
Een heks in de tijd
Auteur
Cherry Redwood
Lezers
15,3K
Hoofdstukken
56
Hoofdstuk 1
"Wacht... wacht even."
Het klonk als een vrouw die sprak, een eindje verderop.
Alles was zwart. Mijn hoofd bonkte.
"Ze het anders even neer—"
Een mannenstem, al even ver weg.
"Nee! Het gaat wel!" riep de vrouw geïrriteerd.
Alles voelde zo zwaar. Ik kon me niet bewegen.
"Lan, ik zei toch dat ik het zelf wel kan dragen—"
"Kop dicht, Kai."
Schuifelende geluiden. Knarsende steentjes. Gekreun.
Ik kon mijn gezicht al iets beter voelen dan daarnet. Ik lag op mijn buik, met mijn wang tegen iets hards en korreligs gedrukt. De lucht was vochtig.
"Daar. Nog een paar meter," zei de vrouw.
Een harde plof.
"Wat is dit eigenlijk?" vroeg hij.
"Au!" riep de vrouw uit. "Shit, dat deed pijn."
"Sorry."
Ze ademde luidruchtig uit en ik kon me vaag een voorstelling van haar maken, al wrijvend over een pijnlijke hand of een verzwikte enkel testend.
"Het is een duivenhok," zei ze.
Een zacht gesnuif.
"Wat?" vroeg ze dwingend.
"Nou, het is gewoon dat, als mensen het over Valentijnscadeautjes hebben...," zei de man met een lach in zijn stem.
"Ja, ja, ja. We hebben het hier over Cami."
"Als het aan mij zou..."
"Kop dicht, Kai."
Voetstappen. Het geluid van iets zwaars dat over de ruwe grond sleepte.
"Zo is het beter," zei hij. "Op één lijn met de schoorsteen."
Mijn hoofd tolde. Ik probeerde mijn ogen te openen, maar mijn oogleden waren loodzwaar en dubbel zo koud. De ruwe grond sneed in mijn wang en onttrok de weinige warmte die mijn lichaam nog vasthield.
Een gil.
"Wat is er?" vroeg hij geschrokken.
"O mijn god. O, verdomme, Kai."
"Wat?"
"Er ligt hier een lichaam."
De vrouw was nu dichterbij.
Voorzichtig geschuifel. Een hap naar adem.
"Wat de fuck," zei hij.
Ik moest echt mijn ogen opendoen.
Ze klonken niet gevaarlijk, maar plotseling gingen alle alarmbellen in me af. Ze hadden me ontdekt en ik kon niet ontsnappen.
Een gil. "Ze bewoog!"
Ik kon nu mijn hele lichaam voelen. Ik lag op een uiterst oncomfortabel en ruw oppervlak, minuscule steentjes prikten tegen elke centimeter van mijn lichaam. Het voelde alsof ik geen kleding aanhad.
O, fuck.
Ik ben naakt. Hemel help me.
Hoe ben ik hier terechtgekomen? Waar ben ik?
"Raak haar niet aan," zei de vrouw scherp.
"Ze heeft hulp nodig."
"Oké, nou, dan bel ik één-één-twee."
Dat zei me niets. Wat was ‘één-één-twee’? Waarom belde ze? Voor hulp voor mij, nam ik aan, afgaande op wat de man had gezegd.
Ik wist mijn hoofd een beetje te draaien en drukte met de weinige kracht die ik nog had tegen de grond, in een poging op mijn zij te draaien. Kleine, scherpe steentjes sneden in mijn handpalmen.
"Ho, rustig aan," zei de man. Zijn stem was diep en had een lage klank die kalmerend aanvoelde.
"Eh," bracht ik uit, terwijl ik opnieuw probeerde mijn ogen open te doen.
Een wilde paniek overviel me, zo elektrisch als een bliksemschicht. Mijn lichaam beefde ervan.
"Ze wordt wakker," zei hij.
"Ik ben op het dak van een gebouw. Het is Powell Street 3554, in North Beach," zei de vrouw. "Er is hier een lijk—"
"Lan, ze leeft nog, ze is geen lijk!"
"Ik bedoel, er ligt hier een vrouw, ze is buiten bewustzijn—"
"Ze wordt wakker."
Een deel van de paniek zakte ver genoeg weg om mijn spieren te laten ontspannen.
"Ze was bewusteloos, maar is wakker aan het worden," zei de vrouw.
Ik opende mijn ogen op een kiertje en probeerde om me heen te kijken, maar ik lag nog bijna helemaal op mijn buik, nadat mijn poging om op mijn zij te rollen was mislukt.
De angst laaide weer op.
Dit was fout. Dit was zo fout.
"Ben je gewond?" vroeg de man aan me. Toen zei hij tegen de vrouw: "We hebben een deken nodig!"
Ik voelde hoe iets warms en zachts me bedekte.
"Ze zeggen dat we haar niet mogen verplaatsen," zei de vrouw.
"Ik dek haar toe, ik verplaats haar niet."
"Eh," kreeg ik weer over mijn lippen. Mijn keel voelde ontzettend droog aan.
Waar ben ik? Hoe ben ik hier gekomen?
Wat is er gebeurd?
"Ja, ik blijf aan de telefoon."
Aan de telefoon?
Telefoon… Was hier een telefoon?
Ik bekeek mijn omgeving nu met samengeknepen ogen en het leek erop dat ik op het dak van een gebouw lag. De ondergrond onder me voelde ruw en korrelig aan, maar onder de stenen was het ook heel vreemd. Ik had nog nooit zoiets gezien. Het leek wel van was.
Deze plek! Ik herkende het, alsof de omgeving me bekend was, maar toch anders op een manier die ik nauwelijks kon definiëren.
De man liep weg.
Ik tuurde naar links. Er stonden grote plantenbakken waar groen uit groeide. Eindelijk lukte het me om op mijn zij te rollen en beter zicht te krijgen. De twee mensen hadden me niet eerder gezien, omdat ik achter een grote plantenbak met meerdere niveaus lag. Er groeiden allerlei soorten bladeren uit.
Ik had nog nooit zoiets gezien in mijn leven.
Mijn hart bonkte in mijn keel.
De lucht boven me was witgrijs. Ik sloot mijn ogen ertegen, en het voelde onprettig om ze weer te openen.
"Ze is omgerold," zei de man toen hij terugkwam.
Ik deed mijn ogen open om naar hem te kijken.
Hij was een grote man, breed, maar niet dik. Misschien maar een paar jaar ouder dan ik. Hij had een verzorgde baard en donker haar dat tot op zijn schouders reikte, met opgetrokken wenkbrauwen boven donkere ogen die me aan Chinatown deden denken.
Op de een of andere manier stelde zijn aanblik me gerust.
"Hé," zei hij tegen mij. Zijn ogen stonden vrolijk toen hij op me neerkeek. "Zware nacht gehad?"
Ik probeerde mijn keel te schrapen, maar het was tevergeefs.
"Ze is wakker, maar ze praat niet," hoorde ik de vrouw zeggen.
Hij keek kort naar haar en toen weer naar mij. "Maak je geen zorgen. De ambulance is er over een paar minuten."
Wat is in hemelsnaam een ambulance?
"Ik wou dat ik mijn waterfles bij me had," zei hij tegen de vrouw. Ze kwam in mijn blikveld en keek op me neer. Ze hield iets kleins en plats tegen de zijkant van haar hoofd.
Ze was knap, met lang donker haar en dezelfde ogen als hij. Ze hadden allebei een goudbruine huid en hoge jukbeenderen. Ze moesten wel familie zijn, want ze leken veel op elkaar.
"Ik ben Kai," zei hij tegen me. "Dit is Lan. Nou ja, Alani."
Alani fronste toen ze naar me keek. "Denk je dat ze een overdosis heeft genomen?"
Kai keek haar onzeker aan. "Misschien."
Ze hurkte neer, pakte mijn pols en tilde mijn arm op. "Geen spuitplekken op haar arm."
"Het kunnen ook pillen zijn," zei Kai.
Op dat moment zag ik dat er een of ander kledingstuk over me heen was gedrapeerd. Ze tilde het op om naar mijn lichaam te bekijken, wat verontrustend was, maar ik had geen andere keuze dan haar onderzoek toe te staan.
"Helemaal geen sporen op haar lichaam."
"Wil je dat ik je help om de jas aan te trekken?" vroeg Kai me.
Ik knikte—wat mijn bonkende hoofdpijn niet ten goede kwam—terwijl hij me hielp rechtop te zitten en de mouwen, die wijd en lang waren, over mijn armen te trekken.
Toen deed hij iets heel verrassends: hij legde de flappen aan de voorkant van het kledingstuk tegen elkaar en met een alarmerend, zoemend geluid voegde hij ze samen, terwijl hij met zijn hand langs de randen omhoog streek.
"O," bracht ik uit.
"Hoe heet je?" vroeg hij terwijl hij me met één arm vasthield.
Ik deed mijn mond open om antwoord te geven.
Toen besefte ik het.
Ik had geen flauw idee.








































