
De achtervolging van de omega Boek 4
Auteur
Lezers
35,9K
Hoofdstukken
34
Hoofdstuk 1
Boek 4: De Waarheid Achterna
MAX
„Wacht even!“
Ze stopte, draaide zich langzaam naar me om en er verscheen een geduldige glimlach op haar lippen terwijl ze wachtte tot ik iets zou zeggen.
„Heb je een lift nodig?“ vroeg ik, terwijl mijn stem een beetje trilde.
Ben je gek geworden?
Ik wist dat ik me misschien op glad ijs begaf, maar ik moest één ding zeker weten: was zij het meisje dat ik had aangevallen? Alleen zij kon die vraag beantwoorden.
Ze wachtte even voordat ze antwoord gaf en bracht haar hand langzaam naar haar oor. „Het spijt me, dat heb ik niet gehoord.“
Heeft ze me niet gehoord?
Ik fronste. Vanaf deze afstand had ze me makkelijk moeten horen, aangezien wolven een heel goed gehoor hebben. Dit maakte me alleen maar onzekerder: was dit meisje echt Anna King, of verbeeldde ik het me maar?
Maar zij kon het niet zijn, toch? Er was een jaar verstreken sinds ik die wolf had aangevallen, en ik wist heel zeker dat ik het meisje dat nu op een paar stappen van me vandaan stond, had gedood. Was ze een geest?
Kom op, Max. Denk na.
Ik liep naar haar toe en bleef een paar stappen voor haar staan.
Ze lijkt als twee druppels water op haar broer.
Ik schraapte mijn keel en probeerde het nog een keer. „Ik vroeg of je een lift naar de stad nodig had.“
Wat ben je in vredesnaam aan het doen!?
Op dit moment leek het alsof mijn mond bewoog zonder dat mijn hersenen meededen. Ik had gewoon op mijn motor moeten stappen toen ik de kans kreeg en zo ver weg mogelijk van deze stad moeten rijden. Dat was het plan: Small Town achterlaten en nooit meer omkijken. Er was hier niets meer voor mij. Nu niet meer.
De enige persoon die me hier hield was Alice, en misschien stond ik hier nog wel vanwege haar. Een heel klein stukje in mij hoopte nog steeds dat ze voor mij zou kiezen, maar nadat ik de afgelopen week elke dag op haar had gewacht bij de diner, was ik tot het harde besef gekomen dat ik geen hoop meer had.
„Een lift?“ Ze dacht een paar tellen na over mijn vraag en glimlachte toen zacht. „Dat is heel lief aangeboden, maar ik loop liever.“
Maakte ze een grapje?
Ik bekeek haar outfit: een roze jurk die net boven haar knieën viel en witte sandalen. Daarna keek ik om ons heen en zag de eerste regendruppels die uit de lucht begonnen te vallen en de windvlagen die af en toe in onze richting waaiden.
„Je wilt liever een kwartier in deze kou lopen dan dat je bij mij achterop stapt?“ Ik wees naar de stad.
Ze rilde en sloeg haar armen strakker om haar lichaam. „Het is inderdaad best koud.“
Dat bedoel ik.
Ik keek omhoog naar de grijze lucht, die even daarvoor nog strakblauw was, en zuchtte. „Luister, met mij ben je in nog geen vijf minuten in de stad, en het bespaart je waarschijnlijk een wandeling in de regen.“
Ze keek weer richting de stad. Toen keek ze omhoog naar de lucht en trok een vies gezicht.
Ik keek haar geamuseerd aan. „Wil je nog steeds lopen?“
Ze dacht even na en haalde toen lichtjes haar schouders op. „Je hebt me overtuigd.“
Ik stapte dichter naar haar toe totdat ik vlak naast haar stond. „Ik wil je alleen maar helpen, meer niet. En voordat je het je afvraagt, ik ben geen engerd.“
Ze leek verrast door mijn woorden, schudde toen haar hoofd en streek een losse pluk haar achter haar oor. „Waarom zou je dat denken? Ik vind je helemaal geen... engerd.“
Ik keek haar twijfelend aan. „Niet?“
„Nee, ik oordeel niet zomaar over mensen. En ik vond het juist heel galant van je dat je me een lift aanbood.“
„Echt waar?“ vroeg ik.
Ze knikte instemmend.
„Nou, ga dan maar voor.“ Ik maakte een handgebaar zodat ze voor me uit kon lopen, en toen ze naar mijn Harley liep, draaide ze haar hoofd om en vroeg: „Dus, ga jij zelf ook naar de stad?“
Ging ik naar de stad? Ik stopte mijn handen diep in de zakken van mijn leren jas en staarde naar de grond. „Ik weet het eigenlijk niet meer.“
Ze bleef naast me stilstaan, waardoor ik haar even aankeek. „Je weet niet waar je heen gaat? Waarom ben je hier dan, als ik dat mag vragen?“
Ik streek gefrustreerd met een hand door mijn haar, terwijl mijn blik bij de diner bleef hangen. „Dat is een lang verhaal.“
Ze lachte zachtjes terwijl ze weer begon te lopen. „Dat herken ik wel. Ik weet alles van lange verhalen. Ze zijn vervelend, hè?“
Die opmerking liet me stilstaan. Bedoelde ze soms wat ik dacht dat ze bedoelde? Ze kon het toch onmogelijk hebben over wat er een jaar geleden was gebeurd, of wel? Als dat wel zo was, dan wist ze wie ik was en wat ik haar had aangedaan.
Ik nam haar aandachtig op. Wist ze echt niet wie ik was?
Al snel stonden we naast mijn grote trots: een zwarte Harley Davidson die ik voor mijn achttiende verjaardag had gekregen. Ik zal die dag, waarop ik thuiskwam uit school en Mark in zijn oude pick-up op me zag wachten, nooit meer vergeten. Hij had me urenlang rondgereden naar een zaak met tweedehands motoren waar ze van alles verkochten, maar er was één motor in het bijzonder waar ik mijn oog op had laten vallen: een Harley Davidson.
Ik moet vast uren door die winkel hebben rondgekeken, maar kon niet vinden wat ik zocht, en net toen ik dacht dat ik met lege handen naar huis zou gaan, viel Marks oog op een roestige motor onder een grote zwarte quad. Met Marks hulp schoven we de quad opzij, en toen zag ik het embleem van een Harley Davidson. Voor een ander leek het misschien een hoop roest, maar voor mij stond het voor vrijheid en ontsnapping.
Mark had de motor gekocht en achter in de laadbak gezet. Zodra we thuiskwamen, ging ik direct aan de slag. Ik heb dagen, misschien zelfs maanden eraan gewerkt om hem er weer als nieuw uit te laten zien, en het was elke minuut waard.
Het meisje streek zachtjes met haar hand over de motor. „Is deze van jou?“
Ik bekeek mijn motor met een blik vol trots. „Reken maar.“
Ze grinnikte zenuwachtig. „Ik zal eerlijk tegen je zijn. Ik heb nog nooit achterop een motor gezeten.“
Ik keek naar haar en zag dat ze zenuwachtig op haar onderlip beet. Ik lachte, reikte naar achteren en pakte mijn helm. „Geen paniek, je bent in veilige handen.“
Ze schonk me een verlegen glimlach en keek naar de grond terwijl ik haar de helm overhandigde. „Ik ben Max, trouwens.“
Ze pakte de helm aan en keek weer op, waarbij haar felgroene ogen de mijne ontmoetten. „Leuk je te ontmoeten, Max. Ik ben Anna. Anna King.“













































