
Alpha Faye
Auteur
Midika Crane
Lezers
56,0K
Hoofdstukken
47
PROLOOG
FAYE
Precies goed.
Ik schuif mijn vingers onder het raam en duw het omhoog tot de frisse nachtlucht binnenstroomt. Het is geen besneeuwde nacht, maar de kou bijt in mijn blote armen. Het heeft geen zin om mooie kleren aan te trekken als ik toch zo ga veranderen.
Dus zwaai ik mijn been over de vensterbank en kijk naar beneden naar de grond. Ik hoop maar dat het gras mijn val breekt.
Ik haal diep adem en laat me vallen tot mijn voeten de grond raken. Mijn enkels protesteren tegen de klap. Er zou hier vanavond niemand in de buurt moeten zijn. Voor zover ik weet, lopen de bewakers tot middernacht ergens anders.
De nacht zoemt om me heen. Niemand anders is het met me eens dat het bos achter mijn huis 's nachts tot leven komt.
Ze geloven wel dat het zo is, maar op een andere manier.
Mijn roedel, de Independence Pack, is altijd uit de buurt gebleven van de andere twaalf roedels, vooral van de Discipline Pack. Hun afkeuring van onze regelloze levensstijl heeft gezorgd voor een breuk tussen hun alfa, Kael, en mij.
Hij heeft zelfs al vaker zijn schurken gestuurd om me te doden. Dat zou me bang moeten maken, maar dat is niet zo. Ik leid een roedel waar mensen vrij zijn om hun eigen keuzes te maken, met weinig gevolgen.
Natuurlijk zijn er wel wat grenzen, maar mijn mensen zijn onafhankelijk. Ze leven het leven dat ze kiezen, zolang ze mijn beslissingen maar respecteren als dat nodig is.
Toch zijn er mensen die vinden dat hun mening zwaarder weegt dan de mijne. Zoals mijn moeder. Na een bijna-doodervaring een paar jaar geleden, vroeg ik haar om bij mij te komen wonen, zodat ik voor haar kon zorgen.
Maar dit is een echte hoofdpijn geworden, aangezien ze mijn geduld tot het uiterste test met haar constante suggesties. En dan druk ik me met de term suggesties nog zacht uit.
Ik probeer te luisteren. Ik probeer het te begrijpen. Maar 's nachts binnenblijven terwijl de aantrekkingskracht van het bos zo sterk is? Ik dacht het niet...
Dus om de vrede te bewaren, sluip ik rond. Iets waar een vrouwelijke alfa, die respect wil van alle roedels, nooit op betrapt mag worden.
Zodra ik de moed vind om mijn moeder te vragen om weg te gaan, hoef ik niet meer rond te sluipen. Dan hoef ik me geen zorgen meer te maken dat ik haar teleurstel.
Mijn blote voeten kraken over de gevallen bladeren. Mijn linkerhand glijdt over de muur terwijl ik loop, klaar om in de schaduw te verdwijnen als dat nodig is.
Het bos is omsloten door een hoog, donker hek. Omdat mijn roedel op de top van een berg woont, is het bos de enige weg naar binnen of naar buiten. Zo komen de moordenaars van Alpha Kael binnen, en daarom wordt er gesuggereerd dat ik wegblijf.
Ik snap het wel, maar het is moeilijk om de roep van de wildernis te negeren. Het duurt niet lang voordat ik de poort vind die mensen buiten houdt. Mijn ogen zijn goed gewend aan de duisternis.
Dit is niet de eerste keer dat ik wegsluip, en als ik onder de radar kan blijven, zal het ook niet mijn laatste zijn. Over de poort klimmen is het lastigste deel. Mijn handen grijpen het koude ijzer vast terwijl ik omhoog klim, en mijn voeten glijden bijna uit op de met ijs bedekte tralies.
Hoe hoger ik klim, hoe moeilijker het wordt. Mijn handen bevriezen en verkrampen, maar ik zet me over het ongemak heen, zwaai mijn benen over de top en laat me aan de andere kant op de grond vallen.
Zodra ik verander, komt het goed. Tenzij iemand mijn geur oppikt. Dan heb ik een groot probleem. Om dat te voorkomen, trek ik dieper het bos in. Ik laat de duisternis me met elke stap opslokken.
Net als ik me veilig genoeg voel om te veranderen, hoor ik een raar geluid. Geritsel. En stemmen. Verdomme.
Ik druk mezelf tegen de stam van een boom en verstop me voor de zaklampen van de bewakers. Ik herken hun stemmen. Het zijn er maar twee, maar ik ken ze allebei. Preston en James. Sukkels.
„Dat dacht ik al,“ hoor ik Preston mopperen, gevolgd door een instemmend gemompel van James.
„Kom maar tevoorschijn, Faye,“ roept James.
Ik krimp in elkaar. Natuurlijk zouden zij me vinden. Ze zijn de beste bewakers in het Pack Quarter. Precies daarom heb ik ze ingehuurd om mijn huis te beschermen. Nu begin ik steeds meer te twijfelen aan die beslissing.
„We weten waarom je hier buiten bent. Je hoeft je dus niet tegenover ons te verantwoorden.“
Ze proberen me alleen maar naar buiten te lokken, dat weet ik. Ze weten dat ik als alfa geen uitleg schuldig ben. Maar ze weten ook dat hun woorden me ertoe zullen aanzetten om naar buiten te stappen en hun vermoedens te bevestigen.
„Ik kom alleen maar mee terug omdat ik niet nog een teleurgestelde toespraak wil aanhoren,“ mopper ik, terwijl ik van achter de boom tevoorschijn kom in de gloed van hun zaklampen.
„Als het voorkomt dat ze een hartaanval krijgt, dan is het goed. Ik weet zeker dat jullie terug zouden rennen om het haar te vertellen.“
Preston en James kijken elkaar aan. Het zijn niet mijn persoonlijke bewakers. Deze mannen met hun zilveren haar hebben de taak om in het gebied te patrouilleren en te letten op indringers die proberen de roedel te infiltreren.
„Je stond op het punt om te veranderen,“ verklaart Preston. Zijn blik glijdt over me heen.
Ik ben niet gekleed op de koude lucht, en draag gewoon een simpele outfit die ik niet erg zou vinden om kwijt te raken als ik hem niet meer terug zou kunnen vinden. Nu lijken al mijn voorbereidingen zinloos.
„Gaan jullie me niet terugbrengen?“ vraag ik.
Ik wil niet nog meer in gesprek gaan met deze twee. Ze staan erom bekend dat ze roddelen met mijn moeder, alsof zij de leider is van haar eigen kleine roedel. Hoe minder ik tegen ze zeg, hoe beter.
Ze brengen me rechtstreeks naar mijn moeder. Niet om mijn acties te melden, maar omdat zij om mij vroeg. Ik zie er enorm tegenop om haar kamer binnen te gaan. Het is een harde herinnering aan haar zwakte. De dunne gordijnen, de steriele geur. Ze is aan haar bed gekluisterd en balanceert op het randje van de dood.
Zodra ze me ziet, zie ik de teleurstelling in haar ogen. Ze kijkt streng naar mijn kleding.
„Je hebt geluk dat we zaken moeten bespreken die niet over je kledingkeuze gaan.“
Preston en James laten me achter bij de deur. Bof ik even.
Ik zie er niet uit. Mijn voeten en de zoom van mijn jurk zijn bedekt met een dun laagje aarde. Mijn haar is een puinhoop en ik ben uitgeput. Hoe is mijn moeder überhaupt wakker op dit onmenselijke tijdstip, dat ik zorgvuldig had gekozen om niet ontdekt te worden? Of dat dacht ik tenminste.
„Wat is er, moeder?“ vraag ik, terwijl ik over haar zwakke vorm in bed gebogen sta.
Haar ooit zo sneeuwwitte haar, dat ik van haar heb geërfd, is nu grijs en onverzorgd. Haar gezicht is bleek, haar ogen troebel. Ondanks haar toestand zijn haar zintuigen net zo scherp als de mijne, wat best eng is. Het betekent dat ik nergens mee wegkom als zij in de buurt is.
„Ik heb me zorgen om je gemaakt. De Discipline Pack traint meer moordenaars. Ik moet er altijd voor zorgen dat je veilig bent, vind je ook niet?“ vraagt ze.
Ze voegt de woorden vind je ook niet toe om me de illusie van een keuze te geven. Ze doet graag alsof ik onwetend ben.
„En dat betekent?“
„Je vader had een paar jaar geleden een Huntsman, voordat hij overleed. Die jongen hield hem veilig, zowel toen hij bij bewustzijn was als toen hij dat niet was. Nadat je vader ziek werd, hebben we de jongen weggestuurd.
„Maar ik heb hem gevraagd om terug te komen om voor jou te zorgen.“ Als ze dit onthult, worden mijn ogen groot.
„Heb je deze beslissing genomen zonder met mij te overleggen?“
Mijn moeder slaakt een zucht. Het is een raspend geluid. „Sommige beslissingen moeten voor jou genomen worden. Je kunt niet altijd maar bezig zijn met niet betrapt worden.
„Met deze Huntsman kun je dieper het bos intrekken, als dat is wat je verlangt...“
Ik klem mijn tanden op elkaar.
„Hoe heet hij?“
Ze gaat rechtop zitten. „Cal.“














































