
Leren lief te hebben... boek 2: Winter
Auteur
M. L. Knight
Lezers
823K
Hoofdstukken
55
De ijskoningin
Boek 2: Winter
WINTER
Ik zat alleen in het bos, bovenop een boom die onlangs was omgevallen. Ik keek uit over het landschap, en mijn ogen zochten naar inspiratie. Ik had mijn schetsboek meegenomen, in de hoop nog wat te kunnen tekenen voordat ik gedwongen werd terug te keren naar mijn leven.
Een leven waarin ik maar weinig rust vond. De last van de wereld rustte voortdurend op mijn schouders.
Dat was de reden waarom ik zoveel tijd in mijn eentje doorbracht; om weg te rennen voor de constante stroom aan emoties van anderen.
Het was onnatuurlijk voor een wolf om de voorkeur te geven aan eenzaamheid. Maar het was sowieso ongebruikelijk voor wie dan ook, wolf of niet, om over de gaven te beschikken die ik had. Deze gaven maakten het moeilijk om de aanwezigheid van wie dan ook te verdragen, laat staan van een hele roedel.
Een lastig gegeven, vooral voor de dochter van een alfa.
"Wat hebben we hier?" Een nasale stem die ik maar al te goed kende, sneed dwars door de stilte heen.
Ik zuchtte teleurgesteld. Mijn vredige rustmoment was verpest.
"Er is hier meer dan genoeg bos, Hardy. Je had overal naartoe kunnen gaan," merkte ik op, terwijl mijn stem kalm en beheerst klonk.
Ik voelde me ontspannen, hier alleen in het bos en ver van de bewoonde gebieden van ons vrij uitgestrekte territorium. In mijn onbewaakte toestand stond ik mezelf toe te doen wat natuurlijk voelde, en daarom was ik niet zo op mijn hoede.
Nu ik werd geconfronteerd met deze twee idioten, Hardy en zijn schaduw, Hagan, moest ik mijn muren snel weer optrekken. Ik wilde niet weten wat deze slappe wolven voelden, maar ik wist zeker dat het weinig goeds was.
"Als je hier niet in je eentje zat als een of andere eenzame freak, hoefde je je misschien geen zorgen te maken over wat wij uitspoken," sneerde hij, alsof het een soort belediging voor me was om alleen te zijn. Hoe kon dat zo zijn als ik er zelf voor koos?
"Winter, de IJskoningin!" treiterde hij. "Zo'n kille bitch dat niemand met haar bevriend wil zijn."
Ik gromde binnensmonds. Ik wist dat hij een reactie probeerde uit te lokken, en ik wilde hem die voldoening niet geven.
Ik stond op met mijn schetsboek in de hand, en drong mezelf langs hen heen.
Ik werd niet geacht leden van de roedel in elkaar te slaan—hoe graag ik dat ook wilde. Mijn vader had die regel ingesteld toen ik nog heel jong was, omdat hij goed in de gaten had dat ik een beetje een heethoofd was. Er stroomde net iets te veel alfawolf door mijn aderen.
Als we niet aan het sparren waren tijdens een officiële roedeltraining, dan werd ik geacht mijn klauwen bij me te houden.
Ik begon door het bos terug naar het roedelhuis te stampen, en deed mijn best om verdere interactie te vermijden. Ik probeerde braaf te zijn en me aan de regels te houden.
Ik deed mijn best om te doen wat mijn vader vroeg, maar Hardy kon het gewoon niet laten. Hij kon de situatie gewoon niet met rust laten.
"Ik hoorde dat je vader gaat aankondigen welke van zijn welpen de volgende leider van de roedel mag worden. Het verbaast me dat het hem zo lang heeft gekost. Iedereen wist dat jij het niet zou worden."
"Het zou Autumn moeten zijn," stemde ik uiteindelijk in. "Autumn zou een geweldige leider zijn. Daar heb ik echt geen problemen mee."
En dat was de waarheid. Autumn was niet alleen twintig minuten ouder dan ik—een feit waaraan ze me maar wat graag herinnerde op momenten dat ze vond dat ik me als een kreng gedroeg—maar mijn zus was ook nog eens aardig, zorgzaam en buitengewoon meelevend.
Ze hield net zoveel van deze roedel als mijn ouders. Ze was sterk, intelligent en onberispelijk getraind. Ze zou een krachtige en effectieve leider zijn.
Ik had geen van de eigenschappen die wel van en luna verwacht werden. Natuurlijk gaf ik om de roedel en ik zou een aanval nooit onbeantwoord laten, maar ik was gewoon niet goed met mensen. Ik had niet het medeleven dat nodig was om in die hoedanigheid te handelen.
Mijn sympathieknop is lang geleden al doorgebrand—het is een van de vele gevaren van empathisch zijn. Je voelt te veel, totdat je er uiteindelijk niet meer om geeft.
Bovendien had een luna haar alfa nodig. En ik had niet de intentie om op zoek te gaan naar mijn partnerpartner.
Het was al zo moeilijk voor me om in de buurt te zijn van mijn familie—degenen van wie ik hield. Ik had geen behoefte of intenties om aan die chaos nog iemand toe te voegen.
Als ik een partnerpartner had, zou ik altijd bij hem in de buurt moeten zijn, en die toekomst zag ik gewoon niet voor me weggelegd.
"Ik hoop dat hij de rol aan je zus geeft. Want als ze niet snel haar partnerpartner vindt, zal ze een kiesritueel houden, en daar ga ik me vol op storten," spotte Hardy.
Ik snoof en rolde met mijn ogen. Alleen al het idee was belachelijk.
Mijn ouders zouden nooit een kiesritueel voor mijn zus organiseren. Mijn vader werd er ooit toe gedwongen, en hoewel hij daardoor mijn moeder had gevonden, had hij spijt van het ritueel vanaf het moment dat hij er mee instemde. Als mijn zus zou kiezen voor een gekozen partnerpartner—dan zou dat op haar voorwaarden zijn.
En niet vanwege een of andere verouderde traditie.
Ik bleef stilstaan, want ik vond het niet prettig waar dit naartoe ging. Ik had mijn gave niet nodig om de feromonen te voelen die van hem afrolden. Ze hingen zwaar en penetrant in de lucht.
Het zorgde ervoor dat ik wilde overgeven—de stank deed mijn maag omdraaien. Ik wilde de regels van mijn vader volgen, echt waar.
Maar als Hardy nog veel verder zou gaan, zou ik niet aarzelen om in te grijpen. Over mij mocht hij zeggen wat hij wilde, dat kon ik wel hebben.
Maar ik zou het niet tolereren dat mijn familie door het slijk werd gehaald. Ze waren letterlijke engelen op aarde, en ik zou hen verdedigen tot mijn allerlaatste ademteug.
"Ik zou maar stoppen nu je nog de kans hebt," waarschuwde ik met op elkaar geklemde kaken.
"Zelfs als ze me niet zou kiezen..." ging hij door en daarmee groef hij zijn eigen graf. "Het enige wat ik echt wil, is één nacht. Eén nacht in dat lieve zusje van je. Ik zou haar onder me hebben, terwijl ze mijn naam schreeuwt..." ging hij verder en draaide suggestief met zijn heupen.
"Haar de nacht van haar leven geven, en dan haar hart breken. Dat zou net zo bevredigend zijn."
Dat was voor mij de druppel. Ik draaide me zo snel om dat hij mijn bewegingen nauwelijks in de gaten had, zodat ik recht voor hem kwam te staan, neus aan neus, terwijl er een snauw aan mijn lippen ontsnapte.
Zijn gezicht vertrok in een grimas toen de pijn zich door zijn kruis verspreidde en ik het zielige apparaat tussen zijn benen veel steviger vastpakte dan ooit de bedoeling was geweest. Hij kreunde van ongemak en greep naar mijn pols in een wanhopige poging om zich los te maken uit mijn greep. Niets van wat hij deed zou echter werken.
Ik zou hem pas laten gaan wanneer ik daar klaar voor was. Tot die tijd was hij overgeleverd aan mijn genade. Hij had dit tenslotte over zichzelf afgeroepen.
"Als je ook maar in de buurt van mijn zus komt met dit slappe excuus voor een pik, dan zal ik er persoonlijk voor zorgen dat die van je wordt verwijderd. Autumn is veel te goed voor iemand zoals jij. Ze bewaart zichzelf voor haar partnerpartner, en als ze hem vindt, zal hij een echte wolf zijn. Denk je nou echt dat mijn vader de alfatitel zou doorgeven aan iemand als jij?" sneerde ik.
"Je maakt nog meer kans om mij in je bed te krijgen, dan dat hij daarmee instemt. En we weten allebei dat de hel nog eerder zou bevriest voordat dat ooit gaat gebeuren."
Ik liet zijn leuter los en hij nam een broodnodige ademteug—hij hapte naar adem alsof ik hem bij zijn nek had gewurgd in plaats van daaronder. Hij greep naar zichzelf en hield zijn geblesseerde kruis voorzichtig vast terwijl hij me aankeek met een hatelijke blik. Een gevoel dat ik tienvoudig beantwoordde.
"Daar ga je spijt van krijgen," gromde hij.
"Kom maar op," daagde ik uit.
"Hagan, pak haar," beval Hardy zijn constante schaduw, de spierkracht achter zijn grote mond, Hagan Ancelm.
Hagan was zo groot als een berg en woog minstens evenveel. Hij was zo traag als een luiaard, maar hij deelde rake klappen uit. Wanneer hij uithaalde en raakte, kon hij de sterkste wolf knock-out slaan.
Niet iets waar ik op zat te wachten terwijl ik me midden in het bos bevond, met wolven die geen greintje respect voor me hadden.
"M-maar... ze is de dochter van de alfa..." aarzelde Hagan, waarmee hij bewees dat hij meer hersens had dan dat ik had verwacht.
"En... wat dan nog?! Je hebt gezien wat ze net bij me deed!" snauwde Hardy.
Hagan slaakte een diepe zucht terwijl hij log op me afstapte. Het was duidelijk dat hij terughoudend was, en daarvoor zou ik hem iets genade verlenen. Ik zou niet mijn volledige kracht op hem loslaten.
Die zou ik bewaren voor zijn kleine vriendje. Hardy stond op het punt om een harde les te leren... alweer. Ik gokte dat sommige wolven het gewoon nooit zouden begrijpen.
Ik knakte met mijn knokkels, rolde met mijn schouders en rekte mijn nek uit. Dit ging leuk worden. Mijn grijns werd onnatuurlijk breed en mijn ogen glinsterden ondeugend voordat ik een uitval deed.
***
Korte tijd later liep ik het bos uit, met mijn schetsboek in de hand. Mijn haar zat in de war en er zat vuil op mijn kleding, maar verder was ik er vrij ongeschonden vanaf gekomen.
"Winter!" riep een vrolijke stem toen ze me vanaf de trap opmerkte.
Mijn tweelingzus, Autumn, kwam enthousiast aanhuppelen. Ze was blij om me te zien. Tenminste, totdat ze mijn toestand in zich opnam. Met haar scherpe blik nam ze me zorgvuldig in zich op.
Ze had in de gaten dat ik iets had uitgevreten, maar ze wist niet precies wat. Ik was van plan een excuus te verzinnen en te beweren dat ik een dutje had gedaan in het bos, of iets van die trant.
Dat leek me geloofwaardig genoeg. Maar even later kwam Hagan achter me tevoorschijn, met een bewusteloze Hardy in zijn armen.
Hij wierp me een hatelijke blik toe, die ik simpelweg van me af liet glijden met een schouderophalen. Hij mompelde iets binnensmonds voordat hij richting het stadje liep, waar hij en Hardy bij hun families verbleven.
"Winter...," berispte Autumn me met haar handen op haar heupen, terwijl ze de uitwisseling gadesloeg. "Wat heb je gedaan?"
"Die gasten zijn klootzakken en verdienden alles wat ze hebben gekregen."
"Je hebt geluk dat iedereen te opgewonden is over Ben die vanavond thuiskomt. Ze zullen waarschijnlijk niet eens merken in welke toestand je thuiskomt als je je naar je kamer haast en je opfrist," moedigde ze me aan, terwijl ze haar arm door de mijne haakte en me de rest van de weg begeleidde.
Autumn had een glimlach op haar gezicht, zonder een greintje zorgen, alsof ze niet zojuist twee volwassen wolven uit het bos had zien komen nadat ik ze een flink pak slaag had gegeven. Soms verbaasde het me hoe verschillend we waren. We mochten dan wel een tweeling zijn, maar qua persoonlijkheid verschilden we als dag en nacht.
Zij was licht en mooi, terwijl ik donker en somber was. De roedel hield van Autumn; ze aanbaden haar. Voor mij waren ze bang.
Niemand van hen zou het hardop zeggen, maar we wisten allemaal dat het waar was. Ik riep het grotendeels over mezelf af, dus ik kon het ze niet kwalijk nemen.
Autumn en ik leken ook niet echt veel op elkaar. We mochten dan wel een tweeling zijn, maar we waren niet eeneiig. Ik was een exacte kopie van onze moeder, op mijn blauwere ogen en donkergrijze haar na.
Verder zat er niet veel van mijn vader in mij. Autumn daarentegen leek sprekend op hem. Als je hem zou klonen en veranderen in een vrouw—dan zou je precies Autumn krijgen.
Haar lange donkere haar had dezelfde melkchocoladekleur, en haar heldere hazelnootkleurige ogen waren een exacte weergave van de zijne.
Aangezien Autumn en ik de oudsten van hun welpen waren, zou de roedel worden overgedragen aan een van ons en onze partner. Mijn ouders hoopten dat we onze partner binnen de roedel zouden vinden. Tot nu toe was dat nog niet gebeurd.
We waren echter pas een paar maanden geleden eenentwintig geworden, en er was een klein groep aan roedelstrijders die al voor die tijd was vertrokken. Inclusief Ben, de zoon van Oom Dillon en Tante Taffy.
Voor de duidelijkheid; ze zijn niet echt onze oom en tante, althans niet qua bloedlijn. Dat was meteen de reden van het enthousiasme over vanavond. Een van onze partner kon zomaar eens bij de terugkerende strijders zitten—het zou zelfs Ben kunnen zijn.
Al gaf die gedachte me meteen de kriebels, en een huivering van walging trok door me heen. Ik kon me amper voorstellen om met Ben te paren. Hij was als een broer voor me.
Al sinds we klein waren, was hij mijn beste vriend, en ik wist niet of ik hem op een andere manier kon zien dan dat. Lange tijd was ik ervanuit gegaan dat Autumn er hetzelfde over dacht, maar toen we zestien waren, onthulde ze dat ze al jaren een oogje op Ben had, en dat dit alleen maar sterker was geworden naarmate we ouder werden.
Ik wist zeker dat dit een van de redenen was waarom ze zo uitkeek naar het welkomstdiner van vanavond. Ze hoopte dat Ben haar partner was. En ik duimde voor haar.
Ben was een goede man, en hij zou een goede partner zijn. Ik kon erop vertrouwen dat hij haar zou beschermen en voor haar zou zorgen zoals het hoorde. Als het Ben niet was, dan hoopte ik dat het een andere strijder was die net zo waardig was.
En ik hoopte wanhopig dat mijn eigen partner zich niet onder de groep bevond.















































