
Terug in de duisternis
Auteur
Delta Winters
Lezers
948K
Hoofdstukken
31
Hoofdstuk 1: Niet alle mannen zijn hetzelfde
Belle Rose
„Hé knapperd, je hebt lunch voor me gebracht. Wat dacht je ervan als ik jou trakteer op een diner?“ zegt de klant tegen me. Hij probeert charmant te zijn. Zijn vieze hand reikt uit om de mijne aan te raken.
Ik pers er een beleefde glimlach uit. Zijn trotse grijns en foute praatjes geven me de kriebels. Maar fooien zijn erg belangrijk voor me. Daarom trek ik mijn hand weg en doe alsof ik die nodig heb om mijn dienblad vast te houden.
„Dat is aardig van u, maar ik heb al plannen om te eten met mijn vriend,“ zeg ik, terwijl ik zijn tafel afruim.
Ik schenk hem nog een vriendelijke glimlach voordat ik terug naar de keuken loop. Mijn armen zijn vol met vuile borden en lege glazen.
Plotseling voel ik een klap op mijn reet. Ik spreek de klootzak die het deed niet aan. Ik loop snel weg, als een bang muisje.
„Hé, Baby Belle, ben je oké? Je ziet er geschrokken uit,“ zegt Jeremy, de zoon van de baas. Hij trekt me tegen zich aan en slaat zijn arm om mijn schouders.
Hij werkt al zeven jaar in dit restaurant en is van plan de zaak binnenkort over te nemen. Het is maar goed dat we het samen kunnen vinden.
Ik ben maar één meter vijftig lang, dus de meeste mensen torenen hoog boven me uit. Maar de vriendelijke houding van Jeremy maakt hem minder intimiderend.
„Het is niets, J,“ mompel ik. Ik kijk hem geruststellend aan voordat ik onder zijn arm vandaan stap. Ik loop de keuken in en zet mijn borden in de gootsteen. Ik leun voorover en houd de randen stevig vast. Ik probeer rustig te ademen tegen de opkomende paniek.
„Belle, lieverd, kun jij morgen mijn avonddienst overnemen?“ vraagt een vrouwenstem. Ze komt achter me staan en leunt tegen het aanrecht.
„Morgenavond?“ vraag ik. Ik kijk bedachtzaam en probeer in mijn hoofd mijn bijna lege planning aan te passen.
„Ja, het is dan meestal rustig en er staat maar één andere collega. Ik dacht dat jij me misschien kon helpen? Je mag de fooien houden, maar Harry heeft echt iemand nodig.“
Ze geeft me een neppe, smekende lach met puppyogen, maar ik trap er niet in.
Toch ga ik akkoord, want ik zit diep in de schulden en kan de huur van mijn oude appartementje amper betalen.
New York is duur. Zonder middelbareschooldiploma of andere papieren is mijn kans op een goedbetaalde baan erg klein.
Dit is de beste baan die ik kan krijgen, en nog steeds kom ik maar net rond.
„Natuurlijk, maak je geen zorgen,“ zeg ik tegen haar. Ik vecht tegen de neiging om met mijn ogen te rollen om haar neppe lach.
„Bedankt, schat. Ik ga er vandoor, tot later.“ Ze gooit haar blonde haar naar achteren. Een pluk haar landt recht in mijn open mond. Ik spuug het snel uit als ze niet kijkt.
„Gadver,“ mompel ik. Ik breng mijn eigen bruine haar weer in model en strijk mijn schort glad. Dan loop ik weer naar voren om op te ruimen.
Jeremy is de zaak aan het afsluiten. Een paar van ons zijn nog binnen. Hij zit aan een van de tafels en telt de dollarbiljetten uit de kassa.
Hij zucht, laat zijn hoofd in zijn hand rusten en wrijft over zijn gezicht.
„Gaat het?“ Hij kijkt op. Zijn gezicht klaart op en hij wenkt me om bij hem te komen zitten.
„Nergens naartoe, Baby Belle?“ plaagt hij. Hij leunt dichter naar me toe en gooit de geldkist dicht.
„Hoe langer ik wegblijf uit mijn appartement, hoe beter,“ antwoord ik met een lach. Ik friemel aan mijn vingers terwijl ik achterover leun in mijn stoel.
„Hoezo dat?“
„De leidingen maken rare geluiden. De waterdruk is verschrikkelijk. Mijn matras zit vol uitstekende veren. De lichten gaan pas aan als ik de knop drie keer indruk. Er zijn heel veel redenen,“ leg ik uit. Ik lach als ik de geschokte blik op zijn gezicht zie. „Sorry. Ik moet maar eens naar huis gaan. Het wordt al laat.“
„Ja, Belle, ik kan wel met je meelopen als je wilt. Je zou op dit uur niet alleen over straat moeten lopen,“ biedt hij aan met een warme glimlach. „Ik kan zelf ook wel wat frisse lucht gebruiken. We hebben wat financiële problemen.“
„Echt waar? Maar we hebben hier toch zo veel klanten,“ zeg ik verrast. Ik dacht dat de zaak goed liep.
„Ja, dat klopt wel. Maar we hebben ook andere kosten,“ zegt hij zachtjes. Hij pakt zijn jas onder de lichtblauwe balie vandaan en legt een hand op mijn onderrug.
Hij leidt me naar buiten en doet de deur achter ons op slot. We lopen samen over de stoep. Hij houdt me dicht aan zijn zijde.
Twee mannen fluiten naar me en knipogen. Ik rol met mijn ogen en loop verder bij hen vandaan op de stoep.
„Jij krijgt vast vaak van die blikken van mannen.“
„Soms wel, denk ik. Maar mannen blijven mannen,“ zeg ik schouderophalend.
„Tja, je hebt dan ook prachtige blauwe ogen. Maar niet alle mannen zijn hetzelfde,“ zegt hij. Hij stopt voor mijn gebouw en kijkt omlaag naar me. Ik kijk verlegen naar de grond. Dan tilt hij mijn kin op met zijn vinger, zodat we elkaar aankijken. „Heb je een vriendje, Baby Belle?“
„Nee,“ fluister ik.
„Mooi zo,“ zegt hij. Hij buigt voorover om me te kussen. Het is een zachte, voorzichtige kus. Hij probeert het intiemer te maken. Maar ik trek me terug met grote ogen. Ik heb wel eens vaker gekust, maar nooit iets serieus. „Het spijt me. Deed ik iets verkeerd?“
„N-nee. Ik was gewoon... verrast, dat is alles,“ stotter ik. Zijn handen rusten nog steeds op mijn taille. Hij houdt zijn hoofd schuin van verwarring.
„Ik had niet verwacht dat het je zou verrassen, maar ik vind je leuk,“ geeft J toe. Hij knijpt zachtjes in mijn taille. Ik blijf verbijsterd staan. Ik had nooit echt over ons nagedacht op die manier, maar misschien had ik dat wel moeten doen. Ik vind hem leuk als vriend, maar misschien zou er meer in kunnen zitten. Ik ben alleen zo kwetsbaar. Ik ben bang om me open te stellen en met iemand samen te zijn. Ik heb moeite met vertrouwen. Hoewel J een heel aardige vent is, ben ik toch op mijn hoede. Moet je juist niet oppassen voor de aardige mannen? „Belle?“
„Ik... ik weet niet zo goed wat ik moet zeggen,“ geef ik toe, even zonder woorden.
„Zou je met mij op date willen gaan?“ Zijn ogen staan hoopvol. Hij verplaatst zijn handen van mijn taille en pakt mijn handen vast.
„Oké, is goed,“ stem ik in. Zijn gezicht begint te stralen. Hij drukt een vrolijke kus op mijn wang en neemt dan afscheid.
Ik kijk hem na. Ik zak langzaam onderuit tegen de muur van mijn gebouw en trek mijn knieën op tot mijn borst. J is een goede vent, misschien wel een goed vriendje, maar ik weet niet of ik daar al klaar voor ben.
Ik ben twintig en heb nog nooit een vriendje gehad. Daar zijn redenen voor, en misschien moet ik daar nu goed aan denken.
Maar het is maar een date. Eén date. Aan de andere kant is hij wel mijn baas. Als het misgaat, kan de sfeer op werk behoorlijk ongemakkelijk worden.
Misschien had ik beter nee kunnen zeggen. Maar dat had de situatie evengoed vreemd kunnen maken.
Misschien had ik meer afstand moeten houden. Dan had hij niet de kans gekregen om me mee uit te vragen. Ik had zijn aanbod om me thuis te brengen moeten afslaan, of ik had gewoon met de rest mee naar huis moeten gaan.
Maar de vader van J, de eigenaar, betaalt me extra voor mijn overuren. Bovendien hebben J en zijn vader veel voor mij gedaan.
Ik rommel met mijn sleutels. Ik probeer mijn voordeur open te maken, maar het slot stribbelt zoals gewoonlijk weer tegen.
„Hé, schatje,“ groet Steve me. Mijn enge buurman leunt in zijn deuropening en bekijkt me van top tot teen.
„Hoi, Steve,“ antwoord ik beleefd. Ik steek mijn sleutel weer in het slot. Ik hoop dat het deze keer wel lukt. Ik focus me op de deur, haal diep adem en bid dat de deur eindelijk opengaat. Ineens voel ik twee armen van achteren om me heen slaan. Hij drukt me strak tegen de deur. Zijn borstkas duwt tegen mijn rug en zijn lichaam perst zich tegen me aan. Hij pakt mijn hand met de sleutel vast en draait de deur van het slot. Hij gebruikt me als een pop.
De deur zwaait open. Hij duwt me naar binnen. Hij loopt achter me aan en schopt de deur dicht. Zijn handen grijpen mijn heupen vast en hij duwt me achteruit tegen een muur.
De geur van rook vult mijn neus. Ik kronkel tegen hem in en probeer hem wanhopig van me af te duwen.
„Alsjeblieft, stop.“ Hij bevriest, maar hij drukt me nog steeds tegen de muur. Hij kijkt met een gemene grijns op me neer. Zijn hand grijpt mijn nek beet. Hij trekt mijn hoofd naar achteren zodat het tegen de muur klapt. Mijn mond gaat open voor een hap lucht en hij pakt zijn kans om zijn tong naar binnen te duwen. Hij pint me met zijn lichaam vast tegen de muur. Ik vecht tegen hem, mijn adem komt in korte en paniekerige teugen, terwijl hij mijn gejammer smoort met zijn mond. Eindelijk trekt hij zich terug en vertrekt, maar niet voordat hij me nog één laatste grijns en knipoog geeft.
Ik glijd langs de muur naar beneden en val op de vloer. Ik haat dit machteloze gevoel. Waarom ben ik zo'n makkelijke prooi? Ik wil gewoon met rust gelaten worden, ik wil alles gewoon vergeten.
Maar dat lijkt altijd onmogelijk te zijn.









































