
De Tyr motorclub 4: Absolutie
Auteur
Lezers
412K
Hoofdstukken
38
Hoofdstuk 1
Boek 4: Absolutie
MAGDALENE
Hij is al uren bezig, aan het bidden. Ik bid ook. Ik bid dat hij niet nog een keer langskomt, dat hij verdwaalt in zijn eigen gepraat en mij vergeet. Alleen voor vannacht.
Ik smeek om één nacht rust. Ik lig opgerold onder mijn bed en wieg heen en weer. Niet vannacht, niet vannacht, niet vannacht.
„MAGDALENE!“
Mijn bloed verandert in ijs. Hij komt eraan. God bestaat niet. Of als Hij wel bestaat, kan Hij mij niet horen vanuit dit gat in de grond waar ik zit opgesloten.
Of misschien ben ik wel het kwaad, besmet zoals hij me altijd vertelt, en is dit mijn hel, mijn straf.
„Magdalene!“
Hij is nu dichterbij. Ik kan niet aan hem ontsnappen in deze gevangenis die mijn leven is geworden. Ik hoor zijn voetstappen buiten mijn kamer en ik sluit mijn ogen. Tranen branden op mijn wangen en ik huil zachtjes.
De deur wordt opengegooid en hij stapt naar binnen. Het licht is achter hem, en hij is gehuld in duisternis. Ik weet niets over God, maar de duivel is echt en hij is weer voor mij gekomen.
„Magdalene.“
Ik word badend in het zweet wakker en slik een schreeuw in. Het is pikkedonker buiten, diep in de nacht. Ik schud mijn hoofd en proef het zout van mijn tranen.
Het is jaren geleden dat Salome ons vond. Ze trapte die verdomde deur in als een vechtengel en sloeg „Vader“ dood. Jaren sinds mijn dappere zus me in haar armen nam en me naar het licht bracht. Jaren sinds ik uit de hel ben bevrijd.
Maar elke nacht ben ik weer daar.
„Fuck!“
Ik pak de fles water die ik altijd in de buurt houd en zwaai mijn benen naar de vloer. Het is maanden geleden dat ik uit Berkeley vertrok, en sindsdien ben ik onderweg. Ik trek van stad naar stad en vertrek als de dingen te heftig worden.
Ik ben als de Wandelende Jood. Degene die Jezus uitlachte op weg naar het kruis en veroordeeld werd om over de aarde te zwerven tot de Wederkomst. Alleen draag ik in dit verhaal ook een kruis op mijn rug.
Ik drink het water op en loop naar de badkamer van dit goedkope motel ergens in Wisconsin. Het licht knippert boven me als ik water in mijn gezicht plens.
Niets kan de bittere smaak op mijn lippen wegspoelen. De onrust, de kriebel. Ik kan binnen blijven en verdrinken in het verleden, of ik kan naar buiten gaan. Problemen zoeken, vergeten, me levend voelen, en het gevoel hebben dat ik de touwtjes in handen heb.
Ik pak mijn leren jas en ga naar buiten. In dit gat van een stad is er maar één plek om problemen te vinden: de bar.
Ik steek mijn handen in mijn jaszakken en laat een glimlach op mijn lippen spelen. En in de stilte van de nacht hoor ik het. De ping van de telefoon die Stig me gaf.
Een appje. Ik pak de telefoon stevig vast. Er is niets engs aan het bericht. Integendeel. Het is van Lysandra.
Ze belt of appt me elke dag. En hoewel ik niet veel praat of vaak antwoord, begin ik deze berichtjes te waarderen. Ze is een volhouder, en ze geeft me niet op.
En hoewel ik probeer haar op afstand te houden, kan ik niet anders dan dankbaar zijn dat ze in de buurt wil blijven. Ik schud mijn hoofd en open haar appje.
De bruiloft is volgende week. Er hangt een geweldige bruidsmeisjesjurk op je te wachten. Ik wacht ook op jou.
Dat woord. Wachten. Het laatste woord dat die man tegen me zei. Die donkere man, met de lachende ogen en de rustige stem.
Ik hoorde de anderen hem Runner noemen. Hij vertelde me dat zijn naam Jesus was. Hij maakte er zelfs een grapje over. Jesus en Magdalene. Rechtstreeks uit De Da Vinci Code.
Ik wou dat ik had gelachen. Ik wou dat ik veel meer had gedaan in die paar dagen dat we samen waren. De dagen waarop hij geduldig bij me zat. Hij keek alleen maar naar me, praatte tegen me, en wachtte op een antwoord.
Die dagen waarop ik met mezelf vocht en in een donkere bui was. Dat ik mijn wraak opgaf en mezelf de schuld gaf van alles wat er was gebeurd. En dat ik rouwde om Salome. En hij was er de hele tijd bij.
Hij zei dat hij zou wachten. Dat zei hij toen ik wegliep. Voor een paar seconden wilde ik hem niet laten wachten. Maar ik was een wrak.
Ik ben nog steeds een verdomd wrak. Hij lijkt me iemand die dingen oplost, een man die het op zich neemt om dingen goed te maken. Maar sommige dingen kunnen nooit worden rechtgezet.
Nog een ping van mijn telefoon.
Je bent het vrijgezellenfeest niet vergeten, toch? Het wordt leuk.
„Shit.“ Ik schud mijn hoofd. Ik bedenk me dat Lysandra en Vik hun bruiloft hadden kunnen plannen op een moment dat ik er weer klaar voor zou zijn om de wereld onder ogen te komen. En misschien hem weer te zien.
„Speel je mee, lieverd?“
Ik draai me om naar de idioot die me net lieverd noemde. Hij is een grote vent met een buik die alleen maar groter gaat worden als hij in dit tempo bier blijft tanken.
„Zeker. Tweehonderd dollar dat negen en elf in die pocket gaan.“ Ik wijs naar een gat in de pooltafel.
De man en zijn vrienden lachen hard en schudden hun hoofd. Er zijn twee dingen waar ik goed in ben in dit leven. Ik kan vechten, omdat die klootzak van een vader me dat leerde voordat... Nee. En ik kan poolen.
Mijn therapeut kwam daarachter. Het heeft iets wat me kalmeert. Vroeger speelde ik urenlang. Vechten en poolen. Dat zijn mijn talenten. En als deze eikels zo in mijn gezicht blijven lachen, gaan ze eerder over het eerste leren dan over het tweede.
„Oké, poppetje.“ Hij haalt het geld tevoorschijn. „Deal.“
Fucking poppetje! Ik sla deze gozer straks nog de hersens in. Ik pak mijn keu stevig vast en buig over de tafel.
Ik voel dat de man zich verplaatst om beter naar mijn kont te kunnen kijken, en ik kook van binnen. Ik denk weleens dat de mannen die dit spel hebben bedacht, een vrouw voor zich zagen die voorovergebogen over een tafel staat met een lange stok in haar hand.
Wat ze niet bedachten, is dat een vrouw met een stok in haar hand ze flink pijn kan doen. Letterlijk. Ik concentreer me en geef een gemene glimlach.
Ik stoot de witte bal aan en kijk hoe die een onmogelijke reeks raakt. Ballen negen en elf verdwijnen recht in de pocket.
„Nou ja zeg!“
„Dank je.“ Ik pak het geld. „Zullen we stoppen met dit spelletje, of heb je zin om nog meer te verliezen?“
De vent is duidelijk straalbezopen, en hij heeft een paar maten bij zich. Ik zit vast in the middle of nowhere, in zijn stad, op zijn terrein.
Zijn fantasie was om een potje te poolen, me te betasten, en me dan mee te sleuren naar zijn zielige truck om zijn gang met me te gaan. Maar de realiteit liep anders. Hij was vijfhonderd dollar lichter, stond voor schut bij zijn vrienden en het hele dorp, en ik gaf nul signalen dat ik zin had in een potje stoeien.
„Vuile bitch!“
Zijn woede-uitbarsting komt precies op tijd. Ik heb moeite om mijn lach in te houden terwijl ik zie hoe hij ontploft.
„Dwazen laten hun woede de vrije loop, maar wijzen brengen uiteindelijk rust.“ Het citaat glipt er onbedoeld uit.
„Heb je...? Noemde je me net een dwaas, bitch?“
„Dat deed Salomo,“ antwoord ik met een opgetrokken wenkbrauw.
Hij kijkt verward, maar dat is maar even. Hij herinnert zich zijn oorspronkelijke plan en valt me aan. Eindelijk.
„Geef me mijn geld, jij valse bitch!“
Hij heft zijn vuist om te slaan, maar hij is te dik, te dronken en te langzaam. Het lijkt bijna alsof hij gelijk heeft: ik speel vals. Maar ik ben hier niet om me aan de regels te houden. Ik ben hier om te spelen.
Jammer dat deze eikel niet weet hoe hij netjes moet verliezen.
Ik duik onder zijn zwaai door en draai naar links, waarbij ik een harde klap op zijn nek uitdeel. Hij strompelt naar achteren en hapt naar adem. Ik werp een waarschuwende blik op zijn vrienden, maar die lijken net zo dom te zijn, en een van hen stormt op me af.
Ik gris een poolkeu mee en draai me om. De stok raakt zijn kaak.
De andere klanten in dit fijne etablissement drinken gewoon verder van hun bier. Ik gok dat kroeggevechten in dit boerengat topamusement zijn. Ze krijgen een gratis show.
Een show waar rijke klootzakken nog niet zo lang geleden grof geld voor betaalden.
De herinnering aan Jack en zijn toernooi laat me mijn kaken op elkaar klemmen. Die klootzak. Die zieke, manipulatieve son of a bitch. Die liegende asshole.
Mannen. Ze zijn allemaal hetzelfde. Ze nemen alleen maar. Dat is het enige wat de mannen in mijn leven ooit hebben gedaan.
Hij niet, dringt de gedachte zich op, maar ik duw het opzij.
Ik voel beweging en reageer op tijd om de arm van een man te pakken. Ik draai de arm in een hoek die zorgt voor een misselijkmakende kraak. Ik gooi hem op de vloer en richt mijn aandacht op de volgende uitdager.
„Nee, nee.“ Hij steekt zijn handen overgevend in de lucht. „Het is goed, je hebt eerlijk gewonnen.“
„De motor buiten. De Harley,“ zeg ik, terwijl mijn blik over iedereen in de bar glijdt.
Ze kijken allemaal naar de dikke man die nog op zijn knieën naar adem zit te happen. Tuurlijk, denk ik knikkend. Ik loop naar hem toe en pak een poolkeu van een tafel vlakbij.
Hij kijkt me aan met pure paniek in zijn ogen en schudt zijn hoofd.
„Ligt het aan mij, of hebben we bij die laatste call shot gewed om tweehonderd dollar en de motor?“
Hij aarzelt. Ik zie hem nadenken. Ik draai de keu in mijn handen rond om zijn geheugen op te frissen.
En ja hoor! Daar is de herkenning.
„Uhm... ja, klopt.“
„Sleutels,“ eis ik.
Hij graait onhandig in zijn zakken en overhandigt me een sleutelbos met een hanger waarop staat Pussy Wrecker. Ik klem de sleutels vast en lach hem uit in zijn gezicht. Eerder gesloopt door een pussy.
Ik gooi de keu op de tafel, laat een paar dollar achter voor mijn bier, en loop naar de deur.
„Mijn sleutels,“ jammert hij. „Mijn huissleutels zitten daaraan.“
Ik kijk over mijn schouder terug en prik hem vast met mijn blik.
„Mooi. Geef de motor op als gestolen, dan kom ik gewoon even bij je op bezoek.“
Hij krimpt ineen door mijn woorden, en ik kijk naar de rest van de bar. Ze aarzelen allemaal om op te komen voor de verliezer. Verstandig.
Ik duw de deur open en loop naar de motor. Een nineties Fat Boy voor een fucking fat boy. Hoe toepasselijk. Ik stap erop en steek de sleutel in het contact.
Voordat ik wegrijd, pak ik mijn telefoon en app terug naar Lysandra—
Ik ben erbij.
















































