, Jameel. Je zult het nooit begrijpen. Vraag me dus niet om mijn lasten met je te delen.“
Die woorden hardop uitspreken zorgde er alleen maar voor dat ik me slechter voelde.
„Misschien begrijp ik het ook niet,“ gaf hij toe. Hij keek gekwetst. „Maar dat betekent niet dat ik niet kan luisteren, Nahta.“
„Hou op,“ waarschuwde ik hem. Mijn stem trilde. „Ik wil er niets van horen.“ Ik haatte het om naar zijn oprechte woorden te luisteren. Ze maakten me alleen maar bozer op mezelf, omdat ik hem niet als mijn mate kon accepteren.
„Nahta, alsjeblieft...“ probeerde Jameel nog eens, maar ik kapte hem af.
Ik wilde hem de kans niet geven om die woorden te zeggen. Ik wilde niet dat hij me zou vertellen dat ik zijn mate was.
„Genoeg!“ brulde ik. Hij deinsde geschrokken achteruit. Mijn hart kromp ineen toen ik dat zag. Ik wilde hem geen pijn doen, maar ik kon mijn gevoelens niet uitschakelen. „Je moet gaan, Jameel. Ga... gewoon weg.“
Hij keek me een hele tijd aan. Toen knikte hij langzaam, draaide zich om en liep weg. Terwijl ik hem nakeek, wilde een klein deel van mij hem terugroepen. Ik wilde sorry zeggen en proberen om het goed te maken.
Maar de rest van mij hield me tegen. Ik was veel te bang om weer in de steek gelaten te worden.
„Nahta,“ zei Jameel zacht. Hij stopte bij de deur. Met droevige ogen keek hij nog een keer achterom.
„Ik weet dat ik geen Kieran ben, en dat zal ik ook nooit worden. Maar ik beloof je dat ik mijn uiterste best zal doen om de beste mate te zijn. Je hoeft me nu niet te accepteren, of zelfs helemaal nooit. Maar weet alsjeblieft dat ik er altijd voor je zal zijn, wat er ook gebeurt.“
„Dank je, maar dit gaat nooit werken. Ik zal nooit van je houden,“ fluisterde ik. Mijn borstkas deed pijn.
De deur viel achter hem in het slot. Ik draaide me weer om naar het balkon. Ik keek opnieuw uit over de stad. De zon was onder en de straatlantaarns sprongen aan.
De donkere schaduwen van de gebouwen leken precies op de donkere, verdrietige gevoelens in mijn hart.
„Nahta!“ klonk een bekende stem van beneden. Ik keek naar beneden en zag Malik op straat staan. Hij keek naar me op. Hij had een irritante glimlach op zijn gezicht die mijn woede niet wegnam.
„Wat wil je?“ snauwde ik naar hem.
„Wat je eigenlijk zou moeten vragen,“ antwoordde hij vrolijk, „is hoe ik je kan helpen om deze slechte mate-situatie voor jou te laten werken.“
Ik snoof zo hard dat ik stoom uit mijn neus kon zien komen. „Ik heb jouw hulp niet nodig.“
„Iedereen zegt dat, maar ik breng ze altijd op andere gedachten. Kijk maar naar Sitka.“
„Je hebt een hoop shit verpest voor Sitka, dus laten we daar maar niet over beginnen.“
Zijn ogen veranderden iets, maar hij gaf niet op. Dat was typisch Malik. „Je vindt dat je een betere man verdient dan hem,“ merkte hij koeltjes op.
Wat dan nog? Wat als ik inderdaad een ander soort man wilde? Ik zag mezelf maar bij één man. Lune had hem bij me weggehouden. En Lune had me ook nog eens een mate gegeven die precies het tegenovergestelde was.
„Hij is sterker dan je denkt, Nahta,“ zei Malik, terwijl hij zijn vingers tot een dakje voor zijn borst vouwde. Hij fronste zijn wenkbrauwen en klakte met zijn tong. „Hij zou geen stadswachter zijn als hij zwak was. Het is een zware baan.“
„Heeft hij je ingehuurd om zijn cv te schrijven? Je hoeft hem echt niet voor me op te hemelen, Malik. En moet jij niet ergens anders gaan rondneuzen? Ik heb het heel erg druk.“
„Een beetje voor je uit staren en liefdesverdriet hebben over een man die net getrouwd is? Dat is geen gezonde manier om je tijd door te brengen,“ oordeelde Malik.
Ik stond op het punt om naar beneden te vliegen en zo pijnlijk aan zijn oor te draaien dat hij zich zou herinneren wat hij in zijn vorige leven was geweest.
Hij zag de woede op mijn gezicht en glimlachte. „Ik zie dat ik je heel erg boos maak. Ik ga maar eens.“
Voordat ik nog iets kon doen, liep Malik een menigte in en was hij verdwenen.
„Vervelende kleine klootzak,“ mompelde ik zachtjes tegen mezelf.
Ik bleef op het balkon staan. Vanaf daar kon ik de stadspoorten goed in de gaten houden. Ik zag Jameel in de buurt van een paar grote, sterke bewakers staan.
Ik voelde ineens de drang om hem te beschermen, maar dat gevoel stond me niet aan. Mijn domme mate had niet eens de moed om voor zichzelf op te komen!
„Verdomme,“ fluisterde ik. Ik voelde dat mijn oude angst om in de steek gelaten te worden weer naar boven kwam. Mijn moeder had ervoor gekozen om te sterven in plaats van mij groot te brengen. En nu speelde het lot een spelletje met me door me een mate te geven die zichzelf niet eens kon beschermen.
Ik verliet het balkon en liep naar de poorten.
„Hé, Jameel!“ riep een van de bewakers met een gemene grijns. „Waarom laat je ons niet zien hoe je vecht? Je weet wel, die beweging waarbij je je achter een muur verstopt?“
De andere bewakers lachten. Ik zag het gezicht van Jameel rood aanlopen. Ik balde mijn handen tot strakke vuisten. Mijn nagels sneden in mijn huid. Dit was genoeg. Ik ging hier niet langer naar staan kijken.
„Pardon,“ gromde ik. De bewakers keken me aan. Hun grijnzen verdwenen toen ze zagen hoe woedend ik was.
„Wow, wat is haar probleem?“ fluisterde er een. Ik negeerde hem. Ik keek naar de grote bewaker die Jameel uitlachte. Hij had een litteken op zijn gezicht en een enorm ego.
„Hé!“ schreeuwde ik om zijn aandacht te trekken. „Denk je dat je zo sterk bent? Laten we eens kijken hoe je tegen mij vecht.“
De bewaker keek verrast. Hij keek om zich heen om te zien of iemand hem wilde helpen. Maar niemand verroerde zich. Ze keken allemaal toe hoe ik klaarstond om de pestkop aan te pakken.
„Prima,“ mompelde hij. Hij nam een vechthouding aan. „Maar geef mij niet de schuld als je straks een gebroken neus hebt.“
„Praten is makkelijk,“ antwoordde ik. Ik dook naar voren. Mijn vuisten raakten hem. Ik voelde met voldoening zijn bot breken onder mijn knokkels. De wachter viel naar achteren en greep pijnlijk naar zijn hand.
„Is dat alles wat je in huis hebt?“ beet ik hem toe en ik viel hem weer aan. Het gevecht was hard, rommelig en veel te snel voorbij. De wachter zakte in elkaar op de grond. Het bloed stroomde uit zijn gehavende gezicht.
„Onderschat je vijand nooit,“ vertelde ik hem ijskoud. Ik draaide me om. De andere bewakers keken me aan. Ze waren bang, maar keken ook vol ontzag. Maar ik gaf niks om ze.
Mijn blik viel op Jameel. Hij stond daar en keek geschokt naar mijn plotselinge geweld.
„Dank je,“ fluisterde hij. Zijn stem was nauwelijks hoorbaar boven het gemompel van de menigte.
Ik wilde iets terugzeggen. Ik wilde zijn dankbaarheid accepteren, maar ik kon de woorden niet vinden.
In plaats daarvan klemde ik mijn kaken op elkaar. Ik liep hem straal voorbij en gunde hem geen blik waardig. Ik had hem gered van de pesterijen van zijn collega's, maar ik voelde nog steeds wrok naar hem toe.
„Verdomme, Jameel,“ dacht ik verbitterd, terwijl ik tegen de tranen vocht en me terugtrok in de eenzaamheid van mijn kamer. „Waarom moest jij mijn mate zijn?“
















































