
Alfa en Aurora Boek 5
Auteur
Delta Winters
Lezers
33,6K
Hoofdstukken
16
Zonsondergang
RORY
Ik word wakker uit mijn middagdutje. Onze slaapkamer is gevuld met het rode licht van de zonsondergang. Ik heb vast wel twee uur geslapen. Ik ga voorzichtig rechtop zitten, wrijf over mijn zwangere buik en glimlach.
Deze baby maakt me erg moe, maar ik kan me niet voorstellen dat ik gelukkiger zou zijn. De baby is flink gegroeid in de maanden sinds we mijn zwangerschap bekendmaakten. Dat gebeurde tijdens het grote feest van de roedel om de overwinning op Nemesis te vieren.
De roedel heeft me nu min of meer geaccepteerd. Ik draag tenslotte de erfgenaam van hun alfa. Bovendien heb ik de kinderen van de roedel gered van de slechte godin Nemesis.
Ik word nog steeds blij van de gedachte dat ik haar gemene gele ogen nooit meer zal zien. Vergeleken met haar zijn gewone wolven geen enkel probleem.
Sommige vrouwen hadden gehoopt om zelf de luna van Everett te worden. Zij kijken me nog steeds boos aan. Er zullen ook altijd mensen zijn die het moeilijk vinden om iemand te vertrouwen die geen wolf is. Maar gelukkig is dat maar een kleine groep.
De meeste leden van de roedel wantrouwden me vroeger. Nu gebruiken ze die energie om me juist te beschermen. Iedereen weet hoe onhandig ik ben. Dat kun je echt niet missen.
Waar ik ook ga, er is altijd wel iemand die wil helpen. Ze bieden aan om een glas drinken voor me te pakken, mijn stoel aan te schuiven of met me naar de bibliotheek te lopen. Ik heb al een maand niets gebroken en ik heb minder blauwe plekken. Ik denk dus dat het een goede zaak is.
Het is vooral lief en grappig, maar soms ook een beetje irritant. Het is echt niet zo dat ik ga struikelen en de baby pijn ga doen of iets dergelijks.
De meest beschermende persoon is natuurlijk mijn partner. Zijn taken als alfa houden hem erg druk. Toch vindt hij altijd tijd om me goed in de gaten te houden.
Er zijn helemaal geen problemen meer geweest sinds we Nemesis hebben verslagen. Het is ontzettend rustig geweest. Mijn leven is nog nooit zo zonder stress geweest.
Maar als ik hem vertel dat hij zich wat meer moet ontspannen, pakt hij mijn handen. Hij kijkt me aan met zijn knappe, serieuze gezicht en zegt: „Ik neem geen enkel risico met de mensen van wie ik het meest hou.“
Hoe kan ik daar nou nee tegen zeggen? Ik geef altijd toe. Zelfs toen hij de kok mijn eten liet proeven om te controleren of het niet vergiftigd was. Ik vind het geweldig hoe beschermend en zorgzaam hij is. Ik neem het hem niet kwalijk dat hij zich zorgen maakt.
We hebben de afgelopen jaren zo veel meegemaakt. Nu is er echter genoeg te vieren. Mijn beste vriendin Freya heeft haar partner gevonden in de gamma van de roedel, Ace. Hun verbindingsceremonie komt er snel aan.
Ze zijn schattig samen sinds ze officieel een koppel zijn. Ze houden elkaars hand vast in de eetzaal en maken 's avonds lange wandelingen in het bos. Ik weet dat Freya veel heeft geoefend om hem te tekenen, zowel als mens en in zijn wolfsvorm.
Er is wel een klein probleempje. Freya is ook een mens die de roedel zal moeten accepteren. Bovendien moet ze haar studie nog afronden. Ace kan niet met haar mee naar New York. Daarom moet ze naar de plaatselijke universiteit gaan.
Mijn tijd op Werewolf University was behoorlijk verschrikkelijk. En ik had toen nog de bescherming dat ik de luna was. Hopelijk zal haar huwelijk met Ace haar helpen. Toch ben ik stiekem een beetje zenuwachtig voor haar.
Ik moet er niet aan denken dat ze ook maar een klein beetje wordt gepest, zoals ik mijn hele leven heb meegemaakt. Niemand weet beter dan ik hoe gemeen wolven tegen een mens kunnen zijn.
Daar lossen we wel op als het zover is. Voor nu proberen we ons allebei te richten op het plannen van de ceremonie. Freya is heel creatief. Ze let erg goed op de juiste kleuren en wanneer het licht het mooist zal zijn.
Ze heeft de datum over zes maanden gepland. Dan heb ik tijd om te bevallen en haar getuige te zijn. Ik moest huilen toen ze het me vroeg. Ze lachte en zei: „Wie zou ik anders willen?“
Het is echt een zegen om haar in de buurt te hebben. Ze heeft zelfs lessen gevolgd om verloskundige te worden. Zo kan ze me helpen als het tijd is om te bevallen.
Ik kan niet geloven hoe enorm mijn buik is geworden. Ik ben zo groot dat we dachten dat ik misschien een tweeling zou krijgen. Maar op de echo's is altijd maar één baby te zien.
Everett zweert dat hij twee hartslagen hoort. De dokter zegt echter dat het gewoon een echo in het geluid moet zijn. We weten inmiddels wel het geslacht van de baby. Het is een jongen.
Ik vind het een beetje jammer dat we geen dochter krijgen. Maar wie zegt dat dit onze enige baby zal zijn? Everett en ik zijn nog jong. We hebben nog veel tijd voor ons liggen.
Het is niet zo dat ik geen zoon wil. Ik weet zeker dat hij geweldig zal zijn. Ik maak me alleen zorgen om de reacties van andere mensen. Zolang mensen niet te overdreven roepen met kreten als „hoera, een mannelijke erfgenaam“, ben ik gelukkig.
Ik kan niet wachten tot de baby er is. Ik wil hem eindelijk ontmoeten en hem een naam geven! Ik stond erop dat we wachten tot zijn geboorte om een naam te kiezen. Toch denk ik dat Everett stiekem al wat favorieten heeft.
„Maar we kunnen nog wel even wachten,“ zeg ik tegen de baby, terwijl ik over mijn buik wrijf. „Ik weet niet of ik er al klaar voor ben om je met de rest te delen.“
Hij schopt tegen mijn hand en ik glimlach. Ik was altijd zenuwachtig om zwanger te zijn. Het is ook zeker geen makkelijke tijd geweest. Toch ben ik nog nooit zo gelukkig geweest.
Ik denk dat het tijd is voor nog een wandeling naar het oude roedelhuis. Daar zit ik graag bij de geesten. Ik heb daar de laatste tijd veel tijd doorgebracht. Ik denk dan na over hoe het zal zijn om moeder te zijn.
De geesten antwoorden nooit. Maar de eeuwenoude wijsheid van die plek en de talloze baby's die daar zijn opgegroeid, geven me altijd een gevoel van rust en troost.
Bovendien is het de enige plek waar ik even tijd voor mezelf heb. De roedel vermijdt het oude gebouw nog steeds. Zo kan ik even wegzijn van mijn oplettende oppassers.
Terwijl ik mezelf uit bed hijs, kijk ik naar wat ik aanheb. Ik viel in slaap in een joggingbroek vol vlekken en een oud shirt van Everett. Ik moet me waarschijnlijk even omkleden. Vieze pyjama's laten niet echt zien dat ik een „geschikte luna“ ben.
Voorzichtig stap ik in een paar sandalen. Ik houd me vast aan de muur om in balans te blijven. Het is moeilijk, want ik kan mijn voeten niet zien door mijn dikke buik. Ook zijn mijn voeten een beetje opgezwollen, maar het lukt me.
Ik doe de deur een klein stukje open. Ik gluur naar buiten om te zien of er iemand „toevallig voorbijkomt“ om te helpen. Tot mijn verbazing is er niemand te zien. Misschien red ik het wel naar buiten zonder dat iemand het merkt.
Ik beweeg zo stil als ik kan. Voorzichtig stap ik de gang in en sluip ik langzaam naar de trap.
Bovenaan de trap stop ik even en bijt op mijn lip. Ik heb de trap al heel lang niet meer alleen af gelopen. De treden zijn vrij steil en smal. Daarbij kan ik mijn voeten niet zien.
Een beetje struikelen over een boomwortel is tot daaraan toe. Maar als ik van deze trap val, heb ik een groot probleem. Ik wil onafhankelijk zijn, maar ik wil niet dat ik of de baby ernstig gewond raakt.
Terwijl ik nadenk over wat ik zal doen, klinken er stemmen vanuit de woonkamer. Eén van die stemmen laat mijn hart sneller kloppen in mijn borst. Ik doe mijn best om het goed te horen en hoop dat ik me vergis.
Zij kan het niet zijn. Dat kan gewoon niet. Ik dacht dat ik nu veilig was. Ik dacht dat ik haar stem nooit meer zou horen.










































