
De Lycans Verloren Partner Boek 5
Auteur
A. K. Glandt
Lezers
174K
Hoofdstukken
13
Wanhopig Verzoek
Boek Vijf: Gehuld in Maanlicht
De koning van het Forest Kingdom wil een verbond sluiten met Coda. Coda moet alleen naar het Forest Kingdom reizen om daar de politieke zaken af te handelen. Ondertussen gebeuren er onverwachte dingen in zijn liefdesleven...
Ik werd geroepen alsof ik een hond was. Ik, de alfa van de Hunters, werd opgeroepen—nee, bevolen—om de Forest King een audiëntie te verlenen.
Een simpele weerwolf durfde dit van mij te eisen, alsof ik niet de keuze had om te weigeren.
Ik lachte spottend.
Hij ging om mijn hulp vragen omdat hij die nodig had, en toch keek hij op mij neer alsof ik een idioot was die zijn ware bedoelingen niet doorhad.
Ik frommelde de uitnodiging op en gooide hem naar de deur.
Natuurlijk was het puur toeval dat de prop niet de deur raakte, maar een persoon.
Ik had hem absoluut niet precies op dat moment gegooid omdat ik mijn bèta hoorde naderen, waardoor de papieren prop hem vol in zijn gezicht raakte toen hij de deur opende.
Regan kromp ineen toen de prop zijn gezicht raakte, waarna het papier op de grond viel.
De Hunter was al lang geleden gestopt met boos naar me te kijken omdat het gewoon zonde van de energie was voor zijn gezichtsspieren, en misschien had ik hem ook wijsgemaakt dat zijn gezicht in die uitdrukking zou blijven staan als hij de hele dag naar me bleef staren.
Mijn bèta pakte de papieren prop op, streek het papier glad zodat het weer leesbaar was en las het hardop voor.
“Coda, op verzoek van het Forest Kingdom, vragen we je om onze koning een audiëntie te verlenen om een mogelijke samenwerking te bespreken. De onderhandelingen zullen open zijn, en we zullen ons op elke mogelijke manier aanpassen om een ontmoeting tot stand te brengen.”
“We begrijpen dat je een alfa bent en weinig tijd hebt, en dat het een grote afstand is om te reizen, dus we komen naar jou toe als je bereid bent ons een audiëntie te verlenen.”
“Met respect, het Forest Kingdom en hun koning.”
Regan vouwde de brief op en tikte ermee op mijn bureau. “Nou, ik wist niet dat hij in zich had om zo beleefd en attent te zijn. Ze hebben je vast wanhopig nodig.”
Het was niet mijn schuld dat ik intelligent genoeg was om de echte bedoelingen achter de diplomatieke woorden te begrijpen. De brief was op zichzelf misschien wel beleefd en respectvol, maar ik keek eigenlijk dwars door die sluwe klootzak heen.
Het was maar goed dat deze Hunters mij als alfa hadden.
Anders zouden ze allemaal net zo dom zijn als mijn bèta en niet doorhebben dat het tijdverspilling was. Ze wilden namelijk om mijn hulp in een oorlog vragen en zo ons vredesverdrag met de lycans ruïneren.
“Attent? Ben je fucking dom?” vroeg ik onnodig, en ik stak een hand op voordat hij überhaupt kon protesteren. “Regan, je bent fucking dom,” zei ik botweg. “En wat heb ik je verteld over boos naar me kijken?”
Ik flapte eruit toen ik zijn zure gezicht zag: “Nou ja, laat ook maar, jouw lelijke rotkop kan er toch niet veel erger op worden.”
Regan rolde met zijn ogen, maar stopte met boos kijken. Hij maakte zijn armen los en leunde ermee op de andere kant van het bureau, recht tegenover mij.
“Het is een uitnodiging, hij wil gewoon met je praten. Hij wil zelfs naar jou toe komen en het gevaar lopen om door het Old Kingdom te reizen.”
Ik streek met een hand over mijn gezicht en blies hoorbaar uit in mijn handpalm.
“Ik word omringd door idioten,” mompelde ik in mezelf voordat ik mijn bèta een 'ben je een idioot?'-blik toewierp. Zuchtend sloeg ik mijn handen ineen op mijn bureau.
“Regan,” zong ik zijn naam op een neerbuigende toon, en ik gaf hem een neppe glimlach. “Waarom denk je dat de koning voorstelt om hierheen te komen? Wat is het risico op een moordaanslag in het Old Kingdom waard?”
Mijn bèta fronste zijn wenkbrauwen en opende zijn mond om antwoord te geven.
“Nee,” zei ik voordat hij een woord kon uitbrengen. “Raad nog maar een keer.”
Toch stond mijn bèta erop om het me te vertellen.
“Hij heeft een verbond nodig, of in ieder geval een afspraak dat we de lycans niet helpen als er een oorlog uitbreekt. Hij is fucked zonder ons, dus de reis door het Old Kingdom is het risico waard.”
“Regan,” klikte ik met mijn tong en ik blies langzaam uit. Daarna gaf ik hem mijn beste blik vol medelijden, hoewel ik het eigenlijk niet meende.
“Je weet dat je wat betreft het vinden van een partner fucked bent. Je bent niet mooi, en je mist oprecht een brein, zoals je zojuist hebt gedemonstreerd.”
Mijn bèta keek me droog aan en zei net zo droog: “Coda, ik weet dat Cleo er niet is om het je elke dag te vertellen, maar je hoeft me niet uit te dagen om je een chagrijnige oude klootzak te noemen.”
“Ik zal je er wel dagelijks aan herinneren, zonder dat jij me hoeft te beledigen.”
Ik negeerde hem. “Ik geef je een hint: de koning weet dat Cleo in wezen mijn kind is, dus ik zal er nooit mee instemmen om hem te helpen.
“Dus waarom zou hij zo aandringen op een afspraak en het risico nemen om door het Old Kingdom te reizen, als hij toch al weet wat mijn antwoord gaat zijn?”
Regans wenkbrauwen trokken samen van concentratie toen hij er daadwerkelijk over nadacht.
“Omdat…” Ik knikte om hem aan te moedigen. “Omdat…”
“Omdat?” Ik durfde zowaar de hoop te hebben dat hij het zelf zou bedenken.
“Eh…” De bèta trok een moeilijk gezicht voordat hij zuchtend opgaf.
“Ik heb eigenlijk geen idee waarom hij zoiets doms zou doen in plaats van je gewoon uit te nodigen in het Forest Kingdom.”
Ik tikte met mijn gevouwen handen op tafel. “En dit is precies waarom zijn plan zou werken als ik hem hierheen liet komen. Jullie zijn echt ongelooflijk kortzichtig.”
“Kun je voor één keer stoppen met zo uit de hoogte te doen en het gewoon uitleggen?” vroeg Regan bits.
“Goed,” begon ik, terwijl ik mijn handen plat op tafel legde. “Hoewel hij me nooit kan overhalen om tegen de lycans te vechten, kan hij als hij hierheen komt, misschien wel—”
“De andere Hunters overhalen om de roedel te verlaten en hem te helpen!” maakte Regan mijn zin af. “Dat is nog best plausibel ook, want velen van ons haten die lycans nog steeds intens.”
“Ja, ik wist wel dat je het uiteindelijk zou snappen,” zei ik langzaam, absoluut niet onder de indruk. “Ik zal je vanavond een extra koekje geven bij het avondeten.”
Mijn bèta negeerde mijn opmerking en perste zijn lippen op elkaar. “Dus wat ga je doen? Je laat hem toch niet echt hierheen komen, of wel?”
“Nee,” antwoordde ik, “want ik heb de remedie tegen domheid nog steeds niet gevonden en ik kan niet iedereen in deze roedel een vaccin geven voordat hij aankomt.”
“Dus je gaat ons ervan redden dat de Forest King ons overhaalt om zich bij hem aan te sluiten en een wisse dood tegemoet te gaan?” vroeg Regan hoopvol.
Ik stond op, liep om mijn bureau heen en klopte zachtjes op zijn wang. “Ik veronderstel dat dit mijn plicht is als jullie alfa.”
Ik verliet mijn kantoor, en mijn bèta volgde me trouw zonder dat hij daarvoor het bevel hoefde te krijgen. “Ik ga naar het Forest Kingdom om die koning een en ander uit te leggen.
“Houd de roedel een week of twee, drie bij elkaar; als je dat niet eens kunt bolwerken, dan zoek ik wel een nieuwe bèta.”
Ondanks mijn woorden had ik vertrouwen in hem. Regan was misschien niet de pienterste, maar hij had goede leiderschapskwaliteiten.
Mijn roedel respecteerde hem en zou doen wat hij zei. Regan was een sterke krijger en toonde medeleven, wat hem een veel aangenamer persoon maakte dan ik.
Mensen konden mijn scherpzinnigheid en sarcastische humor echt niet waarderen als dat ten koste van hen ging. Ik had Cleo in ieder geval wel goed opgeleid.
“Aan wie wil je dat ik jouw leerling toewijs voor haar training tijdens je afwezigheid?” vroeg mijn bèta.
Ik wapperde met mijn hand. “Dat maakt me niet uit. Ik laat haar toch vallen.” Hoewel er na Cleo geen vrouwelijke hunters meer waren gekomen, hadden we nog wel vrouwen in de roedel en trainden we hen samen met de Hunters en de mannelijke weerwolven.
Hoewel niet iedereen gezegend was met de gave van het gif, maakten we toch uitstekende vechters van ze. Helaas was niemand van hen goed genoeg om indruk op me te maken en me toegewijd te houden aan hun training.
“Neem je even pauze van leerlingen, of wil je dat ik een of andere masochist zoek die het aandurft om jouw mishandeling te verdragen totdat je ze weer dumpt?” vroeg Regan sarcastisch.
Ik knipte in mijn vingers. “Weet je wat? Die bitch, Saliva heet ze toch?”
“Sylva, bedoel je denk ik,” mopperde Regan.
“Ja, een van die snotneuzen die mijn kind pestte totdat ze een flink pak slaag kregen,” zei ik. “Geef haar de verantwoordelijkheid over mijn ex-leerling. Sucky-”
“Sukkie,” verbeterde Regan me met de echte naam van mijn ex-leerling.
“—is ook een zielepoot. Ze snapt niet wanneer ik serieus ben of wanneer ik sarcastisch doe. Mijn scherpzinnigheid is aan haar verspild.”
“Dus alleen omdat ze je grappen niet snapt, laat je haar vallen?”
“Ik vind ook dat haar ogen te groot zijn, en het irriteert me dat ik het gevoel heb tegen een insect te praten elke keer als ik naar haar kijk.”
Mijn bèta zuchtte diep. “Goed. Ik vertel haar wel dat je vindt dat ze te langzaam leert.”
“Zorg er gewoon voor dat mijn roedel nog in één stuk is als ik terugkom,” vertelde ik mijn bèta, en ik draaide me om om hem aan te kijken.
“Ik kom nog wel terug,” waarschuwde ik hem, “dus haal geen rare ideeën in je hoofd.”
Regan salueerde naar me, en ik wist dat mijn roedel in goede handen was.















































