
Bedorven liefde
Auteur
E. J. Lace
Lezers
195K
Hoofdstukken
96
Damon pakt me bij mijn schouders en draait me op mijn rug. Ik vind het verschrikkelijk, maar ik ben zo opgewonden. Ik kreun als zijn lippen in mijn nek beginnen te zuigen. Het voelt zo goed.
Savannah, getekend door haar verleden, steelt van een lokale motorrijder, Damon. Ze wakkert een hete spanning aan. Kan ze voor deze gevaarlijke man verbergen wie ze is? Of zal haar stoutmoedige daad haar opnieuw in een wereld vol angst storten?
Leeftijdsclassificatie: 18+
De eerste dag
SAVANNAH
“Opschieten, dames, kom op, kom op.”
Coach Kline blies op zijn fluitje, waardoor de mensen die het dichtst bij hem stonden ineenkrompen vanwege het schelle geluid.
Zijn grijze sportshirt hing over zijn bierbuik, zijn blauwwitte basketbalbroekje was net iets te kort en strak.
Zijn jaren-'70-pornosnor was lachwekkend.
Ik wist zeker dat hij een haarkam gebruikte en er waarschijnlijk zonnebrand op smeerde als een vervelende viezerik.
Dat is de vibe die van hem afstraalde.
Hij klapte in zijn handen en we gingen allemaal van de baan af en een voor een terug de kleedkamer in.
De witgekalkte sintelblokken van de muren wezen ons de weg en blauwe tegels bedekten de vloer.
Het wolvenembleem op de muur schreeuwde schoolspirit uit, maar ik kon niet zeggen dat ik iets met deze rot plek had.
Nog niet tenminste.
Ik was bezweet en vies van de gedwongen lichaamsbeweging en de zinderende hitte, en was toe aan een douche.
Augustus was een van de heetste maanden en aan de kust wonen maakte het er niet beter op.
Ik zat pas drie weken op deze school en ik ging nog steeds niet op in de menigte.
Ik vond telkens weer een manier om als nieuweling op te vallen.
Was het niet het vergeten van de namen van de leraren of iets anders dat me op liet vallen, dan waren het wel de vragende blikken, de hatelijke opmerkingen en de roddels over wie ik was en waarom Percy en ik zo onafscheidelijk waren.
Niemand van hen bemoeide zich met zijn eigen zaken, maar hé, dit was de middelbare school.
Ik sjokte naar de kleedkamer, pakte mijn kleren en probeerde dat stomme cijferslot dat de school had ingesteld te openen, voordat ik het voor de vijftiende dag op rij opgaf en naar de douches liep.
De sloten waren veel te ingewikkeld en al zou het makkelijk moeten zijn, dat was het gewoon niet.
Percy liet me telkens zien hoe het moest en ik zweer dat ik het snapte als hij meekeek, maar ik kreeg mijn gymkluisje nog steeds niet open, hoe hard of hoelang ik het ook probeerde.
Ik was hierdoor al een paar keer te laat naar de les gegaan, waardoor ik twee keer te laat was gekomen en de eerste maand school was nog niet eens voorbij.
Ik slikte mijn irritatie in en kon niet wachten tot ik klaar was met school, van de middelbare school af was en dit soort shit achter me kon laten.
Wie kan een slot nou niet goed openen?!
Ik, natuurlijk.
Ik haatte gym het meest, niet alleen vanwege de lichamelijke activiteit, wat ik compleet verafschuwde, maar het was de enige les waarin we van elkaar gescheiden werden.
Percy was mijn neef en mijn enige vriend op school. Niet dat ik er meer wilde maken, het was gewoon makkelijker om iemand aan je zijde te hebben; hij probeerde me te helpen.
Hij deed echt zijn best.
Ik stapte achter het doorschijnende beige douchegordijn dat maar half zo groot was als het zou moeten zijn, zette het water aan en kleedde me uit in wat privacy zou heten.
Ik kleedde me snel uit en ging ver weg van de rest van de meiden staan.
Terwijl ik me inzeepte en het vieze zweet van mijn lichaam spoelde, vertrok de rest van de meiden.
De douche vulde zich met stilte en hoewel ik graag alleen was, was dit een slecht teken.
Ik ging weer te laat komen als ik niet opschoot.
Ik was na drie minuten klaar met douchen en draaide aan de chromen knoppen om het water uit te zetten.
Toen ik naar mijn handdoek greep, voelde ik niets.
Een vlaag van paniek overviel me.
Er lag niets op het krukje onder het paneel buiten de douche en er hing niets aan het haakje naast het deurgat.
Niets.
Ik trok het douchegordijn open en hield het voor mijn borsten, keek om me heen, zag geen van mijn kleren en niemand in de buurt.
Waar zijn verdomme mijn kleren gebleven?
Ik voelde de paniek opkomen en me in zijn greep krijgen.
Misschien had iemand ze op de grond zien liggen en meegenomen naar mijn kluisje?
In de hoop dat dat het geval was, rukte ik het douchegordijn van de helderwitte ringen en wikkelde ik het om me heen.
Terwijl ik de kleedkamer afstruinde, vond ik geen enkel spoor van mijn spullen.
Er lag niets meer in mijn kluisje: geen sporttas, geen schoenen, bh, slipje, haarborstel, niets.
Ik wist dat iemand ze meegenomen moest hebben, het was waarschijnlijk een van die bekakte meisjes die me al vanaf de eerste dag dodelijke blikken toewierpen.
Ik controleerde de vuilnisbakken en hoopte dat ze ze misschien gewoon hadden weggegooid, maar ik had geen geluk.
Snel liep ik de hoek om en ik zocht overal naar iets, wat dan ook, ik trok zelfs aan willekeurige kluisjes in de hoop er een te vinden die open was, zodat ik wat kleren kon lenen voor vandaag.
Maar natuurlijk had ik net zoveel geluk als dat mijn leven leuk was en vond ik niets.
Terwijl ik met mijn hoofd tegen het kluisje bonkte en tegen mezelf schold, besefte ik wat mijn enige optie was, en die was niet fraai.
Ik trok het douchegordijn nog strakker om me heen en zorgde ervoor dat de bovenkant, het midden en de onderkant goed vastzaten.
Zo snel als ik kon rende ik de korte trap op naar de eerste verdieping van de school.
Vervolgens rende ik de lege gang door tot ik bij de jongenskleedkamer kwam en door de deuren ging.
Gelukkig was hier niemand; de les was al begonnen en ik wist zeker dat Percy zich afvroeg waar ik was.
Hopend op een geluksmomentje wenste ik dat deze kluisjes net zo gelabeld waren als die van ons, en liep ik door de rijen heen op zoek naar Percy's naam.
Ik was bij de tweede rij en vond de winnaar.
Weer vocht ik met het slot.
Ik kreeg het niet open!
Tranen prikten in mijn ogen en liepen over mijn wangen, terwijl ik een gevoel van doem over me heen voelde komen.
Gewikkeld in een douchegordijn staan huilen, nadat ik had ingebroken in de jongenskleedkamer, moest wel een nieuw dieptepunt zijn.
Wat kon dit nog overtreffen?
Ik keek op en wilde God vervloeken omdat hij me nog in leven liet, maar toen werd mij een gelukstreffer in de vorm van blauwe en zilveren kleuren gegund.
Vanuit mijn ooghoek zag ik een kluisje zonder stom slot erop met, zo leek het, wat kleren die erin waren gepropt.
Wat kon dit nog overtreffen?
Stelen van een onschuldige vreemdeling.
Dat dus.
Ik hield mijn adem in, liep ernaartoe en maakte het open, griste de kleren eruit en bekeek ze eens goed.
Een shirt, een basketbalshort en zelfs een paar slippers, godzijdank!
Ze waren te groot, maar het kon ermee door.
Ik nam mijn vondsten mee naar de jongensdouches en kleedde me als een bezetene aan, omdat ik niet kon wachten om echte kleren aan te hebben, ook al waren ze niet van mij.
Omdat ik wist dat mijn jas veilig lag opgeborgen in mijn echte kluisje, vond ik het niet erg om tot die tijd zonder bh rond te lopen.
Grote borsten hebben was klote.
Als ik geen beha draag, was dat heel duidelijk te zien.
Niet dat ze superlaag hingen of zo, maar... grote borsten, grote problemen.
Nu het directe probleem was opgelost, voelde ik iets knagen aan mijn geweten.
Ik kon de kleren van deze vreemdeling niet stelen.
Mijn oom was de hulpsheriff, in godsnaam.
Maar ik had ze nodig.
Dus ik leen ze?
Draag ze tot je thuis bent, maak ze schoon en breng ze terug.
Met een beter gevoel over die oplossing ging ik terug naar het kluisje, pakte ik het uitgescheurde papiertje dat op de bovenste plank lag en de pen die op de bodem was gegooid en schreef ik een schuldbekentenis.
“Ik zal je gymkleren terugbrengen. Sorry.”
Ik wilde mijn naam erop zetten, maar ik dacht dat het beter overkwam als ik ze gewoon teruggaf zonder dat iemand wist wie ik was.
Ik maakte er een gaatje in aan de bovenkant en hing het aan het kleine haakje, zodat ik zeker wist dat hij het zou zien.
Ik sloot het kluisje en onthield de naam die op de voorkant stond, zodat ik wist aan wie ik ze moest teruggeven, samen met een bedankbriefje en waarschijnlijk een cadeaubon of zo.
Ik voelde me er rot over dat ik ze meenam.
Al had ik de oprechte intentie om ze terug te brengen, ik voelde me nog steeds een dief.
“Het spijt me D. Henley,” fluisterde ik in de stilte, terwijl ik de kleedkamer en dit kleine debacle achter me liet.
Toen ik bij mijn eigen kluisje aankwam, ging de bel en stroomden alle studenten de gangen in.
De gangen werden overspoeld door kinderen van mijn leeftijd, en hun zijwaartse blikken maakten me heel ongemakkelijk.
Ik sloeg mijn armen over mijn borst, opende haastig de deur van mijn kluisje en trok mijn jas aan om mijn vrije-uitloop-borsten te verbergen.
“Waar was… Wat heb je aan? Wat is er gebeurd?” Percy wierp me een bezorgde blik toe.
Zijn steile blonde haar zwiepte in zijn gezicht en zijn warme bruine ogen bestudeerden me, op zoek naar een teken dat er iets mis was.
“Die stomme plastic Barbies hebben, denk ik, mijn spullen gestolen. Ik moest een douchegordijn gebruiken om me mee te bedekken, toen bedacht ik me dat ik jouw gymkleren wel kon aandoen, maar ik kon je stomme slot niet openkrijgen.
“Gelukkig vond ik deze in het kluisje van een of andere gast.”
Ik haalde mijn vingers door mijn lange, honingkleurige haar en plukte een lok uit mijn gezicht terwijl ik me klaarmaakte voor de laatste les van de dag.
“Wacht, je rende naakt door de school en brak in in de jongenskleedkamer? Wiens kleren heb je aan?” Hij fronste zijn wenkbrauwen.
De bel vertelde ons dat we moesten opschieten.
Hoofdschuddend en mezelf mentaal aanmoedigend, volgde ik Percy naar de klas.
Hij liep een beetje voor me uit terwijl hij doorpraatte over wat voor huiswerk ik allemaal moest doen.
De volgende anderhalf uur ging langzaam voorbij – op slakkensnelheid.
We liepen naar huis zoals elke dag hiervoor, de kinderen van school die al konden autorijden raceten langs ons heen.
“Je weet dat ik in mijn eentje van en naar school kan lopen. Ik weet dat je het mist om auto te rijden – dat hoef je niet op te geven voor mij.”
De zon brandde op ons hoofd, waardoor we zweetten en onszelf in ons gezicht wapperden met een map.
Als we naar de weg voor ons keken, zagen we de hitte verdampen.
Percy had een auto, een rijbewijs en een parkeerplaats bij school waar hij voor betaald had.
“Het is oké, Van. Lopen is goed voor ons allebei.” Hij gaf me een duwtje met zijn elleboog.
Ik wist dat hij gewoon aardig doet.
Hij miste het om in zijn auto te rijden.
Maar omdat ik nooit meer in een voertuig zou stappen, zelfs niet om mijn leven te redden, besloot hij mee te gaan in mijn waanzin, zodat ik me beter zou voelen over het feit dat ik alleen was.
Ik was niet altijd zo geweest.
Maar vijf maanden geleden veranderde mijn leven.
Op een dag gingen we een stukje rijden, gewoon naar de bioscoop, en het begon te regenen.
De band aan de passagierskant klapte, we raakten een plas, slipten en gingen van de weg af de rivier in.
Pap stierf op slag.
Mam haalde Morgan en mij uit de auto, maar ze werd meegesleurd door de stroming en verdronk.
Morgan stierf een week later in het ziekenhuis aan longontsteking.
Twee weken later werd ik wakker en zag ik dat mijn familie er niet meer was.
Percy en zijn vader, oom Jonah, waren alles wat ik nog heb.
Eén auto-ongeluk was erger dan als Armageddon voor mijn deur had gestaan.
Het was gewoon... mijn wereld die eindigde.
Maar het leven ging door.
De mensen om je heen gingen weer door met lachen en glimlachen, plannen maken voor de toekomst en gelukkig zijn, maar ik niet.
Ik had sindsdien niet meer geglimgelacht of gelachen.
In de door de rechtbank toegewezen therapiesessies die ik moest volgen, werkten we daaraan.
Maar hoe kon ik lachen als Morgans lach zo aanstekelijk was en nu voor altijd verdwenen was?
Hoe kon ik lachen als mama's glimlach elke kamer deed oplichten en me altijd een warm gevoel had gegeven?
Wat viel er te lachen zonder papa's belachelijk melige grappen die me deden kreunen en met mijn ogen rollen en die ik nu meer miste dan wat dan ook ter wereld?
“Het spijt me dat je een rotdag hebt gehad, zou pizza het beter maken?” Percy tikte de code in bij de voordeur, zodat hij zich ontgrendelde en openging.
De scherpe, koele lucht van de airconditioning raakte ons alsof een ijskoude sneeuwpop een kus onze kant op blies.
Oom Jonahs huis was leuk, nu het ook van mij was, zoals ze me steeds bleven zeggen.
Kleiner dan het huis van mijn familie, maar omdat eerst alleen Percy en mijn oom er woonden, hadden ze niet veel nodig.
Een eenvoudig huis van twee hoog met witte bakstenen en een zwembad aan de achterkant en een mooie veranda aan de voorkant, waarop mijn oom een schommel voor me had laten zetten.
Het stond in een leuke buurt, niet zo’n saaie cul-de-sac of zo’n fancy omheinde gemeenschap.
Ons huis was het enige aan het eind van het doodlopende weggetje, maar meer aan het begin stonden er hier en daar een huis; we konden ze zien vanaf de veranda.
“Pizza maakt alles beter.” Ik rolde met mijn ogen en ging naar boven.
Ik gooide mijn tas neer en ontdeed me van de kleren van de vreemdeling en trok mijn pyjama aan.
Toen ik een beha en een onderbroek aantrok, voelde ik me weer mens.
Mijn zwarte Odyssey-T-shirt hing losjes van mijn borst af en verborg mijn figuur.
Mijn eenvoudige zwarte boxershort rijkte ver genoeg langs mijn dijbenen naar beneden om de zelfbeschadigingslittekens te bedekken die daar bovenaan zaten.
Ik gooide het shirt en de sportbroek van de vreemdeling in de wasmachine en deed er extra zeep bij, zodat ze lekker schoon zouden ruiken als ik ze terugbracht.
Ik gaf de blauwzwarte slippers een poetsbeurt en depte ze droog.
“Denk je dat ik een cadeaubon moet kopen voor een bepaalde winkel, of alleen voor, weet ik het, een benzinestation of zo? Dat moet een veiligere keus zijn, toch?”
Percy zette zijn spel op pauze en ging rechtop zitten op het grijze bankstel dat de woonkamer omlijstte.
De flatscreen hing aan de muur voor ons als een lichtbaken dat onze aandacht probeerde te trekken.
“Wiens kleren zijn het? Ik ken hem waarschijnlijk goed genoeg om je te helpen.”
Hij propte een Cheeto in zijn mond en hield de zak voor me uit terwijl ik naast hem neerplofte.
“Eh... fuck, ik denk dat ik het vergeten ben.” Ik kon niet meer op de naam komen, waardoor Percy lachte en zijn hoofd schudde.
Een leuk weetje over hoofdtrauma was dat geheugenverlies er een groot deel van uitmaakte.
Of het voor de korte of lange termijn was, en hoe erg, dat was altijd maar afwachten.
Bij mij viel het best mee. Het was niet zo dat ik Ten Second Tom van 50 First Dates was of zo.
Het was gewoon moeilijker voor me om kleine brokjes informatie te onthouden, terwijl ik vroeger een olifantengeheugen had.
Ik vergat nu gemakkelijk gesprekken, studeren was moeilijker, ik vergat dingen die ik nodig had als ik geen lijstje maakte en iemands naam leren was belachelijk moeilijk voor me.
En dat was nog niet alles. Ik had last van willekeurige vlagen van oncontroleerbare woede, nachtmerries en misselijkmakende migraine.
Met je hoofd tegen het autoraam knallen als je 120 kilometer per uur gaat, veroorzaakte wat problemen.
Wie had dat gedacht?
Ik was ook een tijdje onder water geweest, iets met het gebrek aan zuurstof had ervoor gezorgd dat sommige dingen in mijn hersenen naar de klote waren gegaan.
“Het komt wel weer in je op, maak je geen zorgen. Waar zat het kluisje vanaf de mijne?” Hij kauwde op een handvol chips.
Met mijn handen demonstreerde ik hoe de kamer was ingericht.
“Ik weet het niet. Als jouw kluisje hier is, dan denk ik dat zijn kluisje aan de zijkant zit en misschien de vierde in de rij is?” Ik pakte zelf een handvol chips en liet hem nadenken.
“Ik zeg doe een benzinekaart, het is waarschijnlijk het kluisje van Noah, Patrick of Zack. Wacht nee, je zei dat er geen slot op zat?”
Zijn bruine ogen werden groter van bezorgdheid toen hij zich realiseerde wiens kluisje het moest zijn.
Knikkend met zijn hoofd gooide hij zijn controller neer en hij stond op.
“Was het D. Henley?” Zijn stem smeekte me om te zeggen van niet, maar de naam klonk juist en ik was er vrij zeker van dat dat ’m moest zijn.
“Ik weet het niet, misschien? Misschien niet.” Ik trok een wenkbrauw naar hem op, om te vragen waarom hij ineens zo bang keek.
Zijn gezicht verbleekte zichtbaar terwijl alle kleur eruit wegvloeide.
“Niemand heeft je gezien, toch?” Hij boog zich naar me toe tot hij op ooghoogte met me kwam.
“Natuurlijk niet, ik was gewikkeld in een douchegordijn.” Ik begreep niet waar hij zo bezorgd over was.
Hij bracht een hand naar zijn gezicht en haalde die zuchtend door zijn haar.
“Geef ze niet terug totdat ik weet van wie je ze hebt afgepakt en vertel niemand wat er is gebeurd. Zelfs papa niet, oké?”
Hij knikte, stond weer op en liep van de eetkamer naar het midden van de woonkamer.
“Heb ik soms ingebroken in het kluisje van het kind van de burgemeester of zo?” Mijn nieuwsgierigheid sloeg toe.
Percy stopte en grinnikte droogjes.
“Meer het kind van de duivel. Damon Henley is de zoon van Lucien Henley, de bendeleider van de motorclan waar papa altijd ruzie mee heeft.
“Als hij een van hen laat arresteren, gebeurt er altijd iets, of de zaak wordt verworpen, of er verdwijnt bewijsmateriaal, of er verdwijnen getuigen - ze komen er altijd onderuit.”
Hij schudde zijn hoofd. Voordat ik nog iets kon vragen, stapte oom Jonah door de deur met drie XL-pizzadozen en een vermoeide glimlach om zijn lippen.
“Hé jongens, hoe gaat het met mijn kanjers?”
Zijn stem was luchtig, maar ik hoorde de vermoeidheid en stress erdoorheen.
Net als mijn eigen vader deed oom Jonah zijn best om zijn volwassenmensenproblemen voor zijn kinderen te verbergen.
Ik voelde me nog slechter.
Nu moesten we de schade zien te beperken voordat ik een motorbende kwaad zou maken.
Geweldig.
Precies wat we nodig hebben.









































