
De hybrideserie
Auteur
Bryony Foxx
Lezers
2,8M
Hoofdstukken
77
Hoofdstuk 1.
OLIVE
Buitenbeentje.
Dat ben ik.
Het valt me zwaar om vrienden te maken omdat ik me niet goed in mijn vel voel. Al jaren zijn mensen niet aardig tegen me.
Ik wou dat maar een handjevol mensen een hekel aan me had, maar helaas is dat niet zo. Mijn moeder en ik verhuizen vaak, meestal een keer of twee per jaar.
Zo ziet ons leven eruit sinds ik dertien werd en mijn wolf zich liet zien. Als er problemen zijn, brengt mijn moeder me naar een nieuwe plek.
Het is vervelend, maar ik weet dat ze haar best doet om me te beschermen.
Ik probeer rustig te blijven. Ik zoek geen problemen, maar ze vinden mij altijd. Vroeger was dat anders. Toen was ik populair en had ik veel vrienden.
Maar toen mijn wolf kwam, veranderde mijn geur, zoals bij alle wolven gebeurt. Vanaf dat moment begonnen mensen lelijk tegen me te doen.
De gemene meiden in de roedel zeggen dat ik „raar ruik“. Ik weet niet waarom - maar het klopt wel. Mijn geur is gewoon... anders.
Ik ruik niet vies. Ik heb geen nare lichaamsgeur en ik stink niet als een bunzing. Ik ruik gewoon anders dan andere wolven; dit lijkt de reden te zijn waarom mensen gemeen tegen me doen.
Bij elke roedel waar we naartoe verhuizen, is het hetzelfde liedje. Ze ruiken me, zeggen dat ik raar ruik, en geven me dan bijnamen.
Ze laten me niet meedoen met activiteiten, en dan pesten ze me. Wat oké is... Nou ja, niet echt, maar het kan me niet meer schelen om vrienden te maken.
Uiteindelijk keerden mijn vrienden in mijn eerste roedel zich zo snel tegen me, waarom zou ik überhaupt zulke vrienden willen?!
De jongens lijken mijn geur wel te mogen. Ik denk niet dat ik lelijk ben, maar ik zou ook niet zeggen dat ik een schoonheid ben.
Ik heb lang donkerbruin haar met roodgouden plukken die glinsteren in de zon, donkerbruine ogen, wat sproeten op mijn neus en volle lippen.
Het feit dat jongens me aardig vinden, maakt het alleen maar lastiger om alleen te zijn.
Ze proberen meestal naast me te zitten of mijn vriend te worden, maar dit maakt de gemene wolvenmeisjes alleen maar jaloerser en gemener.
Ik snap niet waarom ze proberen naast me te zitten.
Misschien is het gewoon roedelgedrag, proberen om iedereen bij elkaar te houden, of misschien denken ze dat ik hulp nodig heb.
Ze weten niet dat als ze proberen met me te praten, het me alleen maar in de problemen brengt.
De eerste keer dat we verhuisden, besloot Kelsey Richards - mijn oude beste vriendin - nog gemener te zijn.
Ze was boos omdat Sam - de jongen op wie ze een oogje had - mij had gevraagd om uit te gaan... Alsof ik daar iets aan kon doen.
Ik zat onder mijn lievelingsboom, las een boek en bemoeide me met mijn eigen zaken. Sam kwam bij me zitten en probeerde een praatje te maken.
Ik gaf hem korte antwoorden en bleef naar mijn boek kijken, in de hoop dat hij zich zou vervelen en weg zou gaan. Dat deed hij niet.
Hij vroeg me of ik een keer iets wilde eten. Het was best aardig, maar ik wilde mijn leven niet nog ingewikkelder maken dan het al was.
Ik zei nee. Hij was een aardige jongen, maar niet mijn type, en ik wilde niet dat mensen me nog meer zouden opmerken. Minder aandacht, minder gedoe.
Dat weerhield Kelsey er niet van om er toch boos over te worden. Kelsey kwam aangestormd, ze zag eruit alsof ze stoom uit haar oren blies.
Plotseling schreeuwde ze: „HOE DURF JE, JIJ KLEINE SLET! Sam is van ~mij en jij probeert hem van me af te pakken!“
Ik rolde met mijn ogen. Ik had geen zin in haar drama.
Ik probeerde het uit te leggen. „Kelsey, hij vroeg me of ik wat wilde eten. Ik zei nee. Ik wil Sam niet. Hij is helemaal van ~jou.“
Natuurlijk luisterde ze niet naar me, want het volgende moment sprong ze op me af, gillend als een viswijf. Ze greep mijn haar en probeerde me op de grond te trekken!
Ze had me nog nooit aangeraakt. Ik was compleet van slag. Ik voelde hoe de woede in me begon te borrelen, klaar om over te koken.
Hoe durft ze? bleef door mijn hoofd spoken.
Je zult er spijt van krijgen, trut! schreeuwde ik in gedachten.
Ik maakte me los en stond op, woedend kijkend naar Kelsey, hijgend van woede.
Een tintelend gevoel begon op mijn rug, alsof het door mijn huid heen zou breken.
Het voelde vreemd, maar ik dacht dat het mijn wolf was. De lucht werd donker en dreigend, met zwarte wolken die ik nog nooit eerder had gezien die de hemel bedekten.
Kelsey werd lijkbleek en deinsde terug, vallend op haar kont. Het enige wat ze kon uitbrengen terwijl ze naar me wees was: „J-j-je o-ogen!“
Er was een groep mensen samengedromd vanwege het kabaal, en iedereen staarde me aan. Ze keken met grote ogen, en een voor een schreeuwden ze: „FREAK!“
Ik was in één klap niet meer boos. Ik rende naar de school, me een weg banend door de menigte.
Ik zag mezelf in de ramen van de school. Mijn ogen - ze waren felgroen, maar ze bewogen als vlammen.
Ik kon ook een zwak, groen licht zien dat mijn hele lichaam bedekte, zo flauw dat je het waarschijnlijk niet meteen zou opmerken.
Ik voelde me compleet in de war.
Wat gebeurt er met me? Ik voelde dat ik wel kon janken. Ik kneep mijn ogen stijf dicht, draaide me om en rende weg.
Leraren probeerden me tegen te houden, maar ik bleef doorrennen, naar beneden kijkend, doof voor hun verzoeken om te stoppen. Ik rende die dag helemaal naar huis, wat een flinke tippel was.
Ik stormde door de voordeur en vloog regelrecht in de armen van mijn moeder.
Mijn moeder is de belangrijkste persoon in mijn leven. We zijn dikke maatjes. Eigenlijk is zij mijn enige vriendin.
Ze was er altijd voor me als ik werd gepest. Toen ik zes was, maakten kinderen grapjes over mijn sproeten en zeiden dat ik vuil op mijn gezicht had.
Maar mijn moeder vertelde me dat het kusjes van engelen waren. Dus de volgende dag liep ik trots naar binnen en zei dat ik speciaal was omdat ik zoveel „kusjes van engelen“ had.
Het werkte als een tierelier. Iedereen wilde vrienden zijn met het speciale meisje. Zelfs nu doet ze haar stinkende best om me te helpen met mijn problemen, hoewel die tegenwoordig wat serieuzer zijn...
Maar ze is een kei in het afleiden van mijn gedachten.
Ze lijkt veel op mij. We hebben allebei bruin haar en bruine ogen. Het enige verschil zijn de kleine lachrimpeltjes rond haar ogen.
Zodra ze me liet zitten, voelde ik me al beter.
Ik vertelde haar huilend alles wat er was gebeurd. Ze hield mijn gezicht in haar handen en tilde het op tot we elkaar aankeken. De tranen biggelden over mijn wangen.
Ze keek me aan met zoveel liefde en begrip. Ze veegde mijn tranen weg met haar duim. Ze kuste mijn voorhoofd en vertelde me hoeveel ze van me houdt en hoe bijzonder ik ben.
Ze beloofde me dat ze dit zou oplossen.
Ik wist toen nog niet dat mijn moeders manier om dingen op te lossen was om die nacht te vertrekken en naar een andere roedel te verhuizen. Zo gaat het sindsdien. Elke keer als het pesten de spuigaten uitloopt, pakken we onze boeltje en vertrekken we.
Ik denk dat mijn moeder zich zorgen maakt dat mijn gevoelens uit de hand lopen, of misschien is ze gewoon bang dat ik echt een soort vreemd wezen ben.
Ze vertelt me dat mijn vader erg machtig was. Hij vertrok toen ik één was. Mijn moeder is sindsdien erg verdrietig, maar ze verbergt het goed.
Ik probeer niet over hem te praten omdat het haar pijn doet om te denken aan de partner die haar in de steek liet. Ik kan de pijn in haar ogen zien als ze in de buurt is van andere koppels die partners zijn.
Als ze naar hen kijkt, ziet ze wat ze ooit had, maar nu niet meer heeft.
Blijkbaar heb ik een sterke wolf. Mijn moeder is de dochter van een machtige bèta.
Ik weet al dat mijn wolf anders is. Niet alleen vanwege haar ogen, maar omdat ik sneller en sterker ben dan normale wolven - misschien zelfs sneller dan alfa's, misschien zelfs sterker.
Wie weet, ik heb er nog nooit een bevochten! Ik verberg dit goed. Ik maak mezelf expres langzamer en gebruik niet al mijn kracht.
Geen reden om mensen me nog meer te laten opmerken.
Ik kwam er ook al vroeg achter dat het alfa-bevel niet op mij werkt. Ik doe gewoon alsof het wel zo is en doe alsof ik me aan hen onderwerp, ook al ergert het mijn wolf mateloos.
Ik wil geen extra aandacht vestigen op hoe anders ik ben.
Als mijn ogen van kleur veranderen, komt dat omdat mijn wolf naar buiten komt.
Ik hoor je denken: „Zijn wolvenogen meestal felgroen en bewegen ze als vlammen?“
Nee, dat zijn ze niet.
Om deze reden verander ik niet in een wolf in de buurt van iemand anders dan mijn moeder.
Haar ogen hebben de neiging mensen de stuipen op het lijf te jagen, aangezien de meeste wolven bruine, hazelnootkleurige of blauwe ogen hebben. De krachtigere wolven zoals alfa's hebben zilveren ogen, en koningen hebben gouden ogen als ze wolven zijn.
Mijn wolf heet Raven. Ze is vurig op manieren die ik nooit zou kunnen zijn.
Ze is een grote wolf - helemaal zwart - wat er mooi uitziet met haar felle, vreemde ogen. Haar vacht is zo donker en glanzend dat het bijna schittert in het maanlicht.
Ze is prachtig, denk ik, ook al maken haar ogen anderen bang.
Ik doe mijn uiterste best om mijn emoties onder controle te houden omdat ik niet wil dat mensen de ogen van mijn wolf zien. Ik ben al vreemd genoeg vanwege mijn geur. Ik heb geen nieuw Kelsey Richards-probleem nodig.
Dus ja, dat ben ik... De vreemde eend in de bijt.
Sinds die dag zes jaar geleden zijn we vaak verhuisd. Ik ben nu negentien en mijn moeder en ik gaan nu naar onze nieuwste roedel: De Dark Wood Roedel.
We rijden al zes uur. De zon wordt warmer en het bos wordt dichter. Dit laat Raven bijna spinnen van geluk.
Ze kan niet wachten om haar klauwen in de aarde te graven en rond te rennen.
Denk je dat er knappe wolven zullen zijn waar we eindelijk onze tanden in kunnen zetten? zucht Raven verlangend.
Hou op met kwijlen. Ik heb geen interesse in het ontmoeten van wie dan ook, knap of niet.
Raven snuift. Dat zeg je nu, maar als we HEM ontmoeten, word je al nat als je alleen maar in zijn buurt bent.
Ik trek een vies gezicht. Ugh! Serieus, Raven, hou je in!
Mmm, je zult er anders over denken zodra je de tong van onze partner voelt die omhoog gaat naar onze-
RAVEN! Ik beweeg ongemakkelijk, wat mijn moeder achterdochtig naar me doet kijken.
„Gaat het wel, schat?“
Ik bloos. „Ja, i-ik ben... gewoon erg zenuwachtig over deze hele nieuwe roedel.“
Mooi gedaan, Olive. Ze zal echt niet denken dat je liegt over je geile wolf met dat geweldige excuus. Niet alsof je al gewend bent aan het verhuizen naar nieuwe roedels.
Mam kijkt me wantrouwend aan.
„Nou, je hebt niets om je zorgen over te maken. Ik heb een goed gevoel over deze!“
Ik rol met mijn ogen en kijk uit het raam.
Tuurlijk, mam... Dat zei je ook over de laatste tien roedels.
We zitten de volgende tien minuten stil.
„Ik weet wat je zal opvrolijken,“ zegt mam plotseling terwijl ze in haar handschoenenkastje kijkt. Ze haalt er een cd uit.
Ik grijns. Oh, daar gaan we.
Ze drukt op play en Hey Jude van de Beatles begint. Ik lach, en al snel lachen en schreeuwen we de „NA NA NA NANANANAAAA“ delen recht naar elkaar.
Ze had gelijk. Ik voel me beter.
Na nog een half uur begint mam opgewonden te worden en stuitert ze op haar stoel, tikkend op het stuur met haar hand.
„Eek! Kijk! We zijn er!“ zegt ze blij.
Ik ga rechtop in mijn stoel zitten, met grote ogen van verwondering, alles in me opnemend. Het is een grote stad verborgen in het bos.
We rijden over een zandweg omringd door bomen. Mam stopt waar twee mannelijke wolven staan te waken en rolt haar raam naar beneden.
De wolven komen naar de auto. „Naam en reden van bezoek,“ vraagt de kortere, blonde wolf.
„Ik ben Sasha Dubois, en dit is mijn dochter, Olive Dubois. We zijn nieuwe overplaatsingen.“
„ID en papieren, alstublieft,“ zegt de grootste van de twee mannen.
Oh mijn godin. Hij is een lekker ding. Raven kwijlt.
Ugh! Raven, jij vindt alles met een lul aantrekkelijk.
Waarom laat je me geen lol hebben?
Ik krimp inwendig ineen, mijn wangen worden rood.
Je bent nooit tevreden!
Mam geeft hen onze ID en acceptatiepapieren.
De Dark Wood Roedel is een gemeenschap van weerwolven. Ze hebben geen hekel aan mensen. Er wonen zelfs mensen bij hen, maar alleen omdat ze gekoppeld zijn aan weerwolven.
De roedelleider, Alfa Max, denkt dat het beter is voor wolven om op te groeien in hun eigen gemeenschap, waar ze niet hoeven te verbergen wie ze echt zijn.
Mam rijdt langs de wachters en een zandweg op die naar een stad met stenen straten leidt. De plaats ziet er charmant en ouderwets uit. De huizen zijn van steen en hebben witte hekken eromheen.
De tuinen hebben veel bloemen en netjes geknipte struiken. De stad is zo mooi dat hij prijzen zou kunnen winnen.
Mam slaat speels op mijn been. „Dit wordt een nieuwe start voor ons, Livi!“
Ik glimlach terug, maar ik weet niet zeker of ik het geloof.











































