
Heilige draken boek 4: Een bruid voor de windgod
Auteur
Lezers
241K
Hoofdstukken
15
Hoofdstuk 1
Boek 4: Een Bruid voor de Windgod
De lucht was gevuld met felle bliksem, die de duisternis oplichtte met zijn wilde energie. Zware, donderende regenwolken botsten tegen elkaar aan. Hierdoor schudde mijn luchtschip heen en weer. Maar mijn bemanning en ik waren de allerbeste bliksemvangers in ons vak. We hadden een goede reputatie hoog te houden.
„Aan het werk, stelletje boeven! Hijs de zeilen, gooi de netten uit en houd ons op koers!“ riep ik. Mijn stem was nauwelijks te horen boven het gebrul van de onweersbui.
„Komt in orde, kapitein!“ antwoordden een paar mannen van mijn bemanning.
De doorweekte piraten renden over het houten dek. Hun spieren spanden zich aan door het zware werk. Ondanks het slechte weer stonden er brede grijnzen op hun gezichten. Ze werkten perfect samen en gooiden de metalen netten aan beide kanten van het schip uit.
Ondertussen stuurde mijn stuurman, Nico, ons recht op een enorme wolk af die knetterde van de energie. De zeilen stonden strak door de harde wind. Het was alsof de storm zelf probeerde me bij mijn buit weg te houden. Maar de ballon die ons schip in de lucht hield, bleef stabiel. Hij trok zich niets aan van de zware storm.
De elektriciteit tintelde op mijn huid. De haartjes in mijn nek stonden recht overeind en ik kreeg kippenvel op mijn armen. Ik haalde diep adem en vulde mijn longen met de geladen lucht van de storm. Toen ik uitademde, sloeg de bliksem in. Mijn schip werd verlicht door een verblindende flits.
De netten zoemden en knetterden, en trokken de wilde bliksem uit de lucht. Elke bliksemschicht werd opgevangen en naar grote glazen vaten op de romp van het schip geleid. We voeren urenlang door het noodweer. We lieten ons niet tegenhouden door de aanhoudende regen die tegen het schip kletterde en mijn bemanning doorweekte.
Mijn trouwe piraten bleven op hun post. Hun kleren waren kletsnat en hun gezichten prikten van de gure wind. Er was geen land in zicht. We hadden alleen de storm en elkaar als gezelschap. Ik voelde de rauwe kracht van het onweer tot diep in mijn botten. Elke violette, blauwe, gouden of witte bliksemflits stuurde een schok van energie naar mijn vingertoppen.
Ik voelde me verbonden met de storm, de wind, de donder, de bliksem en de regen. Het leek wel alsof ze een deel van mij waren. Dat was een vreemd gevoel voor iemand zonder voorouders met wind- of stormmagie. Maar daarom was ik wel de beste bliksemvanger in de omtrek. Mijn bemanning vertrouwde op mijn instinct om de volgende storm te vinden. Ze hielden bijna net zoveel van de spanning van de jacht als ik.
Midden in de storm, omringd door huilende wind en flitsende bliksem, voelde ik me echt thuis. Ik voelde me meer levend dan ooit. Plotseling klonk er een oorverdovend gebrul door de storm. Het overstemde de klanken van de donder en de regen.
Een rilling liep over mijn rug en ik beet op mijn tanden toen er in de verte nog een brul klonk. Ik draaide me om en tuurde naar de donkere wolken die mijn schip teisterden. Een bliksemflits verlichtte een monsterlijke gedaante. Het bewoog zich door de verre stormwolken als een gigantisch zeewezen dat door de oceaan kliefde.
Een nieuw gebrul deed het schip schudden. Het houten dek trilde onder mijn laarzen.
„Is dat…?“ Nico's stem viel weg. Zijn ogen stonden wijd open van angst bij de aanblik van het beest in de wolken.
Ik liep snel de trap af en greep een touw van de mast vast, terwijl ik over de reling van het schip keek. Door de stromende regen zag ik een slangachtig lichaam en grote vleugels. Het was de ergste nachtmerrie van elke bliksemvanger.
„Haal de netten binnen!“ schreeuwde ik uit volle borst.
De bemanning kwam meteen in actie. Ik rende terug naar het roer en riep naar Nico: „Haal ons uit deze storm! Nu meteen!“
„Komt in orde!“ Hij draaide snel aan het stuurwiel en stuurde ons weg van het beest in de lucht. De bemanning haalde de netten binnen en vierde de zeilen. Andere mannen lieten de ballonnen leeglopen die ons in de lucht hielden.
De extra zeilen vingen de wind op, waardoor we sneller gingen. Het schip dook scherp naar beneden toen we aan onze daling begonnen. Gawain, de stevige kwartiermeester, haastte zich vanaf het hoofddek naar boven. Hij hijgde zwaar van het harde werken in de storm en de plotselinge dreiging.
„Is hij het, kapitein?“
„Ja. Hij heeft ons weer gevonden,“ antwoordde ik. „Als we niet snel landen, eindigen we als haaienvoer.“
„Ace zei dat we in de buurt van Gallows Port zijn,“ merkte hij op tegen Nico en mij.
Nico knikte. Zijn zwarte haar plakte tegen zijn wangen door de regen. Ondanks de diepe frons op zijn voorhoofd, wist hij een scheve glimlach tevoorschijn te toveren.
„Dat is een goed plan. Ze betalen daar altijd een eerlijke prijs voor bliksem. En de herberg heeft goed bier.“
Ik grijnsde. „Nico, breng ons naar Gallows.“
Het schip brak door de wolken heen en daalde af in de stromende regen. Hopelijk zouden de regen en wolken onze sporen lang genoeg verbergen om veilig te landen. Het beest volgde het schip van een bliksemvanger nooit zodra het de zee bereikte. Dat was het grondgebied van zijn broer.
Nog een uur lang vocht mijn bemanning tegen de storm, totdat we eindelijk het zeeoppervlak raakten. Het schip kraakte luid toen het op het water neerkwam. Grote golven sloegen tegen de romp. Ik bleef stevig staan en gaf niet mee met de klap. Ik stond rechtop en trots als de hoofdmast, en bracht mijn bemanning in veiligheid.
„Waarom denk je dat hij piratenschepen en bliksemvangers vernietigt?“ vroeg Gawain, terwijl hij over zijn lange, grijsgevlekte baard aaide.
Het gebrul in de stormwolken vervaagde tot een verre donder. Ik bleef naar de wilde lucht kijken, op zoek naar een teken van hem. Dat deed ik niet uit angst, maar om een andere reden die ik niet precies kon benoemen.
„We stelen van hem,“ antwoordde ik. De woorden kwamen diep uit mijn binnenste, alsof het de absolute waarheid was.
„Maar hij is de Windgod. Wat heeft dat met bliksem te maken?“ vroeg Nico.
Ik schudde mijn hoofd en slaakte een lange zucht. Toen draaide ik me naar hen toe met toegeknepen ogen. „Piraten zouden beter moeten weten,“ snuifde ik. Mijn stem werd zachter en klonk bijna dromerig. „De wind is wie hij is, maar de stormen zijn zijn domein. De wolken en de bliksem behoren hem toe. Ze zijn een deel van hem, en wij pakken af wat hij heeft gemaakt.“
De manier waarop de bliksem me riep, kon ik niet in woorden omschrijven. Het voelde alsof het net zo goed een deel van mij was, als van de draak die het had gemaakt. Soms geloofde ik echt dat ik mijn hand kon uitsteken, de storm door mijn vingers kon laten stromen, en elke bliksemschicht in mijn hand kon vangen.
Het leek alsof de zware stormen een melodie waren die speciaal voor mij was gemaakt. Ze betoverden me volledig. Bijna alsof hij naar mij op zoek was—
„En onze kapitein is zijn belangrijkste doelwit omdat…?“ Nico's stem viel weer weg. Hij was een geweldige stuurman, maar niet bepaald een genie.
Gawain rolde met zijn ogen naar de jonge man. „De Piratenkoningin hier is de beste bliksemvanger die er bestaat. Ze heeft het hele vakgebied bijna in haar eentje bedacht, sinds de mensen ontdekten dat we bliksem konden vangen en gebruiken als energiebron.“
„Noem me niet zo.“ Ik gaf Gawain een duwtje tegen zijn schouder. „Ik ben geen koningin. Gewoon een kapitein, net als ieder ander.“
„Land in zicht!“ riep een bemanningslid luidkeels vanuit het kraaiennest.
Een ander klom de gladde trap op naar het achterdek. Hij knikte en zei toen: „We hebben Gallows Port in zicht, en de draak is gestopt met ons te achtervolgen.“
Dat laatste wist ik al. Ik had zijn afwezigheid meteen gevoeld toen we ontsnapten. Het voelde alsof er een stukje van mij was weggerukt. Toch knikte ik naar de jonge man en stuurde hem weg met bevelen voor de rest van de bemanning.
„Piratenkoningin Dhara, wat zijn uw bevelen?“ plaagde Gawain. Zijn bruine ogen, die veel op de mijne leken, twinkelden van ondeugendheid.
Ik wierp hem een boze blik toe. „Noem me nog één keer zo, en je loopt over de plank. Begrepen?“
Hij trok zijn wenkbrauwen op, maar maakte toch een buiging. Voorzichtig schuifelde hij dichter naar de trap. „Zoals Hare Majesteit wenst.“
Ik dook grommend op hem af. De oude man draaide zich vliegensvlug om. Met verrassend veel souplesse rende hij naar beneden, richting het hoofddek.
„Zou je jouw oom echt over de plank laten lopen?“ vroeg Nico zich hardop af.
De regen werd minder. In plaats daarvan hoorde ik het geschreeuw van meeuwen en het geklots van golven tegen de boeg. Ik keek naar het stuk land dat aan de horizon verscheen. Het stak af tegen de donkere schemering onder een deken van stormwolken.
De verre, knipperende lichtjes van het havenstadje beloofden ons een nacht op vaste grond. Het zou een avond worden vol met bier en een bed dat niet schommelde.
„Nee, dat zou ik niet doen,“ bekende ik aan de stuurman. Ik kruiste mijn armen over mijn borst, alsof ik mezelf vasthield. Toen voegde ik eraan toe: „Hij is de enige familie die ik nog heb.“
Daar sloot ik het gesprek af. Ik draaide me om en liep weg.
De laatste zonnestralen maakten plaats voor een aardedonkere nacht. Ons schip, The Wicked Dove, lag inmiddels voor anker in een havenstadje vol met piraten en vissers.
Met Gawain en een paar bemanningsleden aan mijn zijde, verkochten we onze verse bliksemvoorraad. We namen onze verdiensten mee terug naar mijn bemanning, die op ons wachtte in onze favoriete herberg, The Drowned Rat.
Ik stuurde mijn oom alvast vooruit met de zware zak goud. Zo kon hij de bemanning betalen en een rondje drank kopen om het te vieren.
Ondanks de blijdschap over ons grote succes, werd ik toch weer naar de haven getrokken. Het zachte geklots van de golven en de vrolijke muziek uit de herberg leken opeens heel ver weg.
Mijn blik werd getrokken naar de wolken die overgingen in de zwarte horizon. Heel ver weg zag ik een korte flits van heldere bliksem door een dreigende wolk snijden. Het was zo ver weg, dat ik me het ook verbeeld kon hebben.
Als ik had geknipperd, had ik de donkere schaduw van een enorm beest in de wolken gemist. Het was zo kort, dat ik mezelf kon wijsmaken dat ik het me had ingebeeld. Zou ik de draak nu alweer gezien hebben?
Een rilling liep over mijn rug. Het voelde alsof ik zojuist een heel slecht voorteken had gezien. Mijn hart bonkte hard in mijn borstkas. Ik draaide me om en liep naar de herberg. Ik vroeg me af hoe lang het nog zou duren voordat de Windgod me te pakken zou krijgen.










































