
Eerste Kans Boek 2
Auteur
Andrea Wood
Lezers
112K
Hoofdstukken
25
Hoofdstuk 20
Layla
Ik heb net een dienst van acht uur erop zitten in de hipste bar van Boston. Ik ben doodmoe en het enige waar ik aan kan denken is mijn bed in vallen. Gelukkig had ik de dagdienst, dus het was niet zo druk als de avonddienst meestal is.
Nat zit constant in mijn hoofd. De afgelopen week heb ik maar één keer iets van haar gehoord.
Ze beloofde contact te houden toen ik haar afzette. Dit is de langste tijd dat we uit elkaar zijn geweest sinds we geboren zijn.
Ik weet dat dit een grote stap voor haar is. De leden van 'Steele's Army' zijn intimiderend, en hoewel ze zich groot houdt, weet ik dat ze dat niet eeuwig vol kan houden.
Ik kon het niet laten om haar hiertoe aan te moedigen. Na vijf jaar lang toe te kijken hoe ze zich achter een muur verschool, kon ik niet als haar beste vriendin aan de zijlijn blijven staan en dat toelaten.
Ze verdient zoveel meer dan wat het leven haar heeft aangedaan. Ik weet dat mijn ouders, vooral mijn vader, een diep schuldgevoel met zich meedragen.
Ik weet ook dat Nat mijn vader nooit de schuld heeft gegeven van de tragedie. Ze heeft het nooit hoeven zeggen; we zijn altijd familie geweest.
Het ongeluk heeft mijn vader gebroken. Hij doodde zijn beste vriend, zijn broer, en diens vrouw.
Na die dag kon hij me niet meer aankijken. Dat is een grote reden waarom ik Nats beslissing om New York te verlaten steunde.
Ik was het zat dat mijn familie geen tien minuten met me kon doorbrengen. Ze dachten dat geld hun afwezigheid goed kon maken.
Of ik het geld fijn vind? Is water nat?
Ik ben dankbaar dat ik niet afhankelijk hoef te zijn van studiebeurzen of leningen om mijn studie te betalen. Ik vind het ook fijn dat ik me geen zorgen hoef te maken over waar mijn volgende salaris vandaan komt of hoe ik mijn rekeningen moet betalen.
Ik vind het fijn om anderen te kunnen helpen die minder geluk hebben dan ik.
Ik loop het appartement binnen en gooi mijn autosleutels op het aanrecht. Te moe om te koken, zet ik een bakje ramen in de magnetron.
Terwijl mijn eten opwarmt, besluit ik naar Natalies kamer te gaan. Deze week was zwaar zonder haar.
Het appartement is niet hetzelfde zonder haar. Het is stil zonder haar muziek die op elk uur van de dag door het huis schalt. Het is gewoon eenzaam zonder haar.
Ik heb deze week waarschijnlijk vier nachten in haar kamer geslapen, troost zoekend onder haar dekens.
Onze levens waren voorbestemd om met elkaar verweven te zijn, nog voordat we geboren werden. Natalie zal altijd mijn andere helft zijn. Een deel van mij.
Ze heeft altijd gezegd dat ik haar houvast ben, haar reden om elke dag door te gaan.
Wat ze niet weet, is dat ik een verpletterende schuld voel om wat mijn vader heeft gedaan. Ongeluk of niet.
Als mijn vader gewoon had voorgesteld om een taxi te nemen, zouden haar ouders er nog zijn. Dan zou ze niet zo gesloten zijn als nu. Dan zou ze niet met een gebroken hart door het leven gaan, alleen maar de dagen uitzittend.
Soms denk ik dat ze dwars door me heen kijkt. Dat ze ziet waarom ik doe wat ik doe. Zij zet een stoere muur op en laat alleen mij erbinnen.
Ik doe het tegenovergestelde. Ik laat mensen constant dichtbij komen. Maar alleen voor een paar nachten plezier. Die paar nachten geven me het gevoel dat ik weer leef. Maar ik verdien het niet om me levend te voelen.
Dus wanneer het schuldgevoel weer opkruipt, is dat het moment dat ik ze mijn bed uit stuur. Eerlijk gezegd verdienen zij het ook niet.
Als ik iemand zou binnenlaten en zou vertellen hoezeer ik Natalie mis, hoezeer ik mijn ouders veracht, of hoezeer deze gedachten me opvreten, zouden ze me alleen maar onverschillig aankijken.
Niemand zou het ooit kunnen of willen begrijpen.
Ik open haar slaapkamerdeur en zie meteen dat ze in haar bed ligt.
Wat the fuck?
Waarom is ze hier, in haar kamer?
Ze hoort nu in een tourbus te zitten. Hoe is ze hier gekomen?
Ik loop naar haar bed en begin haar wakker te schudden. Ze reageert niet. Ik schud haar opnieuw, harder dit keer.
'Nat!' schreeuw ik.
'Natalie!'
Haar gebrek aan reactie doet mijn maag omdraaien. Om mezelf te kalmeren, leg ik mijn hoofd op haar borst, alleen om haar hartslag te horen. Die is langzaam.
Ik begin haar naam te schreeuwen. Hopend, biddend dat ze zal reageren of bewegen. Haar gezicht is onnatuurlijk bleek.
Ik spring van het bed en trek mijn telefoon uit mijn zak, terwijl ik in paniek 911 bel.
Natalie, wat heb je gedaan?
De meldkamer neemt op. De woorden rollen er in één adem uit: mijn vriendin reageert nergens op en haar hart slaat nauwelijks.
Ze zegt dat er een ambulance onderweg is. Dat alles goed komt.
Op dit moment vind ik het moeilijk om te geloven dat alles goed komt. Ik heb Natalie nog nooit zo gezien.
Wat is er gebeurd?
Terwijl de meldkamer aan de lijn blijft, geeft ze me instructies om Nats pols te controleren. Om te blijven checken of ze nog ademt.
Zittend naast Natalies levenloze lichaam, met mijn duim op haar pols, valt mijn blik op haar nachtkastje. Daar ligt een vel papier.
Een brief. Aan mij gericht. Oh, Natalie. Ze heeft dit met opzet gedaan.













































