
De Verloren Kroon Boek 1: De Academie van Oswalda
Auteur
Lezers
417K
Hoofdstukken
30
Hollis' Nachtmerrie
Ik dwong mijn ogen open. Modder en bloed vermengden zich onder mijn voeten en kleefden aan mijn leren laarzen. Mijn huid had niet langer de gebruikelijke, diepe honingkleur. In plaats daarvan was deze donkerrood gekleurd. De warme, kleverige substantie droop langs mijn lichaam, doorweekte mijn kleding en plakte mijn vingers zowat aan elkaar.
Mijn hart bonkte in mijn borst. Wat was er in vredesnaam aan de hand?
Bliksem verlichtte de lucht en de donder dreunde in mijn oren toen ik overeind probeerde te komen. Mijn hoofd bonkte zo hard dat ik het amper kon verdragen. Zwarte rook prikte in mijn ogen en vulde mijn longen.
Al hoestend hief ik mijn hoofd op om mijn omgeving in me op te nemen, maar mijn blik viel weer naar beneden. Een man en een vrouw lagen op nog geen anderhalve meter bij me vandaan. Het besef dat ik iets hards en kouds vasthield, ontnam me de adem. Had ik dit gedaan? Ik huiverde toen ik naar het zwaard keek. Het zat van het handvat tot aan de gevaarlijk scherpe punt onder het bloed.
Het dorp voor me werd verlicht door een miljoen vlammen. As regende uit de lucht. Rook stroomde uit elke deuropening en elk gebroken raam. „Zij is de schuldige,“ krijste iemand.
Toen ik me in de richting van het geluid omdraaide, rende een klein groepje mensen onder leiding van een oudere vrouw recht op me af.
„Wat? Nee,“ zei ik, terwijl ik hevig nee schudde. Toen liet ik het zwaard vallen en stak ik mijn handen in de lucht als teken van overgave. „Ik zweer dat ik dit niet heb gedaan. Ik weet niet eens hoe ik een zwaard moet gebruiken, laat staan hoe ik ermee moet doden.“
De dorpsbewoners luisterden niet en stormden evengoed met hun hooivorken naar voren.
„Leugens! Dit is allemaal jouw schuld,“ riep een andere vrouw met een hysterische blik in haar ogen.
„Hang haar op!“ schreeuwde een man.
Het bevel om me te doden ging van mond tot mond en galmde door het centrum van het dorp.
Mijn hart sprong haast uit mijn borstkas, maar dat kon me niet schelen. Ik moest mezelf zien te redden. Maar toen ik probeerde te rennen, wilden mijn voeten niet bewegen.
„Alsjeblieft, doe dit niet,“ smeekte ik, maar de dorpsbewoners vielen me desondanks aan.
Ze werkten me tegen de grond en sloegen touwen om mijn polsen. Voor ik het wist, waren mijn handen op mijn rug gebonden.
„Jullie hebben het mis! Ik ben onschuldig!“ schreeuwde ik en ik rukte aan mijn polsen. Maar hoe meer ik tegenstribbelde, hoe strakker de knopen werden.
Net toen ik besloot om me een weg naar de vrijheid te schoppen, bonden de dorpsbewoners mijn enkels aan elkaar. Daarbij sloegen ze me hard op mijn scheenbenen. Een nog dikker touw kronkelde zich om mijn nek.
„Alsjeblieft, ik heb niets gedaan,“ huilde ik, terwijl er hete tranen over mijn wangen gleden. Ik wilde niet sterven. Zeker niet omdat ik niemand pijn had gedaan.
„Jouw woorden betekenen niets. Dit is jouw schuld,“ scandeerde de menigte, terwijl iemand aan het touw om mijn nek trok en het uiteinde over de dichtstbijzijnde boomtak gooide.
„Wacht. Wacht, alsjeblieft!“
Dat waren de laatste woorden die ik kon uitbrengen voordat er iemand aan het touw trok, waardoor het nog dieper in mijn nek sneed. Mijn voeten kwamen van de grond. Ik schopte en schreeuwde, maar mijn lichaam werd verder omhoog getrokken. De laatste beetjes lucht in mijn longen veranderden in vuur.
Mijn lichaam schokte. Daarna werd alles zwart.
Dit was het. Ik ging sterven en er was niets wat ik daaraan kon doen.
Op dat moment voelde ik hoe er zachtjes vingers over mijn natte wang streken. Toen ik mijn oogleden open dwong, keek een paar grijze ogen me recht aan.
„Geef niet op, Hollis,“ riep een verre stem. „Ik geloof in je.“
„Hollis, het is tijd om wakker te worden.“
Dit keer klonk de stem luid en duidelijk.
„Alsjeblieft, doe me geen pijn!“
„Hollis?“
De combinatie van de mannenstem en mijn eigen geschreeuw maakte me eindelijk wakker. Ik bevond me niet langer in het vreemde dorp vol rook, bloed en boze vreemdelingen. In plaats daarvan was ik in de veiligheid van mijn kleine slaapkamer.
Mijn handen vlogen onmiddellijk naar mijn nek, maar het touw was er niet.
Natuurlijk niet, herinnerde ik mezelf. Het was een droom en je hebt niets verkeerds gedaan.
Mijn nachtjapon was doorweekt van het koude zweet. Er stroomden tranen over mijn wangen, totdat ik het zout ervan in mijn mond kon proeven.
„Alweer een nachtmerrie?“ vroeg mijn vader, terwijl hij het zweet van mijn voorhoofd veegde.
„Ja,“ bracht ik er met moeite uit.
Mijn moeder, Sarah, kwam binnen en ging aan het voeteneind van mijn bed staan. Haar ogen stonden vol bezorgdheid. Toen ze zag in welke staat ik verkeerde, veranderde haar bezorgdheid in pure droefheid.
„Maak je klaar, lieverd. Vandaag is de grote dag,“ zei ze. Toen liet ze haar hoofd hangen en liep ze langzaam mijn kamer uit. Waarschijnlijk dacht ze precies hetzelfde als ik: de volgende keer dat ik een nachtmerrie zou hebben, zou ze er niet zijn om me eruit te halen.
Ik had deze zelfde nachtmerrie nu al meer dan een jaar. Dezelfde beschuldigingen. Dezelfde angst. Dezelfde zwevende grijze ogen die me smeekten om te blijven vechten. Het veranderde nooit. Behalve dan het gedeelte waarin de dorpsbewoners me vermoordden. Soms werd ik wakker voordat er iets gebeurde. Andere keren stierf ik bungelend onder een gigantische eikenboom met een strop om mijn nek.
De droom leek zo echt, dat ik het gevoel had de mensen te kennen die me dood wilden hebben. Natuurlijk was dat slechts een verzinsel van mijn eigen geest. Maar wat me vandaag te wachten stond? Dat was de volle honderd procent echt.
Ik zette de nachtmerrie uit mijn hoofd en concentreerde me op de voorbereidingen voor de grote dag. Ik waste mijn gezicht en probeerde mijn zwarte lokken te temmen. Mijn haar was lang en krullend. Het was altijd een ramp om mee om te gaan, maar om de een of andere reden wilde ik het nooit knippen. Daarna trok ik mijn beste kleren aan en maakte ik mijn bed op.
Toen mijn vader er net achter was gekomen dat mijn moeder zwanger was, had hij zijn allerlaatste spaargeld bij elkaar geschraapt. Hij kocht bouwmaterialen en bouwde een kamer aan de achterkant van het huis. Hij had een nieuw bed getimmerd en zelfs een kledingkast voor mijn jurken gemaakt. Het was niet veel, maar het betekende alles voor me.
Ik waardeerde alles wat mijn ouders voor me hadden gedaan, maar soms voelde ik me een last. Veel families in het koninkrijk hadden het goed. Wij behoorden niet tot die families. Het leven in een dorpje zo klein als Madison betekende dat je hard moest werken om simpelweg te overleven. Als ik de kans had, zou ik er alles voor over hebben gehad om het leven van mijn ouders ook maar een klein beetje makkelijker te maken.
Vandaag is de grote dag. De woorden van mijn moeder weerklonken in mijn oren.
Elk jaar werden de jonge mannen en vrouwen van Berwick, die op of voor één oktober achttien werden, op de Oswalda Academie verwacht. Daar kwamen ze erachter of ze gaven hadden. Ons land werd grotendeels omringd door water. Er was echter een groot gedeelte in de woestijn dat grensde aan het vijandelijke gebied, Arachnid. De familie die daar regeerde was meedogenloos. Omdat Arachnid voortdurend dreigde om ons volk iets aan te doen, moest ons koninkrijk ingrijpen. Ze moesten alle jongeren verzamelen, degenen met magische krachten eruit pikken en hen trainen. Zo konden ze Berwick en zijn burgers beschermen.
De academie zou ons leren hoe we onze krachten konden ontwikkelen en beheersen. Maar de kans was groot dat je gaven zich nooit zouden ontwikkelen, zelfs niet als je mét krachten binnenkwam. Het kon ook zijn dat je het jaar begon met krachten die nauwelijks meetbaar waren, en tegen de tijd dat je afstudeerde extreem machtig was. Het kon dus echt alle kanten op.
Sommige mensen zagen het hebben van krachten als een straf. Vanaf het moment dat ze werden ontdekt, stond je lot namelijk vast.
Zo zag ik het niet. De mogelijkheid om onschuldigen te beschermen was een eer. Een eer die ik waarschijnlijk nooit zou ervaren. De mensen in mijn familie hadden namelijk absoluut geen gaven, en ik was daarop vast geen uitzondering. Hoe erg ik er ook van baalde, Oswalda was voor mij wél de kans om mezelf te ontdekken. Ik kon het leven buiten mijn dorp gaan ervaren. Ik klampte me vast aan de hoop dat ik op de een of andere manier nuttig kon zijn, voor mijn land kon vechten en mijn ouders trots kon maken.
Een meisje mag dromen.
Mensen die wilden helpen om de kroon te beschermen, konden zich altijd aansluiten bij het Riddersleger van de koningin. Als ik leerde hoe ik met een zwaard moest omgaan, zou dat mijn pad kunnen zijn. Er was echter ook nog een andere optie: je kon weigeren om te dienen.
Als ik geen aanleg toonde, zou ik sowieso naar huis worden gestuurd. Toch snapte ik nooit waarom studenten mét magische krachten er zelf voor kozen om naar huis te gaan. Ik zou er van alles voor over hebben gehad om mijn doel in het leven te vinden. Die mensen keerden dat allemaal de rug toe, ook al was dat het meest oneervolle wat je kon doen.
Geklop op de deur haalde me uit mijn moeilijke gedachten.
„Ben je er klaar voor, lieverd?“ vroeg mijn vader. Zijn ogen en het puntje van zijn neus waren rood.
Ik begreep niet waarom mijn ouders zo van streek waren. Hoe bekwaam de meesters van Oswalda ook waren, het was vrijwel onmogelijk voor kinderen van magieloze ouders om magische gaven te ontwikkelen. Hoewel ik het niet graag aan mezelf wilde toegeven, hoefden mijn ouders zich nergens zorgen over te maken. Ik zou namelijk al snel genoeg weer in hun armen terugkeren.




