
Gestolen bruid van de Viking
Auteur
E. Rider
Lezers
1,0M
Hoofdstukken
36
Hoofdstuk 1.
KENDRA
Het nieuwe jaar was net aangebroken, we schreven 857 na Christus. De lente stond voor de deur, al was het nog behoorlijk koud. Ik trok een extra jas aan, stapte naar buiten en sloot de deur achter me. Mijn bescheiden huisje stond aan de rand van het dorp, maar dat vond ik prima. Het was van mij en ik genoot van de rust.
Terwijl ik de frisse ochtendlucht opsnoof, hoorde ik een zacht geluid uit het bos en mijn hart sloeg een slag over. Handelaren hadden ons gewaarschuwd dat Vikingverkenners dorpen in de gaten hielden, wat ons Saksen de stuipen op het lijf joeg. We hadden wachters die de boel in de gaten hielden, maar ik was van plan brood en hertenvlees te halen voordat ik ging schoonmaken bij de familie Eriksson.
Ik probeerde me geen zorgen te maken en liep richting het dorpscentrum, klaar om de dag te beginnen. Achteraf had ik voorzichtiger moeten zijn. Ik had het bos in moeten gaan. Net toen ik me omdraaide om naar de bakker te lopen, hoorde ik een angstaanjagende gil in het dorp, gevolgd door één woord dat me doodsbang maakte.
'Vikingen!'
Toen die angstige kreet weerklonk en de gillende vrouw dat woord uitsprak, brak er paniek uit. Mensen renden alle kanten op, als kippen zonder kop. Vrouwen grepen hun baby's en namen hun oudere kinderen mee naar de rivier of het bos, overal waar ze zich konden verstoppen. Mannen, jong en oud, haastten zich om wapens te halen zoals bogen, bijlen en speren.
Toen zag ik ze - de Vikingen, met gekleurde strepen op hun gezichten en lange gevlochten baarden, met schilden en bijlen in de hand. Ik had verhalen over hen gehoord en mijn familie was door hen omgekomen, maar dit was de eerste keer dat ik ze in levenden lijve zag. Ze waren groter en angstaanjagender dan ik me had voorgesteld, en ik trilde als een rietje.
Mijn maag draaide zich om van angst en ik rende zo hard als ik kon weg. Ik kwam niet ver. Iemand greep mijn haar en trok me hard naar achteren. Ik viel op de grond en hield mijn handen omhoog om mezelf te beschermen, maar degene die me naar beneden had getrokken was verdwenen in de chaos.
De angstige kreten van de dorpelingen en het geluid van de vechtende Vikingen waren oorverdovend. Ik wist niet hoeveel tijd er voorbij ging, maar alles - wat ik zag en hoorde - was overweldigend. De lucht rook naar bloed en zweet terwijl de strijd heviger werd.
Ik bereikte de zijkant van de kerk en hurkte neer om op adem te komen, maar ik wist dat ik daar niet kon blijven. Ik zou gedood worden - of erger. De daken van de witte lemen huizen rond de kerk stonden in lichterlaaie en de rook belemmerde het zicht. Vrouwen vertelden angstaanjagende verhalen over de Vikingen, waardoor iedereen als de dood was om meegenomen en tot slaaf gemaakt te worden.
Ik stond op en rende naar het bos, terwijl ik op een haar na geraakt werd door voorwerpen die door zowel vrienden als vijanden werden gegooid. Er lagen dode lichamen van mannen, vrouwen en kinderen op de grond, hun ogen open maar niets ziend, hun monden in een angstige uitdrukking verstard. Ik voelde me misselijk maar probeerde om hen heen te lopen, biddend dat ik het zou overleven, maar me afvragend hoe ik ooit nog een oog dicht zou kunnen doen.
Het geluid van zwaarden die op elkaar insloegen, geschreeuw en krijgers die brulden was overal om me heen terwijl de dorpsmannen tegen de Vikingen vochten. Plotseling kwam er een Vikingkrijger uit de rook tevoorschijn en sloeg me hard op mijn hoofd. Ik viel neer, mijn zicht wazig en mijn hoofd bonzend. Ik rolde om en kroop onder een kar, in de hoop dat hij me niet zou vinden.
Ik kneep mijn ogen stijf dicht, bedekte mijn oren en probeerde niet over te geven. Ik lag daar te beven, doodsbang voor mijn leven en dat van de andere dorpelingen. Was dit wat mijn moeder had doorgemaakt? Mijn broer en zus?
Ik huilde toen ik aan hen dacht en hoe bang ze moeten zijn geweest. Ik haatte de Vikingen en wat ze hadden gedaan - en aan het doen waren - met mijn volk. Mijn verdriet veranderde in woede, en die woede nam de overhand terwijl ik wenste dat er vreselijke dingen met hen zouden gebeuren. Ik bad om vergeving maar wilde ook dat ze een pijnlijke dood zouden sterven.
Ik klampte me vast aan mijn woede en haat om te proberen de verschrikkelijke kreten van de dorpelingen niet te horen. Na wat een eeuwigheid leek, stopte het geschreeuw. Het werd doodstil, op het geluid van deuren die werden ingetrapt en mensen die aan het plunderen waren na.
Voorzichtig opende ik mijn ogen en keek vanuit mijn schuilplaats naar buiten. Niet ver weg zag ik de met bloed besmeurde leren laarzen van drie mannen, wat me doodsbang maakte. Ik hapte naar adem en schoof stilletjes naar achteren tot mijn hoofd zachtjes tegen de achterkant van de kar stootte.
Ik keek naar rechts. Er was geen uitweg. De kar was omgekeerd en lag op één kant van de bak, die in de grond zat, en één wiel. Het was wat me een schuilplaats had gegeven. Er was geen manier waarop ik door de kleine ruimte kon kruipen zonder dat de mannen me zouden zien.
Aan de linkerkant had ik een kans. Het zicht was gruwelijk - er lagen verschillende dode lichamen in verschillende houdingen. Maar als ik er als een van hen uit kon zien...
Terwijl ik langzaam naar die kant van de omgekeerde kar kroop, maakte ik een scherp geluid toen mijn hand een scherpe steen raakte, en ik liet onbedoeld een zacht geluidje ontsnappen. De mannen, die het hadden gehad over hoe groot het dorp was, stopten abrupt met praten.
Ik had geen tijd om na te denken over mijn volgende zet. De kar werd plotseling omgedraaid en de mannen trokken me aan mijn voeten naar buiten. Ik zwaaide met mijn armen en sloeg de krijgers met mijn vuisten, maar hun geharde lichamen voelden er niets van. Ik opende mijn mond om te schreeuwen, maar een van de mannen legde zijn hand over mijn mond. Ik keek naar hem op, te geschokt om te bewegen.
Zijn felgroene ogen waren het eerste wat ik zag. Zijn gezicht was grotendeels zwart geverfd en zijn donkere haar was naar achteren getrokken met verschillende vlechten. Hij legde zijn vinger op zijn lippen, een teken dat ik stil moest zijn.
'A-alsjeblieft, laat me gaan,' zei ik door zijn vingers heen, trillend als een rietje.
Hij keek naar de twee mannen die me vasthielden, die gemene glimlachen hadden die me doodsbang maakten. Hij knikte naar hen voordat hij weer naar mij keek. Hij haalde zijn hand van mijn mond en raakte voorzichtig de bloedende snee op mijn voorhoofd aan. Ik deinsde terug voor zijn aanraking.
Met een diepe stem zei hij: 'Laat haar los. Ik kan dit nu afhandelen.'
De twee mannen keken ontevreden, maar ze lieten mijn benen los. Onmiddellijk kroop ik achteruit tot ik kon opstaan. Ik probeerde weg te rennen, maar de Viking greep mijn arm stevig vast en ik kon niet ontsnappen.
Ik probeerde hem te schoppen en te slaan, maar hij lachte alleen maar en trok me mee naar een klein huisje. Ik kon me alleen maar voorstellen welke verschrikkelijke dingen me daar te wachten stonden. Ik bleef spartelen en schreeuwen, maar hij leek er niet om te geven totdat ik hem hard tegen zijn been schopte.
Hij stopte en draaide me om zodat ik hem aankeek, terwijl hij mijn kaak stevig vasthield. Hij sprak enkele woorden die ik niet begreep, maar ik kende er één.
'Stop!' zei hij met een boze stem, zijn ogen vurig van woede.
Ik probeerde bij hem vandaan te komen, maar hij hield mijn kaak steviger vast en ik hield op met vechten. Hij liet zijn greep op mijn kaak iets verslappen. Met een zacht geërgerd geluid tilde hij me op en gooide me over zijn schouder, waarna hij verder liep naar het kleine huisje. Hij trapte de deur open en smeet me op een bed in de hoek.
Wat zou er nu met me gebeuren?
















































