
Ren niet weg
Auteur
Sofia Landeiro
Lezers
2,6M
Hoofdstukken
45
Hoofdstuk 1
MAYA
De adem die ik uitblaas, vormt kleine wolkjes in de koude lucht als ik uit de bus stap. Het is voor de lente behoorlijk fris.
Ik houd de band van mijn rugzak stevig vast terwijl ik hem over mijn schouder gooi. Er stapt hier niemand anders uit, wat mooi meegenomen is. Zo kan ik makkelijker in de gaten houden of iemand me volgt.
Ik kijk om me heen. Het bord in het midden van het busstation is in het schemerige licht van de late middag nauwelijks te zien.
Old Bern. Dit zal moeten volstaan.
Het is een klein stadje, kleiner dan ik had verwacht. Het station is niet meer dan een bushalte met een piepklein ticketkantoor en wat bankjes. Voor me ligt een grote weg, met huizen aan weerszijden en een donker bos eromheen.
Er loopt een jonge vrouw met een klein kind langs me heen. Ze kijkt me verbaasd aan en ze trekt haar kind dichter tegen zich aan terwijl ze er snel vandoor gaat.
Nieuwe gezichten wekken altijd achterdocht op, maar als ik me gedeisd houd, dan zullen ze me snel vergeten. Ik denk aan mijn regels terwijl ik richting het stadscentrum begin te lopen.
Blijf in beweging. Maak geen vrienden.
Ik ben nu al twee jaar aan het reizen en het valt me nog steeds zwaar. Constant over mijn schouder kijken om te zien of niemand me volgt, me afvragen of ik iemand kan vertrouwen, het put me uit.
Maar na Toronto moet ik voorzichtiger zijn dan ooit. Ze mogen niet meer zo dichtbij komen. Mijn leven hangt ervan af.
Ik moet eerst een motel of iets dergelijks vinden. Een plek waar ze contant geld accepteren en geen vragen stellen als ik er 's nachts vandoor ga.
Aan de rand van een plein met stenen straten sta ik stil. Winkels kijken over het grote grasveld in het midden uit, met een grote fontein als blikvanger. Hun grote etalages zijn donker, ze zijn al dicht voor de nacht.
Misschien kan ik morgen in een van die winkels werk vinden. Ik heb geld nodig. Vanavond wil ik alleen maar in een bed slapen en hopen dat ik geen nachtmerries krijg.
Ik sta stil om de mooie bloembedden rond de fontein te bekijken en reik naar voren om een tulp aan te raken als ik het gevoel krijg dat iemand me in de gaten houdt.
Ik draai me snel om, maar ik zie niemand. Toch voel ik me bekeken. Een golf van angst overspoelt me terwijl ik de donkere steegjes tussen de winkels afspeur.
Ze kunnen me toch nog niet op het spoor zijn? Ik ben drie keer van bus gewisseld. Ik heb alles gedaan om mijn bestemming te verbergen. Het zou onmogelijk moeten zijn.
Ik probeer het van me af te zetten, terwijl ik snel het plein oversteek, door een smal steegje loop en er aan de andere kant uitkom. Ik verplaats mijn rugzak naar mijn andere schouder terwijl ik naar een schuilplaats zoek.
Ik moet een menigte of een gebouw vinden. Zo in het open veld staan is niet veilig.
Ik kreun zachtjes terwijl ik mijn tas verplaats. Ik ben stijf en ik heb dringend behoefte aan een lange, hete douche. Ik heb zes uur in die bus gezeten. Niemand voelt zich goed na zo'n lange busreis, maar ik heb nog steeds geen borden gezien voor een motel of iets dergelijks.
Ben ik in zo'n gat beland dat ze niet eens mogelijkheden voor een overnachting hebben?
Ik sta op het punt om rechtsomkeert te maken als ik een bord zie.
Café en bar. Oké, een biertje bij mijn muffin? Wat een vreemde combinatie, maar wie ben ik om te oordelen?
De zon gaat al onder, het wordt snel kouder en mijn maag knort hard. Ik hoor muziek uit het gebouw aan de overkant komen. Dat is waarschijnlijk een goed teken dat er mensen zijn.
Ik kan daar even stoppen, opwarmen en wie me ook volgt afschudden. Misschien kan ik een medewerker vragen waar het dichtstbijzijnde motel is.
Ik steek mijn hand in mijn zak en haal mijn laatste geld tevoorschijn, en tel het snel.
Vijftig dollar. Dat zou genoeg moeten zijn voor wat eten, een biertje en hopelijk een of twee nachten in een goedkoop motel.
Ik pak de houten deurklink vast. Hij kraakt als ik hem open. Ik hoor gelach en het gerinkel van glazen als ik de warme ruimte binnenstap.
Het is geen grote zaak, maar het voelt erg gezellig aan. Er lopen grote houten balken van de ene kant naar de andere kant over het plafond. De muren zijn donkergroen en er hangen overal ingelijste foto's.
Er staan grote planten in potten in de hoeken en er hangen gele gordijnen voor de ramen. Er staan een paar kleine tafeltjes met stoelen aan mijn linkerkant en er is een lange houten bar aan mijn rechterkant.
Vooraan bij de bar staat een grote glazen vitrine vol gebak. Erachter staan rijen flessen met drank en een grote koffiemachine. Het is de vreemdste combinatie die ik in een lange tijd heb gezien.
Sommige mensen drinken bier, terwijl anderen bij warme dranken en bordjes koekjes zitten te kletsen. Aan een van de tafels hebben twee grote kerels een stapel lege shotglaasjes voor zich staan en een bord met half opgegeten cheesecake.
De deur slaat hard achter me dicht en iedereen draait zich om. Ik slik als alle ogen op mij gericht zijn. Ik ga rechtop staan en loop naar de bar, terwijl ik voel dat alle ogen me volgen.
Jeetje, hebben ze nog nooit een nieuw gezicht gezien?
Ik zet mijn rugzak voor een van de barkrukken neer voordat ik ga zitten. Ik hoef me niet om te draaien om te weten dat ze nog steeds naar me kijken, maar ik vergeet hen als de barvrouw naar me toe komt.
Ze is beeldschoon. Ze heeft felrood haar en groene ogen. Ze is lang en draagt een strakke zwarte top en een spijkerbroek met gaten.
Ik knipper met mijn ogen en schud mijn hoofd als ik besef dat ze iets tegen me heeft gezegd.
'Uhm... wat?' Mijn stem klinkt schor en ik schraap mijn keel, me stom voelend dat ik klink alsof ik niet kan praten. 'Sorry, wat zei je?'
Ze lacht en haar ogen twinkelen.
'Wat kan ik voor je inschenken?' vraagt ze opgewekt.
'Ah, oké.' Ik kijk achter haar en dan naar de glazen vitrine. 'Een biertje... en een bosbessenmuffin?'
'Komt eraan!'
Ze draait zich om, haalt een koud biertje uit de koelkast en opent hem voordat ze hem op de bar voor me neerzet. Er komt schuim uit de bovenkant, dat langs de zijkant naar beneden loopt, en ik pak hem snel op, lik de koude vloeistof eraf voordat ik een slok neem.
Een moment later zet ze mijn muffin op een klein bordje naast mijn biertje.
'Dank je,' zeg ik, terwijl ik met het etiket van mijn bierflesje speel.
Het is nat en begint aan de randen los te laten. Ik scheur er een stukje af en leg het op de rand van het bordje.
'Je komt niet hier vandaan,' zegt ze, meer als een constatering dan een vraag terwijl ze op de toonbank leunt.
Het lijkt alsof het hele café stiller is geworden.
'Nee. Ik ben vandaag met de bus in de stad aangekomen.' Ik stop, en verleg het gesprek snel bij mezelf vandaan. 'Ik heb nog nooit een café en bar gecombineerd gezien. Het is een beetje een vreemde mix.'
Ik kijk haar aan voordat ik een hap van de muffin neem.
Wauw! Dit is zo lekker. Heeft zij dit gemaakt?
Ze lacht en veegt met een doek over de bar. 'Ja, het is misschien een beetje vreemd. Mijn partner en ik wilden samen iets openen. Ik ben er altijd dol op geweest om achter de bar te staan en zij houdt van bakken, dus waarom zouden we de twee niet combineren?'
Haar glimlach is aanstekelijk en ik kan niet anders dan terug glimlachen.
'Ja, waarom niet? Wat je maar gelukkig maakt,' antwoord ik terwijl ik nog een slok van mijn bier neem. 'Hé, waar is het dichtstbijzijnde motel?'
Ze kijkt verrast. 'Uhm, Old Bern heeft geen motel, maar we hebben wel een bed and breakfast. Het is verderop in de straat aan de linkerkant. Je kunt het niet missen. Het heet Missy's B&B.'
'Het klinkt duur.'
'Maak je geen zorgen... Hoe heet je?'
'Maya.'
'Maak je geen zorgen, Maya. Ik ken Missy,' zegt ze, terwijl ze naar me knipoogt. 'Ik zal haar laten weten dat je eraan komt. Ze zal je de vrienden-en-familie-prijs geven.'
'Wauw. Bedankt, uhm...'
'Samantha, maar iedereen noemt me Sami.'
'Bedankt, Sami,' zeg ik, terwijl ik mijn biertje naar haar ophef en glimlach.
Ik voel mezelf een beetje ontspannen.
Ik mag deze vrouw wel. Ze is makkelijk om mee te praten en leuk. In een andere wereld hadden we misschien vriendinnen kunnen zijn, maar ik kan het risico niet nemen.
'Sami! Mag ik nog twee tequila shots?' roept een van de cheesecake-etende mannen terwijl hij wankelend naar de bar loopt.
'Natuurlijk, Jonah,' antwoordt ze.
Ik denk aan mijn regels terwijl ze zich omdraait om de fles te pakken.
Blijf in beweging. Maak geen vrienden.
De man staat te dicht bij waar ik zit. De geur van zijn aftershave is te sterk, het vult mijn neus.
De barkruk kraakt als ik van hem weg leun. Hij is erg groot en hij lijkt het begrip persoonlijke ruimte niet te begrijpen, wat me heel erg aan de mensen laat denken waarmee ik ben opgegroeid.
'Hé, schoonheid,' zegt hij met dubbele tong.
















































