
De Karmozijnen Beker
Auteur
Lezers
265K
Hoofdstukken
36
Hoofdstuk 1
OPHELIA
Op het bordje op onze deur staat: Bedrijf failliet. Inbeslagname door het paleis aanstaande.
Het werd in het holst van de nacht vastgetimmerd. We zagen het in eerste instantie niet en niemand nam de moeite om het ons te vertellen, maar het is een definitief besluit van het Koninklijk Vampierpaleis.
We stellen niets voor voor het paleis. Daar staat het dan, in bloedrode inkt, onze ondergang.
Binnenkort zullen ze de boekenwinkel van onze familie vervangen door een militaire buitenpost. Honderden boeken zullen verdwijnen en plaatsmaken voor mannen in uniform.
De boeken in onze bibliotheek zijn niet zomaar boeken. Als je ze openslaat, geven de bladzijden een warme gloed af en trekken ze de lezer hun wereld in.
De eerste keer dat het gebeurde, was ik bang. Het was alsof ik in een zee van licht dook. Plotseling bevond ik me midden in een woeste veldslag, waar lichamen op elkaar botsten in een gruwelijke dans.
Ik zweefde als een geest door het tafereel, onaangeraakt door de verschrikkingen om me heen. Mijn geest dwaalde rond, terwijl mijn lichaam veilig en buiten westen tussen de boekenplanken lag.
Inmiddels heb ik elk boek in onze winkel gelezen. Omdat ik verder niets te doen heb, verslind ik een boek per dag en verken ik de wereld daarin, in plaats van de wereld buiten onze deuren.
Vandaag bevind ik me in een weiland. Terwijl ik op mijn rug lig, strijk ik met mijn vingers door het hoge gras. De sprieten klinken als belletjes wanneer ik ze aanraak.
Een zwerm feeën zoemt voorbij en ik kijk hoe een zilveren eenhoorn rondspringt voordat hij in het bos verdwijnt.
Plotseling zie ik een schaduw. Het is het silhouet van een man, die zich net buiten het licht ophoudt. Het lijkt erop dat hij me in de gaten houdt.
„Ophelia,“ roept een verre stem, die klinkt alsof ik onder water ben.
Ik negeer de stem, sta op en loop op de gedaante af om hem beter te kunnen zien. Maar naarmate ik dichterbij kom, trekt hij zich terug in de duisternis van het bos, uit het zicht.
„Ophelia,“ herhaalt dezelfde stem, nu op een strenge toon.
Ik zucht en ruk mezelf los uit het boek. „Wat?“ mopper ik, terwijl ik in mijn ogen wrijf.
„Ophelia,“ — mijn moeder, Lucinda, torent boven me uit — „alweer verdwaald in een fantasiewereld?“
„Dat noemen ze boeken.“ Ik sta op en geef haar een kus op haar wang.
Mijn vader, Dante, is achter haar dozen aan het inpakken. „Weet je, de echte wereld is zo slecht nog niet.“
„Misschien zou de echte wereld beter zijn als jullie me het dorp uit lieten gaan,“ antwoord ik sarcastisch.
„Nou, nou,“ berispt mijn vader me, „je weet dat de bossen bij de grens te gevaarlijk zijn.“
„Is dat zo?“ daag ik hem uit. „Want voor zover ik weet heeft niemand daar ooit iets gevaarlijks gezien, laat staan dat er iemand is vermoord.“
„Ja,“ begint mijn moeder, „maar er gaan verhalen dat—“
„Maar dat is ook alles wat het zijn, mam..., verhalen.“ Ik zucht, gefrustreerd door hun koppigheid.
Er broeit naar verluidt een onbekend kwaad net buiten de grenzen.
En hoewel we alleen maar gefluister en tegenstrijdige geruchten horen, zijn velen afgeschrikt. Ze zijn te bang om zich naar de rand van het koninkrijk te wagen.
Het lijkt erop dat alle rijken, die ooit in harmonie leefden, wantrouwig naar elkaar zijn geworden.
Ze geven elkaar de schuld van deze duistere schaduw die over het land hangt. Hoewel niemand er zelf mee te maken heeft gehad, geloven ze er op de een of andere manier toch in.
De tijd van vredig samenleven is voorbij. Ik kan me geen tijd meer herinneren voor dit isolement.
Ik voel dat meer dan de meesten, omdat ik me in een unieke positie bevind.
Ik ben een mens. Als baby werd ik geadopteerd door een vampierfamilie.
Dit detail helpt niet als ik de gebieden buiten ons dorp, Fayvein, wil verkennen.
De meeste mensen in de vampierwereld zijn dienaren. Ze wijden hun leven aan het dienen van hun vampiermeesters.
Mijn ouders maken zich zorgen om me. Ze willen niet dat ik ontdekt word en gedwongen word om te dienen.
Fayvein is mijn toevluchtsoord. Verscholen in een bos, lijkt Fayvein alsof het rechtstreeks uit een sprookje in de werkelijkheid is gevallen.
De vampiers in Fayvein weten van mijn „aandoening,“ zoals ze het noemen. Het is ons geheim.
Ze kennen me al van jongs af aan en hebben gezworen me te beschermen. Maar hetzelfde geldt niet voor degenen buiten Fayvein.
Ik denk weer aan het bordje op onze winkeldeur. De gedachte dat mijn toevluchtsoord besmet raakt door een militaire buitenpost, doet mijn maag omdraaien.
Het is duidelijk dat de gedeelde angst voor wat zich buiten de grenzen van het koninkrijk bevindt, ook het koninklijk paleis heeft besmet.
Of misschien geven ze gewoon niet om cultuur en kunst, en verkiezen ze dood en verderf.
Er zijn verhalen, van lang geleden, over reizigers die langskwamen en boeken uit hun rijken deelden — verhalen over onbekende beschavingen en wezens van ver weg.
Verhalen over het Weerwolvenrijk, het Elfenrijk, het Heksenrijk en zelfs het Mensenrijk worden nog steeds aan kinderen verteld.
Maar het is zo lang geleden, dat het mythes zijn geworden.
Terwijl ik rondkijk in de winkel, vol met boeken maar zonder enig leven, weet ik dat die dagen voorbij zijn. Tegenwoordig hebben we geluk als we één klant per maand krijgen.
Plotseling rinkelt de deurbel.
Geschrokken strijk ik snel mijn jurk glad. Ik had niet door dat mijn ouders de kamer hadden verlaten en dat ik alleen was. Ik hoor ze in de kelder, waar ze onze archieven uitzoeken.
„Kan ik u helpen?“
Ik hap bijna naar adem als ik een gedaante met een capuchon zie. Zijn gezicht is grotendeels verborgen. Zijn capuchon onthult alleen ijskoude blauwgrijze ogen en een vleugje van een speelse glimlach.
Hij heeft een stuk perkament in zijn hand.
„Zou je dit op het prikbord buiten kunnen hangen?“ vraagt hij, zonder de moeite te nemen om zichzelf voor te stellen.
Hij overhandigt me het papier voorzichtig.
De tekst op het bordje glinstert in het goud.
The Crimson Cup.
Het Koninklijk Paleis nodigt alle jonge vrouwen uit het rijk uit om deel te nemen aan een unieke kans.
Als je ervoor kiest om mee te doen, maak je misschien kans om het hart van de vampierkoning te winnen.
Het evenement zal dit jaar op 14 februari plaatsvinden in het Koninklijk Paleis.
Dit toernooi is niet voor bangeriken.
Het bekende karmozijnrode embleem van het Koninklijk Paleis staat onderaan de pagina gestempeld. Het is hetzelfde embleem als op de sluitingskennisgeving buiten.
De datum valt me meteen op: Valentijnsdag. Ik vermoed dat de koning diep vanbinnen een romanticus is.
Er is niet veel bekend over koning Atticus.
Maar zijn gebrek aan een erfgenaam is een veelbesproken onderwerp. Hij heeft geen koningin, dus hij heeft ook geen erfgenaam. Iedereen vraagt zich af wanneer dat zal veranderen. Ik denk dat het antwoord is... binnenkort.
De koning is waarschijnlijk moe van het constante gezeur van zijn raad. Maar zijn aanspraak op de troon wankelt als hij niet naar hen luistert.
Wat is een koning zonder koningin?
Als ik weer opkijk, is de man met de capuchon verdwenen. Maar er staat een andere man.
Ik herken hem uit het dorp: Roanoke Briar.
Maanlicht schijnt door het glas-in-loodraam en werpt een rode gloed op zijn huid.
Lord Briar is een rijke, lokale edelman. Hij staat erom bekend afstandelijk te zijn. Hij brengt de meeste tijd door met een klein groepje gereserveerde, sarcastische vampiers.
Ze denken allemaal dat ze beter zijn dan de rest en ze mengen zich bijna nooit onder de dorpelingen.
Ik heb hem een paar keer in het dorp gezien. Zijn gitzwarte haar is altijd strak naar achteren gekamd en met zijn donkergroene ogen oordeelt hij over iedereen. Maar we hebben nog nooit met elkaar gesproken.
„Mag ik kijken?“ vraagt hij.
„Zal ik u rondleiden?“ stel ik voor.
„Heb je een favoriete afdeling?“
„De afdeling historische fictie.“ Ik wijs hem naar de achterkant van de winkel.
„Ah, de goede oude tijd, toen iedereen nog vrienden was,“ zegt hij.
Ik bespeur een vleugje sarcasme. Hij loopt weg, ijsbeert door het gangpad en glijdt met zijn vingers over de ruggen van de boeken.
„Ophelia, we hebben je beneden nodig. Je vader en ik zijn...“ Mijn moeder stopt wanneer ze ziet dat ik niet alleen ben. Haar ogen worden groot.
Het is een tijdje geleden dat we bezoek hebben gehad.
Wacht maar tot ze erachter komt dat we vandaag twee bezoekers hebben gehad. Ik was de vreemde man met de blauwe ogen al bijna vergeten.
Als hij mijn moeder ziet, komt Roanoke weer naar ons toe.
„Ik kan deze...“ — hij kijkt rond naar de planken, alsof hij probeert uit te vinden wat voor plek dit is. Ik denk dat ik een sprankje walging in zijn ogen zie — „plek redden,“ maakt hij zijn zin af.
Dan rusten zijn ogen op mij. „Maar in ruil daarvoor,“ zegt hij, terwijl hij zich tot mijn moeder wendt, „wil ik met uw dochter trouwen.“
Mijn hart zakt in mijn schoenen zodra hij dat zegt. Mijn keel knijpt dicht en ik kan niets uitbrengen.
„Ik,“ begin ik, „ik...“
„Ze zal uw gulle aanbod in overweging nemen, Lord Briar,“ zegt mijn moeder en buigt haar hoofd.
Hij knikt en werpt me nog één blik toe voordat hij vertrekt.
„Mam, ik ga niet met hem trouwen,“ fluister ik als hij weg is.
„Waarom niet?“
„Zijn jullie weer aan het ruziën?“ vraagt mijn vader, die ons onderbreekt.
„Nee,“ zeg ik, „mam wil me gewoon uithuwelijken aan Lord Briar om de winkel te redden.“
„Hij ziet er niet slecht uit,“ zegt mijn vader.
„Trouw jij dan met hem,“ kaats ik terug.
„Ach, we maken maar een grapje,“ zegt mijn moeder terwijl ze me omhelst. „We verzinnen wel iets anders.“ Ze zucht.
Ik hoor het verdriet in haar stem. Ik weet dat we niet veel andere opties hebben. Mijn ouders zijn zelfs al begonnen met het inpakken van de winkel.
Ik wil niet met Roanoke trouwen. Ik word morgen pas eenentwintig en hij is dertig... of liever gezegd, hij is al meer dan honderdvijftig jaar dertig.
Maar ik moet de boekenwinkel redden. Ik moet mijn familie redden.
„Je vader en ik gaan jagen. Kun jij zelf de deuren op slot doen?“
„Nee,“ zeg ik met een knipoog naar haar.
Mijn ouders zijn gestopt met het drinken van mensenbloed toen ze me adopteerden. Dat vind ik erg lief, maar er zijn anderen in het dorp die het nog steeds graag drinken.
Terwijl ik de boekenwinkel afsluit, denk ik na over mijn opties.
Ik zou met Roanoke kunnen trouwen en naar Briar Manor kunnen verhuizen. Ik heb gehoord dat het een mooie plek is, groots en comfortabel. En het belangrijkste: het is dichtbij genoeg om mijn familie vaak te bezoeken.
En met Roanoke's geld en invloed bij het paleis zou de boekenwinkel gered zijn.
Het lijkt de perfecte oplossing.
Dan zie ik het stuk perkament dat op ons prikbord is gespeld.
The Crimson Cup
Ik was de wedstrijd helemaal vergeten.
Als ik maar een moment met de koning kon praten. Ik zou hem kunnen overtuigen om van gedachten te veranderen over de winkel, dat weet ik zeker.
Ik moet een beslissing nemen...
BEPAAL JE LOT...
Moet Ophelia met Roanoke trouwen en naar Briar Manor verhuizen? Of moet ze naar het Koninklijk Paleis gaan om mee te doen aan The Crimson Cup, voor een kans om het hart van de koning te winnen?
Ga naar het volgende hoofdstuk om te stemmen.
Hoofdstukken verschijnen wekelijks op vrijdag!













































