
Ruby en de biker
Auteur
Raven Wimberley
Lezers
1,5M
Hoofdstukken
22
1: Ruby — Zaterdag in de boekwinkel
RUBY
Ik dacht altijd dat ik maar een doodgewoon of zelfs lelijk meisje was. Ik was altijd het mollige kind met een bril. Ik zag mezelf nooit als meer dan iemands dochter of grote zus.
Mijn ouders zijn knappe mensen, zeggen de meesten. Mijn moeder is een mooie Ierse vrouw met een bleke huid, sprankelende groenbruine ogen en steil lichtbruin haar. Mijn vader is heel anders. Hij heeft een donkerdere huid, grote bruine ogen, hoge jukbeenderen en golvend donkerbruin haar.
Mijn zus is een perfecte mix van de twee. Ze heeft papa's ogen, huidskleur en jukbeenderen met mama's haar en figuur. Ze is beeldschoon en ik ben al jaren vreselijk jaloers op haar. Iedereen zegt altijd hoe mooi ze is en ze loopt altijd met haar neus in de wind. Ze hoeft nooit moeite te doen om aandacht te krijgen.
En dan heb je mij. Ik heb mama's bleke huid, maar dan met een heleboel sproeten. Ik heb ook haar ogen, maar papa's haar, jukbeenderen en postuur. Dat betekent dat ik klein ben zoals mama, maar stevig gebouwd zoals papa. Dat is geen goede combinatie. We hebben geen idee van wie ik mijn slechte zicht heb.
Iedereen ziet me als een van de jongens, meer niet. Het helpt waarschijnlijk niet dat mijn zus gek is op mode en ze er altijd piekfijn uitziet, terwijl ik de nerdy tomboy ben die aan auto's sleutelt en boeken verslindt.
Dus hier sta ik op een zaterdagmiddag in een boekwinkel op zoek naar een boek over auto’s - want wat moet je anders doen? Ik sta tussen de boeken over nieuwe automotoren te neuzen als ik een knappe biker zie. Hij is met een oudere man die hetzelfde motorclub logo draagt. Wetende dat ik niet het type ben waar mannen op vallen, laat staan zo'n aantrekkelijke Adonis van een man, draai ik me om. Het heeft geen zin om te staren, en mijn gezicht is waarschijnlijk toch al zo rood als een biet.
'Pardon, schatje. Weet jij waar de afdeling mythologie is?' God, zelfs zijn stem klinkt me als muziek in de oren!
De oude man kijkt naar me en snuift minachtend als hij het vertederende woord hoort, en elk sprankje geluk dat ik misschien voelde bij het horen van die eerste twee woorden - Pardon, schatje - is nu in rook opgegaan.
Zie je wel? Ik zei toch dat ik niet mooi was. Het doet nog steeds pijn als het benadrukt wordt, maar ik blijf mezelf voorhouden dat ik meer waard ben dan mijn uiterlijk. Op een dag zal ik het zelf ook geloven.
Ik doe alsof ik geen van beiden zie, kijk even op alsof ik toevallig iets hoor, en kijk dan weer naar beneden en doe alsof ik verdiept ben in mijn boek. Ik ben een kei in het doen alsof.
'Dat moet wel een bijzonder boek zijn als je niet eens merkt dat iemand tegen je praat,' zegt de Adonis, terwijl hij mijn boek een beetje optilt.
Er loopt een prettig gevoel langs mijn rug als zijn diepe stem in mijn hoofd weerklinkt. Als ik opkijk, ben ik gevangen in zijn intense blik. Ik ben zo verrast dat ik denk dat ik niet eens adem.
'Is dit voor jou niet een beetje te hoog gegrepen, meisje?'
Ik sluit mijn ogen, dankbaar voor de onbeschofte opmerking van de oude man, en als ik ze weer open, kijkt hij verward naar me.
Ik glimlach. Dit is waar ik aan gewend ben. Het doet me niet eens meer zoveel. In plaats daarvan gebruik ik deze situaties altijd om de persoon iets bij te brengen.
'Eigenlijk niet. Mijn buurman heeft net een nieuwe elektrische auto gekocht, dus ik lees me in over hoe de motor werkt in vergelijking met de motor die in zijn oude auto zit. Ik wil hem als klant in mijn werkplaats houden. Kijk, er zijn wisselstroommotoren, gelijkstroommotoren, en dan zijn er speciale motoren die-'
'Schat,' onderbreekt de oude man me, en als hij het zegt, klinkt zijn stem helemaal niet aardig. 'Ik betwijfel of je weet hoe je aan een motor moet sleutelen.'
Ik glimlach opnieuw, gefrustreerd en een beetje geamuseerd - vooral gefrustreerd - terwijl ik probeer om mezelf aan een man uit te leggen die alleen omdat ik een vrouw ben duidelijk niet gelooft dat ik weet waar ik het over heb.
'Nou, dat hangt ervan af aan welke motor er gewerkt moet worden,' zeg ik. 'Er zijn motoren op benzine en diesel.'
De oudere man slaat zijn armen over elkaar en leunt achterover. Hij heeft een blik in zijn ogen en een gemene glimlach op zijn gezicht. Het is duidelijk te zien dat hij wacht tot ik iets verkeerds zeg, zodat hij me kan vertellen waarom vrouwen geen mannenwerk zouden moeten doen.
'Je weet wel welk type ik bedoel?' vraag ik, en probeer onzeker te klinken.
Hij knikt, en zijn glimlach wordt breder.
Ik knik ook en ga rechter staan. 'Die zijn een eitje. Ik sleutel al jaren aan gewone benzinemotoren.'
De knappe man lacht en geeft de oude man een klap op zijn schouder, maar het feit dat ze samen binnenkwamen maakt me boos. In plaats van te glimlachen en mee te doen met de pret, negeer ik hem terwijl ik het boek in mijn handen sluit en me klaarmaak om zijn vriend nog wat bij te brengen.
‘Bij een elektrische motor, vind je waar je normaal gesproken het motorblok en alle onderdelen van een benzinemotor zou zien, minder bewegende delen. Ik bedoel, ja, je hebt je normale accu's, controller - die stroom van de accu's afneemt, het omzet en naar de motor stuurt - en de motor zelf. Maar wat voor soort motor is het?'
Ik leun naar voren alsof ik hem een geheim vertel. 'Mijn buurman had een wisselstroommotor, en zoals je weet zijn er maar twee soorten, de synchrone en de inductiemotoren. Maar nu heeft hij de gelijkstroommotor, en van de vijf verschillende types moest hij natuurlijk de samengestelde gelijkstroommotor nemen, dus natuurlijk gaat het de serie met de shunt combineren!'
De oudere man staat daar, opent en sluit zijn mond terwijl hij probeert de juiste woorden te vinden. Uiteindelijk fronst hij en gromt gefrustreerd. De jongere, knappere man lacht zachtjes voordat ik me naar hem toe draai.
'O, en de afdeling waar je naar op zoek bent, is de achterwand helemaal links. Fijne dag nog, heren.' Ik open het boek in mijn handen weer en haal diep adem.
De oudere man loopt boos weg terwijl de andere man blijft staan en naar me kijkt. Ik kan voelen hoe hij naar me kijkt, alsof er een elektrische spanning is.
Ik kijk naar hem op. 'Heb je nog iets nodig?'
'Ik zou eigenlijk graag je naam willen weten.'
'Waarom? Het is niet alsof je me ooit nog gaat zien.'
'Mijn naam is Damien. Ik zou gewoon graag de naam van een mooi meisje willen weten.'
En dat is wat pijn doet. Hij zegt niet: 'Ik zou graag de naam willen weten van het meisje dat net mijn vriend aftroefde met autokennis,' of 'Ik wil weten aan wie ik de eer moet geven als ik de andere jongens hierover vertel.'
Nee. Hij zegt moeiteloos iets wat elk meisje wil horen van een man die er zo uitziet - alsof hij het meent. En hoe kan iemand die er zo uitziet zoiets zeggen en het menen tegen iemand die eruitziet zoals ik? Het voelt gewoon goedkoop aan en het laat zien dat het gewoon weer een standaard versiertruc is.
Ik rol met mijn ogen en draai me van hem weg. 'O alsjeblieft, alsof ik dat geloof. Ga je vriend zoeken, Damien. Ik weet zeker dat hij ergens zit te mokken.' Ik pak snel de andere boeken die ik op de grond heb liggen en loop naar de kassa om voor mijn boeken te betalen.
Even wens ik dat zijn geflirt echt was, voordat ik mezelf op de vingers tik voor die gedachte.













































