
The Werewolf King Serie Boek 2
Auteur
Lezers
174K
Hoofdstukken
37
1: Arya's Verhaal
ARYA
Het moeilijkste wat ik ooit heb moeten doen, is hier zitten, glimlachen en doen alsof mijn hart niet in duizend stukjes breekt. Onze families, vrienden en roedels zijn samengekomen om getuige te zijn van de koninklijke paringsceremonie van de eeuw. Maar het is niet die van mij.
Dat had het wel moeten zijn.
Dat was het ook geweest als de Maangodin en het lot zich niet tegen me hadden gekeerd. In plaats daarvan bleek de mate op wie ik verliefd werd een monster te zijn.
Eigenlijk was hij erger dan een monster. Hij was een verkrachter, een mishandelaar, een leugenaar... en ik ben blij dat hij eindelijk dood is. Dat klinkt hard, toch? Maar het is de waarheid, en ik zie geen reden om het mooier te maken dan het is.
Toen hij zijn laatste adem uitblies, besefte ik dat hij niet mijn ware mate was. De opluchting die ik voelde is niet te beschrijven. Mates kunnen elkaar tenslotte geen pijn doen, en toch was ik degene die de trekker overhaalde om een einde aan zijn leven te maken.
Omdat ik het enige levende familielid van de koning ben, was ik een perfect doelwit voor zijn leugens. Een heks gaf hem een spreuk die me liet geloven dat hij mijn mate was.
En ik trapte er met open ogen in.
Wekenlang was ik smoorverliefd. Ik was verblind door zijn glimlachen, zijn lieve woorden en de mate-band die we boven alles moesten koesteren. Ik herinner me hoe die band aan me trok, en ik ben dankbaar dat het nu alleen nog maar een herinnering is.
Ik ben altijd al een hopeloze romanticus geweest. Opgroeien met ouders die als mates zielsveel van elkaar hielden, maakte het moeilijk om dat niet voor mezelf te willen. Dus toen Stella, mijn wolf, me vertelde dat hij de ware was, twijfelde ik geen moment.
Beschamend genoeg was de enige reden dat onze paringsceremonie niet doorging, omdat hij de dag ervoor mijn weddingplanner aanviel, met de bedoeling om meer te doen dan haar alleen maar te vermoorden.
In het begin ontkende ik het. Mijn wolf reageerde heel heftig. Ik zal altijd spijt hebben van hoe we ons die nacht gedroegen. Pas toen mijn broer, mijn beschermende grote broer, het me duidelijk uitlegde, begreep ik het eindelijk.
Hoe kom je zoiets te boven? Ik dacht dat de Maangodin me aan de slechtst mogelijke mate had gekoppeld, en tenzij ik mijn ziel wilde verliezen, moest hij in leven blijven.
Als het aan mij had gelegen, had ik hem laten vermoorden, maar mijn broer hield dat tegen. Hij gaf te veel om me, en dat doet hij nog steeds, en door zijn bezorgdheid bleef die klootzak lang genoeg in leven om te ontsnappen en mij te vinden. Om óns te vinden.
Maar nu is het voorbij. Ik deed wat ik moest doen, en hij is er niet meer om de wereld te verpesten.
Het doet gewoon pijn om te weten hoe dicht ik bij mijn zogenaamde geluk was, en nu zit ik hier alleen en vraag ik me af of ik mijn ware mate ooit zal ontmoeten. Mijn broer heeft twaalf jaar gewacht, en eerlijk gezegd heb ik niet zoveel geduld.
Ik wil geliefd en gekoesterd worden, en gezien worden als meer dan de verwende prinses die alles krijgt van haar broer, de koning.
Maar het begint te voelen als een onmogelijke droom.
***
Ik ben de tel kwijt van hoeveel glazen champagne ik al op heb, maar het is niet genoeg. Ik wil meer, vooral nu de eerste dans is begonnen en ik mijn ogen niet af kan houden van hoe prachtig mijn vriendin eruitziet in de armen van mijn broer.
Ze had gelijk dat ze mijn aanbod weigerde om mijn jurk te dragen, want de simpele zijden jurk die ze draagt, staat haar beter dan ik had kunnen bedenken. Het is zonde dat de jurk aan flarden zal scheuren als ze begint te transformeren.
Haar wolf is anders dan die van ons. Ze is wat mijn grootmoeder een dienaar van de maan noemde, sterker dan zelfs onze felste strijders.
Ik dacht altijd dat haar soort een mythe was. Wie kon er nu sterker zijn dan mijn broer Darius? Maar toen ze me vorige maand haar wolf, Darcy, liet zien, was ik diep onder de indruk van haar grootte en kracht.
Ik rende weg.
Vanavond zal ik dapper zijn. Haar wolf zal veel te blij zijn om zich ergens anders druk over te maken op haar paringsdag. Het zal een mooie herinnering zijn om op te halen, voor als mijn broer ooit een toontje lager moet zingen.
Sommige gasten zijn al op commando begonnen met transformeren. Ons soort heeft meer controle over onze gave en slaat daardoor niet zoveel energie op. Ik werd bijna gek toen iemand uit de roedel van Rory ons het zwakkere ras noemde. Ze heeft geluk dat ik van haar hou als een zus, anders was haar „neef“ een oog kwijtgeraakt.
„Dans je niet?“ Ik draai me om en zie Helena naast me zitten.
Zij is de heks die bevestigde dat mijn ziel niet aan een monster vastzat, wat me mijn vrijheid teruggaf. Ik wou alleen dat ze dat eerder had gezegd.
Ze draagt een lange, smaragdgroene jurk die mooi aansluit op haar taille en op de grond valt rond haar voeten. Voor een vrouw van bijna zestig beweegt ze ontzettend sierlijk, en haar rode haar is nog helemaal niet dof geworden.
„Ik denk dat mijn broer en Rory het me wel vergeven.“ Ik dwing mezelf tot een glimlach, hef mijn glas naar het gelukkige stel en drink het in één teug leeg.
Helena kijkt me met samengeknepen ogen aan, wat me doet denken aan hoe mijn moeder me vroeger op mijn kop gaf toen ik nog een pup was. Het verrast me dan ook niet als ze me geïrriteerd een zacht tikje op mijn arm geeft.
„Waarom zit je zo te mokken, kind?“ Ze neemt een hap van een van de aardbeien die ik onaangeraakt op mijn toetjesbord heb laten liggen.
Ik kan het niet helpen dat ik moet lachen, en ik geef de ober een teken voor nog een drankje. Hij heeft vanavond al flink aan me verdiend, en ik ben voorlopig nog niet klaar.
„Je bent al half dronken. Ken je dan geen schaamte?“ moppert ze weer, omdat haar eerste poging niet werkte.
„Schaamte? Daar heb ik genoeg van...“ Ik pak het glas van de ober aan. „Vooral als je bedenkt met wie ik bijna was geëindigd.“ Ik knik naar het gelukkige stel.
Waarom zou ik me hier anders verstoppen? De weinige mensen die me hebben gezien, fluisteren ongegeneerd en staren me aan. Ik ben het mikpunt van spot, en het ergste is nog dat ik het met ze eens ben.
„Je weet dat dit niet jouw schuld is, toch?“ Helena's stem verandert van geïrriteerd naar meelevend. Ik wou dat ze het bij dat eerste had gehouden.
„Maakt dat iets uit? Ik ben degene die hem hiernaartoe heeft gehaald, en ik ben degene die de andere kant op keek. Ik had het moeten weten.“ Mijn stem trilt, en ik neem een snelle slok om het te verbergen.
Helena wrijft troostend over mijn rug. Op haar gezicht is een mix van emoties te zien.
„Het lijkt erop dat we jouw soort nog steeds iets verschuldigd zijn,“ mompelt ze meer tegen zichzelf dan tegen mij, maar met mijn scherpe gehoor had ze net zo goed kunnen schreeuwen.
„Jullie zijn ons helemaal niets verschuldigd. Jouw soort heeft me überhaupt in deze puinhoop gebracht,“ bijt ik van me af, terwijl ik me herinner hoe ze mijn broer de vorige keer vertelde dat hij haar een gunst schuldig was.
„Ik heb het niet over je broer. Ik heb het over jou... wij zijn jou iets verschuldigd.“ Ze zucht, alsof ze dit aan een kind moet uitleggen.
Ik denk dat het niet verkeerd is om zoiets achter de hand te hebben. Heksen staan niet bekend om hun vrijgevigheid, vooral niet naar niet-mensen toe. We nodigen haar meestal uit voor dit soort feesten omdat ze de enige heks is die ooit aardig voor ons is geweest, dankzij een gunst die Darius voor haar heeft gedaan. Ze kan best vermakelijk zijn als ze dat wil.
Maar wat moet ik vragen? Rijkdom? Heb ik al. Schoonheid? Zinloos. Onsterfelijkheid? Nutteloos zonder mijn wederhelft.
„Ik dacht dat je slimmer was dan dit.“ Helena schudt haar hoofd en stopt nog een aardbei in haar mond.
Ik was haar gave om gedachten te lezen even vergeten, vooral nu de emoties hoog oplopen. De alcohol helpt waarschijnlijk ook niet. „Dus wat moet ik dan vragen?“ daag ik haar uit op dezelfde toon.
„Je mate. Vraag het aan mij, en ik vertel je waar hij is, maar dan staan we quitte.“ Ze steekt een vinger op om de ernst van haar aanbod te benadrukken.
Ik bijt op mijn lip. Ik weet dat ik hier goed over na moet denken voordat ik erin spring.
„Hoe weet ik dat je niet liegt?“ Ik hoef het eerdere verraad van haar soort niet te noemen. Het hangt onuitgesproken in de lucht.
„Omdat ik je mag, lieverd, en ik normaal gesproken niets met wolven heb.“ Ze geeft me een kleine, oprechte glimlach, en ook al maakt het me een dwaas, ik geloof haar.
„Waar is hij?“

















































