
De Lycans Verloren Partner Boek 3
Auteur
A. K. Glandt
Lezers
510K
Hoofdstukken
26
Verbonden aan wanhoop
Boek Drie: Wachten in de Duisternis
TERRIN
Ik was een vreselijk persoon.
Ja, ja, ik wist het.
Ik wist dat ik een onverbeterlijke klootzak was tegen mijn mate, ook al was hij niets dan aardig voor me geweest. Nou ja, totdat hij uiteindelijk knapte.
Het was mijn schuld dat het zover was gekomen. Ik had mezelf in deze situatie gebracht.
Maar dat betekende niet dat ik er blij mee hoefde te zijn!
Met een kreet van woede rammelde ik aan de stoel waaraan ik stevig was vastgebonden. Hij wankelde op zijn poten terwijl ik op en neer stuiterde en mijn frustratie uitschreeuwde.
Mijn verdomde polsen verloren hun bloedsomloop en werden gevoelloos achter mijn rug. Mijn stomme enkels waren ook vakkundig aan de stoelpoten gebonden, waardoor ik me niet kon bewegen.
Waarom was ik aan een stoel vastgebonden, vraag je je af?
Nou, het bord met groenten voor me en de stomme lycan tegenover me waren de reden! Hij zat daar met een strakke, kille blik op zijn gezicht.
Ik bedoel, kom op! Hij noemde mij kinderachtig?
Hij was degene die me verdomme aan een stoel had vastgebonden, alleen omdat ik geen broccoli wilde eten! Ik was een volwassene. Ik hoefde geen broccoli te eten als ik dat niet wilde! Bovendien wist hij dat ik dat spul haatte, en hij had het expres gemaakt!
Toen ik klaar was met mijn driftbui, ademde ik zwaar. Ik keek hem woedend aan.
Het enige wat hij deed, was achterover leunen in zijn stoel met zijn armen over elkaar. „Ik wacht nog steeds op die verontschuldiging,“ zei hij langzaam.
„Je kunt je verontschuldiging pakken en in je—“ Ik werd onderbroken toen iets zachtjes tegen mijn voorhoofd sloeg.
Ik keek naar beneden en zag een zacht stuk broccoli op het tafelkleed liggen. Het was op het oppervlak uit elkaar gespat nadat het mijn gezicht had geraakt.
Ik knipperde ernaar en keek toen boos op naar mijn mate. Hij had het naar me gegooid.
„Je gooide net broccoli naar me!“
„Je weet hoe ik over vloeken denk,“ antwoordde hij.
„Oh, in vredesnaam—!“ Ik beet op mijn tong en rammelde weer aan de stoel. Daarbij stootte ik mijn knie tegen de onderkant van de tafel.
„Wat ben je, mijn moeder?“ sneerde ik, terwijl ik boos naar de nu kleffe groenten op mijn bord keek. „Je bent een volwassen lycan-krijger. Heb je niets beters te doen dan me te dwingen om die walgelijke groene kots te eten?“
„Mijn mate is het allerbelangrijkste voor me, en jouw gezondheid is momenteel mijn grootste zorg. Aangezien je het concept van een gezond dieet niet lijkt te begrijpen, heb ik er geen enkel probleem mee om het je te leren.“
„In de naam van Lune,“ mopperde ik binnensmonds. Daarna keek ik de lycan in de ogen en benadrukte ik elk woord. „Ik. Ben. Niet. Jouw. Mate.“
Ik wachtte tot hij ineen zou krimpen zoals vroeger. Ik dacht dat hij zou afdruipen als een puppy met zijn staart tussen zijn benen, maar daar was hij de laatste tijd mee gestopt.
Hij keek me alleen maar aan met een angstaanjagende kalmte. De enige hint van zijn frustratie was het lichte aanspannen van zijn kaak.
Hij leunde naar voren. De voorste twee poten van zijn stoel raakten de vloer met een doffe klap.
Mijn ogen volgden al zijn bewegingen toen hij zich van de tafel afduwde. Hij tikte met een vinger op het houten oppervlak terwijl hij zich omdraaide om te vertrekken. „Je verlaat de tafel pas als je je eten op hebt.“
Toen liep hij weg.
Hij liep gewoon de keuken uit. Hij liet me vastgebonden aan een stoel achter, met een bord koude, natte broccoli voor mijn neus.
„Hé!“ riep ik hem na. „Hé, kom terug!“
Mijn stoel stuiterde op en neer door mijn bewegingen, en het geluid echode door de kamer. „Hoe moet ik ze opeten als ik mijn handen niet kan bewegen?“
Het enige antwoord dat ik kreeg, was dat het licht uitging.
Geweldig.
Nu was ik alleen, vastgebonden aan een stoel, in het donker.
Cleo dacht dat zij het zwaar had? Nou, haar mate liet haar tenminste eten wat ze wilde.
Ik kon niets anders doen dan naar de klok staren terwijl de minuten verstreken.
Tien minuten, twintig minuten, veertig minuten, een uur, twee uur, vijf uur.
Eindelijk brak ik. „Argh! Het spijt me, oké? Jij wint! Ik bied mijn excuses aan, goed?“ Ik wachtte en luisterde of ik zijn voetstappen hoorde. Maar ik hoorde niets.
„Kom op, Syn!“ riep ik. „Ik heb mijn excuses aangeboden. Maak me nu los!“ Nog steeds kreeg ik geen reactie. „Negeer je me nu?“ schreeuwde ik de lege kamer in. „Kijk, het spijt me als ik je gekwetst heb. Kun je me nu gewoon losmaken?“
Een doodse stilte was mijn enige antwoord.
Met een kreun liet ik mijn hoofd naar achteren vallen en staarde ik naar het plafond. De hele nacht keek ik de lege en donkere kamer in. Het was rond zes uur in de ochtend toen ik eindelijk beweging hoorde.
De lichten flikkerden aan.
Een paar minuten lang hoorde ik schuifelende geluiden achter me. Kastjes gingen open en dicht, het fornuis ging aan en ik hoorde eten sissen in een pan. Daarna vulde de heerlijke geur van spek en gebakken aardappeltjes mijn neus.
Syn liep om me heen en ging op de stoel aan de andere kant van de tafel zitten. Hij had een kop stomende koffie en een bord vol ontbijt in zijn handen.
Hij at zonder me ook maar één blik te gunnen. Ik zat te watertanden terwijl hij zijn eten op een tergend langzaam tempo op at.
Een zenuwslopend halfuur ging voorbij voordat hij klaar was. Voor mij voelde het als jaren.
Daarna stond hij op en wilde hij weglopen alsof ik er niet eens was. En ik zat nog steeds vastgebonden aan een verdomde stoel.
„Wacht.“ Mijn stem klonk schor. Hij pauzeerde, maar draaide zich niet om om naar me te kijken.
Ik schraapte mijn keel, in verlegenheid gebracht door hoe droog mijn stem klonk. „Kun je me nu losmaken?“ vroeg ik. „Alsjeblieft?“ voegde ik er snel aan toe.
Langzaam, heel langzaam, zette hij zijn bord terug op tafel. Hij draaide zich naar me toe met een berekenende blik. „Alleen als je belooft de broccoli op te eten.“
Ik deinsde achteruit en mijn gezichtsuitdrukking veranderde in pure afschuw. „Wat?“ eiste ik ontzet. „Dat eet ik niet! Geen denken aan!“
Zijn ogen werden hard en hij spande zijn kaak aan. „Prima.“ Met een boze blik op zijn gezicht pakte hij zijn bord op en liep hij weg.
„Syn!“ krijste ik woedend. Ik kronkelde in de stoel en maakte zoveel mogelijk lawaai als ik kon. Door mijn wilde bewegingen viel de stoel om. Ik landde hard op mijn schouder en voelde hem uit de kom schieten.
Tranen van frustratie prikten achter mijn ogen.
Ik was zo overstuur door alles, en het werd me plotseling allemaal te veel.
Syn stond in een flits naast me. Hij sneed de touwen door en trok me half op zijn schoot terwijl hij mijn schouder bekeek. Die was overduidelijk uit de kom. Hete tranen brandden zoute sporen over mijn wangen.
Ondanks hoe vreselijk ik hem behandelde, was Syn duidelijk bezorgd. Hij fluisterde zachte, troostende woorden terwijl hij de stof van mijn shirt met een klauw probeerde door te snijden.
Ik duwde hem weg, waardoor ik mezelf alleen maar meer pijn deed.
„Ga weg,“ probeerde ik naar hem te sissen. Mijn stem was echter verstikt door de tranen en klonk meer als een gesmoorde snik.
„Terrin, laat me je helpen. Laat me nou voor één keer—“
„Ik heb je niet nodig!“ schreeuwde ik naar hem. Ik was er helemaal klaar mee dat hij zich constant in mijn leven probeerde te dringen. Waarom begreep hij het niet? Ik wilde hem niet!
Ik was mijn hele leven vernederd en was er pas aan ontsnapt toen Cleo in mijn leven kwam. Maar nu was ze weg, te druk met haar stomme lycan-roedel om zich nog om mij te bekommeren. Nu was ik gewoon weer een lachertje.
Iedereen zag me slechts als de kinderachtige mate van een arme lycan. In hun ogen was ik zwak en zielig. Ik werd constant door mijn mate gestraft en terechtgewezen. Ik was mijn mannelijkheid in hun ogen kwijtgeraakt, want naast mijn mate stelde ik niets voor.
Ik was gewoon een onhandig, brutaal opdondertje van een man. Ik had overduidelijk sturing en begeleiding nodig van mijn superieure lycan-mate.
En ik haatte het.
Ik wilde iets waard zijn. Ik wilde gerespecteerd worden, en niet beklaagd.
Maar zolang Syn zich constant met mijn leven bemoeide, zou ik dat nooit bereiken.
Het enige wat de lycans konden doen, was nemen, nemen en nog eens nemen.
Ze namen mijn thuis van me af. Ze namen Cleo van me af. Ze namen mijn nieuwe leven van me af.
Ze namen mijn kans op een normale mate en een normaal leven af. Ze namen mijn baan af. Ze ontnamen me mijn vrijheid, mijn eigenwaarde, mijn trots en mijn doel, en lieten me achter met niets.
„Maar ik heb jou nodig...“ Syns zachte en neerslachtige stem drong door mijn gedachten heen.
Mijn ogen schoten naar hem omhoog. Hij zat op de grond, een klein stukje bij me vandaan, op de plek waar ik hem naartoe had geduwd.
Het stenen masker van onverschilligheid dat ik de hele week had gezien, was nu verdwenen. De kwetsbaarheid die de lycan voelde, werd zichtbaar.
Zijn gekwelde grijze ogen konden de mijne niet vasthouden, en zijn blik dwaalde af naar de grond.
Ik voelde me een beetje schuldig, en ook een enorme klootzak. Ik was tenslotte zijn mate. In tegenstelling tot weerwolven, kregen lycans er maar één.
Het was heel normaal dat hij ervoor vocht om mij bij hem te houden. Maar ik moest hem laten inzien dat dit gewoon nooit ging gebeuren.
„Jammer dan,“ spuugde ik uit.
Ik wist dat ik hard was. Maar ik wist ook dat zodra ik hem vriendelijkheid toonde, hij hoop zou krijgen of me misschien verkeerd zou begrijpen. Daarom bleef ik zo onbeschoft tegen hem doen.
Misschien zou hij mijn houding eindelijk zat worden en me laten vallen.
„Jij bent mijn mate,“ zei hij voor de duizendste keer, alsof dat een verschil zou maken. Zijn ogen smeekten me om het te begrijpen, maar dat was het probleem niet.
Ik begreep heel goed waarom hij zo wanhopig was en wilde dat ik hem accepteerde. Ik kon zijn behoeften en zijn geluk alleen niet boven mijn eigen geluk plaatsen.
„Dat is jouw probleem,“ viel ik hem genadeloos aan. „Want wat mij betreft, ben jij niet van mij.“ Ik pakte mijn schouder vast en duwde hem terug in de kom. Daarna ging ik boven mijn mate staan, die op de grond bleef zitten.
„Ik weiger me aan wie dan ook te onderwerpen, mate of niet.“
„Ik heb nooit gevraagd of je je aan mij wilde onderwerpen!“ Het verdriet was in één klap verdwenen. Een vonk van woede lichtte op in zijn grijze ogen toen hij opsprong.
Wat een hoop onzin.
Hij zou zich echt nooit gaan onderwerpen, en daar wees ik hem op. „Nou, we kunnen niet allebei dominant zijn!“
„Waarom in godsnaam niet?“ snauwde Syn. „Cleo en Hakota zijn ook allebei dominant.“
Echt waar?
Wilde hij hen als voorbeeld gebruiken? Wilde hij echt dat ik inging op alle problemen waar zij mee te maken kregen door hun botsende trots en ego's? Bovendien hadden zij allebei een ander soort dominantie. „Dat is anders.“
„Hoezo?“ siste Syn door zijn tanden. Zijn handen balden zich tot vuisten langs zijn lichaam. „Omdat wij toevallig allebei man zijn?“
Ik gaf geen antwoord, omdat ik niet hatelijk wilde klinken.
Ik had niets tegen een mate-band tussen hetzelfde geslacht. Ik wist alleen dat ik zoiets zelf nooit zou kunnen.
Ik wilde een vrouwelijke mate, omdat ik me daartoe aangetrokken voelde. Ik voelde niets voor Syn, zelfs niet met de mate-band. Hij was als een vreemde voor mij, en dat wist hij.
„Dus je zegt dat als ik een vrouw was, de dingen anders zouden zijn.“
„Ja,“ antwoordde ik eerlijk, „dat is precies wat ik zeg.“
Begrijp me niet verkeerd. Het was niet zo dat ik mijn dominantie over een vrouw wilde laten gelden.
Ik bewonderde Cleo om hoe sterk ze was. Ik zou het niet erg vinden om een sterke vrouwelijke mate te hebben. Ik wilde niet boven mijn mate staan. Ik wilde er alleen niet onder staan.
„Je geeft me niet eens een kans, alleen maar omdat ik een man ben.“
Onder zijn woede kon ik zien hoe gebroken hij was. Maar ik kon hem geen enkele zachtheid tonen. Hij moest de bittere waarheid horen, hoe koud en hard die ook was.
„Geef het gewoon op, Syn. Ik wil je nu niet, en ik zal je nooit willen.“
Het vuur in zijn ogen doofde. Het werd opgeslokt door het stenen masker dat hij weer opzette. Een nieuwe, ijzingwekkende uitstraling omringde hem terwijl hij me strak aankeek.
Ik weigerde terug te deinzen of zelfs maar weg te kijken.
Toen liet hij een onmenselijke grom horen en hapte hij vlak voor mijn gezicht. Hierdoor strompelde ik een paar stappen achteruit.
Het zware gewicht van angst rustte op mijn schouders. Het perste de lucht uit mijn longen en versnelde mijn hartslag. Ik kon het gevaar dat hij uitstraalde, voelen.
Nog nooit in mijn leven had ik zoiets gevoeld, zelfs niet bij Hakota.
Mijn hoofd boog onder het gewicht van de dominantie die hij me oplegde. Met nog een grom liep Syn langs me heen. Hij beukte tegen mijn schouder aan toen hij wegstormde.
Ik staarde naar de vloer. Ik probeerde mijn wild kloppende hart te kalmeren terwijl ik weer op adem probeerde te komen.
Ik mocht niet breken.
Ik mocht het laatste beetje van mijn vrijheid niet verliezen.















































