
Afstammeling 2: Zijn koningin beschermen
Auteur
A. Duncan
Lezers
1,1M
Hoofdstukken
39
Hoofdstuk 1.
Boek 2:Zijn Koningin Beschermen
Azalea
Ik schrik wakker, buiten adem en bezweet. Mijn ogen schieten door de kamer, tot ik besef dat ik veilig in mijn eigen bed lig. Met een diepe zucht probeer ik tot rust te komen. Sinds mijn achttiende verjaardag achtervolgt dezelfde droom me elke nacht.
In de droom wandel ik over het bospad achter ons huis, dat slingerend naar het meer leidt. De volle maan baadt het pad in een zilveren gloed. De nacht is stil, op wat zacht geritsel van insecten na.
Als ik naar beneden kijk, zie ik dat ik een lange, witte nachtjapon draag. Vreemd, normaal slaap ik in een T-shirt en korte broek. Mijn haar golft lang over mijn schouders. Een onverklaarbare drang drijft me naar het meer.
Ik versnel mijn pas, mijn jurk optillend om niet te struikelen. Bij het meer aangekomen, hijg ik licht en voel ik het zweet op mijn voorhoofd parelen. Ik kijk om me heen en besef dat ik alleen ben. Langzaam bekruipt een gevoel van onbehagen me.
'Hallo?'
Een zwarte uil met vuurrode ogen staart me aan. Het voelt alsof hij dwars door me heen kijkt. Geluidloos draait hij zijn kop en klapwiekt met zijn vleugels, om vervolgens weer op een tak neer te strijken. Ik kan mijn blik niet van zijn hypnotiserende ogen afwenden. Dan hoor ik iets.
'Welkom, mijn koningin.'
Een rilling loopt over mijn rug. Ik weet niet wie het zei, waar ze zijn, of wie ze zijn. Het engste is hoe de stem in mijn hoofd weerklinkt.
Ik sla mijn hand voor mijn mond om een gil te smoren als ik takken hoor kraken aan mijn rechterkant. Ik wil wegvluchten, maar verstijf als er een enorme zwarte wolf tevoorschijn komt. Hij is imposanter dan mijn alfa vader. Hij kijkt me aan met felblauwe ogen, gromt dan en springt op de uil af. De uil verandert bliksemsnel in een man en vlucht weg, een huiveringwekkende lach achterlatend die me doet rillen.
In mijn hoofd echoot: 'Tot de volgende keer, mijn koningin.'
Dan schiet ik altijd wakker, badend in het zweet en omhuld door de geur van chocolade en hout, vermengd met een vleugje rozen en bloed. Ik wou dat ik wist wat de droom betekende. Wie was de wolf? En wat had die uil te betekenen?
***
De zon kruipt boven de horizon, haar stralen dringen door de dunne gordijnen. De lucht kleurt oranje terwijl de dag aanbreekt. Wetend dat ik toch niet meer in slaap val, sta ik op, neem een snelle douche en daal af naar de keuken. Gertrude, onze kok, is al druk in de weer met het ontbijt.
„Kan ik je ergens mee helpen?“
„Lieve help! Je laat me schrikken, kind! Waarom ben je zo vroeg uit de veren? Dit uur is alleen voor boeven en slechteriken die stiekem binnensluipen.“
Ik moet lachen om Gertrude's ouderwetse uitspraken. Ze is van mening dat je alleen het bed mag delen met je voorbestemde partner, hoe lang het ook duurt om die te vinden.
„Je komt toch niet thuis na bij iemand te zijn geweest, hè kind?“ vraagt ze argwanend.
„Welnee, Gerti. Kon gewoon de slaap niet vatten.“
Ze kijkt me onderzoekend aan.
„Weer een van die nare dromen?“
„Ik wou dat ik wist wat ze betekenden. Het is elke keer hetzelfde. De enige keer dat het anders is, is als de uil er niet is. Dan komt de wolf dichterbij en snuffelt aan mijn nek.“
Gertrude werpt me een snelle blik toe.
„De droom verandert, maar de wolf blijft hetzelfde?“
„Ja. Hij is enorm, groter dan papa. Helemaal zwart zonder vlekken, en met felblauwe ogen.“
Ze laat haar lepel vallen.
„Gaat het wel, Gerti?“
Ze raapt de lepel op en maakt hem schoon.
„Oh ja hoor, kind, alles kits. Kun je in je droom ruiken waar de wolf naar ruikt?“
„Naar hout en chocolade. Maar als de uil er is, ruik ik ook rozen en bloed.“
Ze verstijft. Ze lijkt zelfs even op te houden met ademen.
„Gerti?“
„Heb je je vader verteld over deze droom?“
„Nee. Het is maar een droom.“
„Het zou kunnen helpen als je hem alles vertelt over je dromen. Misschien slaap je dan ook beter.“
„Ik zal erover nadenken.“
Ze wijst naar het fornuis. „Steek eens een handje uit, kind. Begin die pannenkoeken maar te bakken, wil je?“
Ik volg Gerti's advies op en vertel mijn vader tijdens het ontbijt over mijn dromen. Hij stopt met eten en kijkt me aandachtig aan.
„Hoe lang heb je deze dromen al?“
„Sinds Gideon en ik achttien werden. Dus ongeveer een half jaar.“
Gideon is mijn tweelingbroer, maar hij gedraagt zich soms alsof hij de baas over me is. Hij is al begonnen met zijn alfa-training en zal ons binnenkort verlaten. Elke toekomstige alfa moet alfa-training doen, wat betekent dat hij een tijd weg zal zijn van de roedel. Ik zal mijn broer erg missen, maar ik weet dat het goed is voor de toekomst van onze roedel.
„En je ruikt alleen rozen en bloed als de uil er is?“
Ik knik.
Hij staat abrupt op en wenkt Gideon. Dan kijkt hij naar zijn bèta, Sam, en vervolgens naar Emery, zijn gamma. Ze verdwijnen in zijn kantoor en sluiten de deur. Ik zie hoe Kendrick, papa's hoofdkrijger, door de achterdeur binnenkomt en zonder een woord te zeggen rechtstreeks naar het kantoor loopt.
Ik kijk vragend naar mama. Ze komt naar me toe, slaat haar armen om me heen en beantwoordt de vraag waarvan ze weet dat ik die in gedachten heb.
„Ik weet zeker dat papa en je broer gewoon wat dingen nakijken. Je weet hoe Gideon graag in oude boeken duikt. Hij kan dingen vinden die de meeste mensen over het hoofd zien.“
„En Sam, Emery en Kendrick? Allemaal voor een stomme droom?“
Ik hoor mijn moeder zuchten.
„Wat is er aan de hand, mama? Is het de wolf in mijn droom?“
Ze schudt haar hoofd.
„Nee, lieverd.“ Ze haalt diep adem en zucht. „Het is niet de wolf, Azalea. De wolf is er om je te beschermen. We weten wie die wolf is. Het is de uil die je vader zorgen baart.“
„Wacht even! Hoe bedoel je dat jullie weten wie de wolf is?“
„Laten we het hier later over hebben. Je vader heeft me nodig.“ Ze kust me op mijn voorhoofd en haast zich naar zijn kantoor.
Ik zit daar, niet in staat om nog een hap door mijn keel te krijgen. Ik loop naar papa's kantoor en zie dat de deur op een kier staat. Ik kom niet te dichtbij, anders zullen ze me opmerken. Ik hoor mama ruziën met mijn vader.
„Het is tijd, Treyton. Als we langer wachten, zal Xavier komen. We hebben ze lang genoeg uit elkaar gehouden! Hij kan haar beschermen!“
„Ze is net volwassen geworden, Bexley! Ze weet niet wat er gaat gebeuren! Ik heb meer tijd nodig!“
„Dan vertellen we het haar! Bereiden we haar voor! Ik laat die bloedzuiger haar niet krijgen! Zander kan haar beschermen! Hij is haar partner!“
Ik hoor iets tegen de muur slaan en breken. Ik sla mijn hand voor mijn mond om geen geluid te maken en sluip zachtjes weg. Ik ga naar mijn kamer, doe de deur dicht en draai hem op slot.
Zander Phoenix.
De zoon van Alfakoning Alexander Phoenix. Ik heb hem maar een paar keer gezien in de loop der jaren. Onze ouders hielden ons altijd uit elkaar, zeiden dat het niet goed was omdat Zander van koninklijken bloede is. Ik hoorde dat hij de afgelopen jaren weg is geweest voor zijn eigen Alfakoning training.
De kamer begint te tollen en ik zak op de grond. Zander zou mijn partner moeten zijn. Weet hij dit? Is dit waarom ze ons uit elkaar hielden? Ik voelde altijd dat hij naar me keek als we in dezelfde ruimte waren, maar hij sprak nooit tegen me.
Ik voel me duizelig worden. Mijn ademhaling wordt snel en oppervlakkig, en ik begin zwarte vlekken te zien. Net voordat alles donker wordt, is het laatste waar ik aan denk... hoeveel leugens zijn me nog meer verteld?










































