
Zwart vuur
Auteur
Elena Ayre
Lezers
456K
Hoofdstukken
37
Hoofdstuk 1
JULIETTE
Druppels helderrood bloed sijpelden door het streepje zonlicht naar beneden. Ze vormden een grote donkerrode plas die aan mijn voeten schitterde als een gescheurd stukje fluwelen stof.
Ik bukte me. Het was bloed – dik rood bloed – en het was vers.
Ik had me onder een grote dennenboom verscholen terwijl een luid onweer de lucht deed trillen. Maar nu was de lucht stil en roerloos.
Mist steeg op van de vochtige grond als glanzende sluiers. De laatste waterdruppels gleden van de zijdezachte natte bladeren. Ik liep onder mijn schuilplaats vandaan en keek omhoog.
Door de dikke gebogen takken van de enorme boom zag ik iets – iets van een andere kleur en textuur. Het was geen deel van de boom zelf. Het was iets anders, iets...
Ik liep eromheen en rekte mijn nek om beter te kunnen zien. De zon scheen in mijn ogen, maar niet voor ik had gezien wat het was.
Het was een mens, vastgebonden aan de boomstam, als een offer klaar om door gieren te worden gegrepen.
Meteen gealarmeerd riep ik naar boven: “Hallo!”
Mijn stem blies mee met de wind en het dansende licht.
“Hallo!” riep ik opnieuw, met mijn handen rond mijn mond.
Het enige antwoord dat ik kreeg, was de luide kreet van een vogel en het gewapper van vleugels.
Maar hoe beter ik keek, hoe zekerder ik werd van wat ik had gezien.
Ik moest iets doen.
Ik legde mijn tas en mijn tekenblok op de grond, haalde een klein mes uit mijn riem, sloeg mijn armen om de boom en duwde het lemmet in de dikke schors. Ik trok mezelf omhoog en begon te klimmen.
Hoe hoger ik klom, hoe duidelijker het werd.
Het was een man, strak vastgebonden met dik touw. Ik kon niet zien of hij nog leefde of al dood was.
Ik klom naar de tak het dichtst bij waar hij aan vastzat en riep naar hem.
“Kun je me horen? Mijn naam is Juliette. Ik ben hier om je te helpen.”
Geen antwoord. Ik was bang dat hij dood was.
Zijn hele bovenlichaam en benen waren zo strak vastgebonden dat ik het half opgedroogde bloed uit zijn huid zag sijpelen. Zijn hoofd was opzij gevallen en zijn ogen waren gesloten.
Ik reikte naar hem uit en legde mijn vingers in zijn nek. Ik voelde een hartslag – langzaam, maar sterk.
“Kun je me horen?” vroeg ik. “Je leeft nog. Kun je me horen?”
Ik zag zijn mond een schokje geven.
“Ik ga je naar beneden halen,” zei ik. “Ik zal de touwen met mijn mes doorsnijden en je bevrijden.”
Ik bekeek hem eens goed. Zijn lichaam was lang en zijn schouders waren breed en gespierd, met veel diepe littekens.
Hij zag er sterk en krachtig uit. Zelfs met de dikke touwen die diep in hem sneden, had het me niet verbaasd als hij zich plotseling zou bevrijden.
Hij had een dikke, donkere stoppelbaard op zijn kaak, en zijn gezicht was sterk en hoekig. Het straalde een rauwe kracht uit, met een harde blik die liet zien dat hij pijn kon verdragen als een krijger.
Hij was een beest van een man, en hoewel ik had besloten dat hij van het krijgersvolk was – dat hij de vijand was –voelde ik me sterk tot hem aangetrokken.
Ik schudde deze gedachten van me af toen zijn ademhaling zwaarder werd.
Hij had niet veel tijd meer. Ik moest nu handelen.
Met mijn mes begon ik het touw rond zijn polsen door te snijden. Als ik zijn handen kon bevrijden, kon hij zichzelf misschien behelpen terwijl ik de rest van hem losmaakte.
Het touw was strak rond hem gespannen – wie het ook had vastgebonden, had geen genade getoond. Langzaam begonnen de touwen los te vallen.
Ik zat in een lastige positie om vanuit te werken. Zweetdruppels begonnen op mijn voorhoofd te parelen en mijn armen begonnen pijn te doen. Ik stopte niet om even te rusten, want hoe meer vrijheid ik hem gaf, hoe meer zijn stervende geest leek terug te keren.
“Ben je gekomen om me af te maken?” Zijn stem was laag en spottend.
“Nee. Ik ben gekomen om je los te snijden. Maar we zitten heel hoog. Hoeveel kracht heb je nog?”
“De kracht van duizend mannen,” antwoordde hij terwijl een zwakke glimlach op zijn lippen verscheen.
“Misschien als je gezond bent, heb je zulke kracht – maar op dit moment ben je zwak.”
Hij kromp ineen bij mijn woorden ,en plotseling greep hij met de hand die ik net bevrijd had mijn pols vast.
Ik schrok zo hard dat ik het mes liet vallen.
Wanhopig probeerde ik het met mijn andere hand te vangen, maar ik kon er niet meer bij.
Het enige wat ik zag was de glans van het lemmet in het zonlicht terwijl het naar de grond van het bos tuimelde.
“Ik heb mijn mes laten vallen,” riep ik uit. “Nu moet ik weer naar beneden klimmen om het te halen!”
Met meer kracht dan hij had moeten hebben gezien de omstandigheden, trok hij mijn pols naar zich toe en legde die laag op zijn linkerdij.
“Wat doe je?” wierp ik tegen. “Probeer je van me hier naar beneden te gooien? Ik ben je vijand niet. Als je me als zo behandelt, zul je geen schijn van kans maken om het te overleven!”
Mijn handpalm lag plat gespreid over de strakke spieren van zijn dij. Hij hield hem stevig vast. Mijn benen klampten zich verwoed aan de tak vast die me ondersteunde.
Ik was in de war – ik wist niet wat hij deed. Als hij me bleef proberen te domineren met zijn kracht, dan zat ik in de problemen.
“Leg je hand aan de binnenkant,” zei hij met een lage, hese stem. “Ik heb een mes. Haal het uit me en snijd me los.”
“Maar...”
Zijn ogen waren nu wijd open. Ze waren zwart als middernacht, maar brandden met een wild vuur vanbinnen.
Hij leidde mijn hand verder naar de binnenkant van zijn dij. De hitte van zijn huid brandde op mijn handpalm terwijl mijn vinger de vorm van zijn binnenste dijspieren volgde, voor hij over het leer dat zijn kruis bedekte streek.
Ik voelde een belachelijk gevoel van schaamte door me heen branden.
Ik had nog nooit een man op zo’n intieme plek aangeraakt. Maar zijn ogen waren ongestoord door mijn bewegingen. Hij staarde zo diep in mijn ogen dat ze me vertelden te doen wat zijn lichaam me liet zien.
Aan de andere kant van zijn kruis, op het binnenste deel van zijn dij, voelde ik iets dat geen vlees en bot was. Ik trok een verward gezicht terwijl mijn vingers erover streken.
“Is het...?” fluisterde ik.
“Ja,” zei hij ademloos. “Haal het eruit.”
Onze blikken kruisten. In de zijne zat een ijzeren kracht – in de mijne angst.
Het mes zat in een leren schede. Ik haalde diep adem, sloeg mijn vingers om het handvat en begon te trekken.
Plotseling greep zijn hand de mijne stevig vast.
“Langzaam,” zei hij met een ruwe stem. “Wees heel voorzichtig.”
Ik haalde mijn blik weg van de zijne en trok het mes langzaam uit hem.
“Begin met mijn benen,” zei hij.
Ik haakte mijn benen om de tak van de boom en draaide mezelf onder de tak zodat ik ondersteboven hing. Nu kon ik bij het touw op zijn benen.
Met zijn bevrijde handen hield hij mijn schouders vast zodat mijn benen het konden volhouden. Zonder zijn kracht om me vast te houden en te stabiliseren, denk ik niet dat ik het had kunnen doen.
“Gaat het?” vroeg ik, terwijl ik halverwege even op adem kwam.
“Het kietelt gewoon een beetje, maar het is een leuke afleiding,” zei hij.
“Kietelt?”
“Je haar – de manier waarop het over mijn voeten valt. Het is afleidend.”
Zijn ademhaling was zwaar, maar er zat een glimlach in zijn ogen.
“Ah,” zei ik. “Maar praat niet meer. Je hebt al je kracht nodig voor wat hierna komt.”
Zodra zijn benen vrij waren, slaagde hij erin ze om de stam te slaan en deels zijn eigen gewicht te ondersteunen.
Ik trok mezelf terug op de boomtak en riep naar beneden naar hem.
“Kun je deze tak bereiken? Als je je eraan vast kunt houden wanneer ik het touw op je borst doorsnijd, kun je jezelf misschien omhoog trekken.”
Ik kon niet geloven dat ik hem dit vroeg, maar hij leek nog steeds zo sterk na aan een boom te zijn vastgebonden voor God wist hoe lang. Hij moest inderdaad de kracht van duizend mannen hebben.
Hij rekte zijn nek omhoog en hief zijn lange armen op.
Licht schitterde op zijn natte, met bloed bedekte huid en tekende zijn spieren duidelijk af. Zijn handen waren breed en hoekig. Zijn vingers waren lang terwijl ze naar boven reikten – maar het was niet genoeg om de tak te grijpen.
Ik reikte naar beneden en greep zijn hand in de mijne. Ik probeerde hem verder omhoog te trekken, maar het had geen zin – hij kon er niet bij.
Plotseling viel zijn lichaam voorover, en ik voelde mijn hart zich vullen met angst.
Hij werd zwakker. Hoeveel adem had hij nog in zijn borst? Hoeveel meer kon hij nog verdragen?
Onder het touw zag ik een dun streepje donkerrood bloed naar beneden druppelen.
“We moeten je naar beneden krijgen,” riep ik uit. Maar diep vanbinnen was ik bang dat hij de val niet zou overleven.
Mijn hoofd tolde. Misschien als ik naar beneden klom en een hoge stapel bladeren onder de boom legde? Misschien als ik zo snel mogelijk rende om hulp te halen? Misschien...
Maar elk mogelijk scenario mondde uit in dezelfde conclusie. Ik had niet genoeg tijd.
“Snijd me los,” zei hij. “Doe het nu.”
Zijn stem was gevaarlijk laag. Zijn adem was ruw en oppervlakkig.
“Maar...”
“Doe het nu!” brulde hij.
Toen viel zijn hoofd voorover, alsof hij zich overgaf aan de dood.











































