Cover image for De kleine partner van de alfa

De kleine partner van de alfa

Ik Heb Altijd Het Gevoel Dat Iemand Me In De Gaten Houdt

RHIANNON

De hele dag had ik al een onbestemd, onrustig gevoel. Toen ik mijn flat uitliep, voelde er iets niet pluis. Ik kan niet precies zeggen wat het was - ik kon gewoon niet ophouden me zo te voelen.
Nu zit ik in het knusse cafeetje bij de bieb te lunchen. Flo heeft vandaag voorleesuur voor de kleintjes.
Normaal kijk ik hier de hele week naar uit, maar vandaag weet ik niet of ik het wel aankan. Als een van die schatjes opgewonden gaat roepen, sla ik misschien wel op tilt.
De hele dag ben ik al zenuwachtig. Er is nog niemand in de bieb geweest sinds we open zijn, maar ik heb steeds het gevoel dat iemand me in de gaten houdt.
Ik zit aan een tafeltje in de hoek van het café. Met mijn rug tegen de muur kan niemand me van achteren besluipen.
Terwijl ik mijn boterham opeet, lees ik een populaire nieuwe roman. Plotseling kijk ik geschrokken op en speur het café af.
Er zit een oude baas aan de bar en twee vrouwen die ik ken van de bieb zitten samen te eten.
Niemand kijkt naar me. Niemand let überhaupt op mij. Ik tuur naar buiten en check de straat, maar niets lijkt vreemd.
Ik zie een lange vent bij het postkantoor aan de overkant staan. Ik heb hem nog nooit eerder gezien. Hij draagt een zonnebril, maar volgens mij kijkt hij naar me.
Ik wist dat er iets niet pluis was. Ik wist dat er een reden moest zijn waarom ik me bekeken voelde. Ken ik hem? Is het iemand uit mijn verleden?
Net als ik me zorgen begin te maken, stopt er een bus voor het postkantoor. Hij stapt in en de bus rijdt weg. Wat stom van me.
Na voor niets bang te zijn geworden, besluit ik de rest van de dag minder koffie te drinken. Het maakt me nerveus.
De rest van de dag verloopt normaal. Ik weet dat ik me aanstelde, maar het gevoel gaat niet weg.
Ik ben doodop als ik naar huis loop. Zorgen maken vreet energie. Mijn schouder doet pijn van de spanning van de hele dag.
Voordat ik bij Flo ga eten, besluit ik eerst naar huis te gaan om te douchen. Ik zal me beter voelen als ik schoon ben. Misschien word ik er ook wat wakkerder van.
Ik ren snel naar huis. Normaal ben ik niet bang in het donker, maar vandaag ben ik overal bang voor. Ik blijf dingen zien bewegen in mijn ooghoeken, maar als ik kijk is er niets.
Na mijn heerlijke lange douche voel ik me inderdaad wakkerder en doet mijn schouder minder pijn.
Ik trek een dikke zachte broek aan en een grote warme trui. De laatste keer dat ik bij Flo at, droeg ze een zachte pyjamabroek met kikkers erop. "We kleden ons niet chic," zei ze tegen me.
Ik vlecht mijn lange donkere haar in een losse vlecht. Morgenochtend kan ik de vlecht losmaken en ziet mijn haar er mooi uit voor het werk.
Terwijl ik het haar tussen mijn handen draai, vraag ik me af wanneer ik dit heb geleerd. Op een dag kon ik het ineens.
Ik stond voor de spiegel te bedenken wat ik met mijn haar zou doen, en alsof ik het altijd al had gekund, deden mijn handen het gewoon.
Ik kan me niet herinneren dat ik het heb geleerd of wie het me heeft geleerd - mijn lichaam weet het gewoon nog.
Er zijn veel van dat soort dingen. Kleine willekeurige dingen die ik kan doen omdat mijn lichaam het zich op de een of andere manier herinnert.
Ik weet nog hoe verbaasd ik was op mijn eerste dag terug in de bieb toen bleek dat ik heel snel en goed kon typen.
Mijn artsen zeiden dat ik me moest ontspannen, de herinneringen zouden vanzelf komen. Ze zeiden ook dat ik er rekening mee moest houden dat ik me misschien nooit veel dingen zou herinneren.
Dat pik ik niet. Ik ga me mijn leven herinneren, alles ervan. Er schuilt iets heel engs in mijn verleden en ik ga erachter komen wat het is.
Ik zucht. Ik moet gaan, Flo zal op me wachten.
De koude wind slaat in mijn gezicht als ik bij de bushalte sta. Het is maar tien minuten lopen naar Flo, maar vanavond kan ik precies de bus pakken.
Het is te koud om te lopen. Mijn tanden klapperen terwijl ik heen en weer loop om warm te blijven.
De bus komt precies op tijd.
"Goedenavond, juffrouw," zegt de chauffeur met een zwaar zuidelijk accent.
"Goedenavond." Ik glimlach, de warmte van de bus verwarmt mijn gezicht.
"Het is erg koud. Stapt u weer uit bij Baker Street?" vraagt hij. Ik heb deze bus vier of vijf keer naar Flo genomen. Het stadje is zo klein dat het me niet verbaast dat hij me herkent.
"Ja, meneer."
"Goed dan," zegt hij met een kleine glimlach terwijl ik ga zitten. Er zitten maar twee andere mensen in de bus. De oude vrouw glimlacht naar me en ik glimlach terug.
De tienerjongen heeft een koptelefoon op met muziek die zo hard staat dat ik het vanaf een paar stoelen verderop kan horen.
De jongen stapt bij de volgende halte uit. Als we bij Baker Street stoppen, hoop ik dat de vrouw hier ook uitstapt. Dat doet ze niet.
"Nog een fijne avond," zegt de chauffeur vrolijk.
"Bedankt, u ook!"
Ik stap uit de bus en de kou slaat meteen toe. Aan deze kant van de straat is niets dan een veld. De bushalte heeft een bankje onder een flikkerende straatlantaarn.
Eng.
Ik steek snel de straat over. Op de hoek is een klein tankstation met een winkeltje.
Zoals altijd stop ik bij het winkeltje om bloemen voor Flo te kopen.
Ze vertelde me eens over haar man, hoe hij elke vrijdag bloemen voor haar meebracht. Hij is ruim tien jaar geleden overleden. Flo is alleen op de wereld, net als ik.
Haar gezicht straalt altijd als ze de bloemen ziet. Het verwarmt mijn hart.
Net als ik in de koeling reik om mijn bloemen te pakken, rinkelt de bel boven de deur.
Ik loop met mijn bloemen naar de kassa. Ze glimlacht naar me en zegt: "14,50 euro."
Ik geef haar vijftien euro en draai me om om weg te gaan. De persoon die na mij binnenkwam is een man met een lang litteken op zijn gezicht. Hij kijkt me indringend aan van onder een dikke capuchon.
Ik loop snel de deur uit en sla de hoek om. Ik bots tegen iemand aan en val bijna achterover.
De vreemdeling grijpt mijn arm en voorkomt dat ik val. Ik kijk op en schrik me rot - het is de lange man van eerder, degene bij het postkantoor.
Hij glimlacht naar me en ik besef dat hij mijn arm nog steeds stevig vasthoudt.
"Laat me los!" roep ik, in een poging dapper te klinken.
Hij trekt me ruw de schaduw van het gebouw in en duwt me tegen de muur. De man met het litteken voegt zich bij ons in het donker. Ik probeer te schreeuwen, maar hij houdt me snel tegen.
"Hou je kop," zegt de lange vent, terwijl hij zijn hand stevig over mijn mond legt.
Hij buigt zich naar voren en ik schreeuw in zijn hand.
Hij stopt vlak bij mijn nek en... ruikt aan me?
Heeft hij me net geroken?
"Zij is het niet," zegt hij tegen de man met het litteken.
"Verdomme, ik-" Zijn zin wordt onderbroken door een diep gegrom.
Een enorme wolf springt tevoorschijn en gooit de man met het litteken op de grond. De lange vent draait zich om, maar het is te laat - een andere wolf springt uit het donker en bijt in zijn nek.
Ik druk me tegen de muur en sluit mijn ogen. Dit moet een droom zijn. Zulke grote wolven bestaan niet.
Ik hoor een afschuwelijk geluid. Ik open één oog en zie hoe het hoofd van de man met het litteken wordt afgerukt. Het hoofd van de lange vent is al af en hij... smelt. Zijn lichaam smelt weg in de grond.
Mijn mond valt open.
Ik begin zwarte randen aan de rand van mijn zicht te zien. Mijn knieën voelen slap en alles beweegt.
Terwijl alles zwart wordt, verandert een van de wolven in een man. Een compleet naakte man.
Continue to the next chapter of De kleine partner van de alfa