
De man van de bakker
Auteur
Lezers
202K
Hoofdstukken
46
1: Hoofdstuk 1
CHLOE
Chloe Livingston zette de tv aan om naar het lokale nieuws te kijken. Ze had een lange werkdag gehad bij Camden Bakery, en ze maakte zich klaar om te ontspannen voor de avond.
Wat?
De nieuwslezer meldde dat er was ingebroken bij verschillende bedrijven in het centrum van Camden, Maine.
Ze zette het geluid harder. Camden Bakery stond op de lijst van tien winkels waar was ingebroken.
Waarom heeft de politie me niet gebeld?
Er werd een filmpje van haar bakkerij getoond, en terwijl ze ernaar keek, voelde ze angst en woede in zich opkomen. Ze ging op het puntje van de bank zitten.
Een trilling trok door haar arm toen ze de lokale politie belde.
„Hallo, ik ben de eigenaar van Camden Bakery. Ik heb net ontdekt dat er in mijn bakkerij is ingebroken.“
„Uw naam?“
„Chloe Livingston.“
„Een ogenblik geduld, alstublieft.“
Chloe balde haar vuisten toen de paniek toesloeg. Dit kan ik er niet bij hebben.
„Hallo, mevrouw Livingston, dit is agent Slidell. Ik heb informatie over uw bakkerij. Er is door twee tieners ingebroken in uw winkel. Er is nu een agent ter plaatse. Het lijkt er echter wel op dat er binnen in de bakkerij het een en ander is vernield.“
„Oh, God, nee.“
„Daar hebben we de jongens gevonden. We hebben ze in hechtenis genomen.“
„Wat? Heeft u ze in mijn bakkerij betrapt?“
„Ja, mevrouw.“
„Waarom heeft niemand mij gebeld?“ Chloe begon door het huis te ijsberen, pakte haar sleutels en trok haar schoenen aan.
„De jongens hebben ook uw achterdeur flink beschadigd.“
„Waarom negeert u mijn vraag?“
„Welke vraag was dat, mevrouw?“
„Waarom heeft niemand mij gebeld om te laten weten dat er in mijn bakkerij is ingebroken?“
„Eh, het spijt me.“
„Ik ga er nu direct heen.“
„Agent Meskins zal u daar opwachten.“
Blauwe zwaailichten van de politieauto verlichtten de nacht toen ze voor haar bakkerij arriveerde. Ze rende naar de deur van de bakkerij en liep naar een man in een blauw politie-uniform.
„Hallo, ik ben Chloe Livingston.“
„Goedenavond. Ik ben agent Meskins. Ik loop met u mee naar binnen terwijl u alles controleert.“
Net toen ze het gebouw binnen wilden gaan, kwam er een man achter hen staan. „Agent Meskins?“
„Goedenavond, rechercheur.“
„Ik kwam toevallig langs en zag alle commotie. Wat is er gebeurd?“
„Er is vanavond ingebroken in de bakkerij van deze mevrouw en bij negen andere bedrijven.“
Chloe stond stil en staarde naar de ontzettend knappe man voor haar. Zijn perfecte huid en opvallende gelaatstrekken benamen haar de adem.
Hij is prachtig.
„Hallo, ik ben Mitchell Terrison,“ stelde hij zichzelf beleefd voor.
Chloe knikte. „Leuk u te ontmoeten.“ Ze kon haar ogen niet van hem afhouden.
De politieagent liep voorop naar binnen. „Laat u de kassa 's nachts altijd leeg achter?“
„Ja, meneer. We zorgen ervoor dat we de dagopbrengst elke avond naar de bank brengen.“
„Dat is goed om te weten,“ antwoordde agent Meskins.
Bekers, servetten en dat soort dingen lagen verspreid over de vloer, en tafels en stoelen waren omgegooid. „Ik ben blij dat dit het enige is wat ze hebben gedaan,“ zei Chloe terwijl ze begon spullen van de grond op te rapen.
„Er is gerommeld aan de deur naar uw kantoren, maar de tieners zijn er niet in geslaagd om daar in te breken. Daar hebben we ze betrapt.“
„Waarschuwt uw alarmsysteem de politie als er wordt ingebroken?“ vroeg rechercheur Terrison.
„Het had de politie moeten waarschuwen, en mij ook. Ik denk niet dat het werkt.“
„Ik begrijp het.“ Hij keek haar aandachtig aan.
„Laat me u uw achterdeur zien.“ Agent Meskins gebaarde dat ze hem moest volgen. „Ik ga de andere bedrijven controleren. Nog een fijne avond.“
En zomaar was de knappe man verdwenen. Ze had geen andere keuze dan de agent naar de achterkant van de bakkerij te volgen.
Zal ik hem ooit nog zien?
***
Er was geen sterveling te bekennen toen ze de volgende ochtend op weg naar de bakkerij Taylor Street insloeg. Halverwege het volgende huizenblok begon de auto te pruttelen en te knallen, en vulde een dikke rookwolk de lucht.
Wat? Haar hart bonkte in haar borst. Ze stuurde de auto snel van de weg af.
De scherpe geur van smeulende rook en lekkende koelvloeistof drong haar neusgaten binnen toen ze gehaast uit de auto klom. Met een kloppend hart wankelde ze even voordat ze rechtop op de stoep ging staan.
Haar handen, in handschoenen met roze en witte stippen, bedekten haar mond. Ze sprong achteruit toen de auto vlam vatte.
Haar onderlip trilde van de schrik. Mijn tas! Ze haastte zich en griste hem van de passagiersstoel.
„Achteruit!“ riep een man terwijl hij langs kwam rennen met een brandblusser.
Haar maag kromp samen van ongerustheid toen hij over het autoportier heen reikte en de motorkap ontgrendelde. De dappere ziel ontweek de vlammenzee, pakte de metalen stang en zette de motorkap vast.
Met een zwaaiende beweging werd de motor overgoten met schuim, en het vuur werd gedoofd. Chloe's ogen ontmoetten de zijne toen hij dichterbij kwam.
„Jij bent het. Jij bent de rechercheur die gisteravond in mijn bakkerij was.“
De lange, gespierde man veegde vegen schuim van zijn zwarte pak. „Oh ja, dat klopt. Ben je in orde?“
Haar stem sloeg over. „Ja. Ik ben in orde.“
Hij wierp een blik op haar terwijl hij over de arm van zijn colbert wreef. „Mijn mouw is behoorlijk nat.“ Hij trok zijn jasje uit en hing het over zijn arm.
Ze keek toe hoe hij de brandblusser tegen zijn andere arm drukte. Zijn gespierde biceps spande zich aan onder de mouw van zijn overhemd.
Dat is indrukwekkend.
„Heb je je gebrand?“ vroeg ze.
Hij draaide zijn handen om en bekeek ze. „Nee. Geen brandwonden.“
„Godzijdank.“ Haar voeten leken wel aan het asfalt vastgelijmd. Ze keek hoe hij naar de glazen deur van het vier verdiepingen tellende kantoorgebouw achter hen liep.
„Ik hoop dat de rest van je week beter wordt,“ zei hij terwijl hij zich omdraaide om te gaan.
Ze keek even naar de woorden Knox County Judicial Center die in steen boven de deur gegraveerd stonden, voordat ze zich naar binnen haastte om hem in te halen.
„Neem me niet kwalijk,“ zei ze terwijl ze aan zijn jasje trok.
Hij draaide zich om in het midden van de grote hal. „Ja?“ Zijn lippen krulden in een glimlach.
Verward hield ze haar hoofd schuin. „Hoe wist je dat? Ik bedoel... mijn auto.“
„Ik zag je vanuit mijn kantoorraam.“
Haar mond viel open terwijl ze in zijn hazelnootbruine ogen staarde.
„Wilde je iets zeggen?“ Hij trok een wenkbrauw op.
Ze haalde diep adem. „Ik weet zeker dat mijn auto volledig was afgebrand als je niet zo snel had gehandeld. Je hebt hem gered.“
„Geen probleem.“ Hij ging rechter op staan.
Haar hart begon sneller te kloppen. Bedenk iets.
„Hoe lang woon je al in deze stad?“
„Pas een paar maanden. Ik ben de nieuwste rechercheur van Knox County.“
„Ik kan me niet herinneren of ik me gisteravond heb voorgesteld, maar ik ben Chloe Livingston.“
„Jouw bakkerij heeft de beste brownies van de stad.“
Ze kreeg het er warm van. „Dat is me vaker verteld. Luister... Mitchell. Mag ik je Mitchell noemen?“
„Natuurlijk.“
Ze wierp een snelle blik op zichzelf, helemaal tot aan haar voeten. Ze was niet bepaald gekleed om indruk te maken, met een simpel wit shirt dat in haar oude, vervaagde spijkerbroek was gestopt.
Het beste detail van haar outfit was een geborduurde leren riem die haar moeder in België had gekocht.
Waarom had ze uitgerekend vandaag haar meest versleten schoenen gekozen? En deze handschoenen, die ze zelf wel grappig vond, maar die hij waarschijnlijk belachelijk vond.
Ugh. Ze woelde met een hand door haar haar. „Dus, eh, ik moet er maar eens vandoor.“
„Oh, juist.“ Mitchell klemde zijn handen samen.
„Misschien kan ik je terugbetalen met, eh... brownies? Je weet wel, omdat je me te hulp schoot.“
„Brownies?“
„Alsjeblieft. Het is het minste wat ik kan doen.“
Ze keek naar beneden; er lag een notitieblokje op de balie van de receptioniste naast hen.
„Mag ik?“ vroeg ze.
Hij haalde zijn schouders op.
Ze krabbelde zeven cijfers op het blokje en stopte het in zijn hand. „Hier is mijn nummer.“
Hij stopte het in de zak van zijn overhemd. „Mooie handschoenen.“
„Dank je.“ Ze hield haar hoofd schuin terwijl er een glimlach op haar lippen verscheen.
„Zal ik een sleepwagen voor je bellen?“
Met een snelle blik over haar schouder zag ze haar auto. „Nee. Het is oké. Ik denk dat hij ver genoeg van de weg staat. Ik bel wel iemand zodra ik bij de bakkerij ben.“
Hij liep naar de lift. „Dan zie ik je later?“
De deuren van de lift gleden dicht.
Opnieuw verdween de perfecte man uit het zicht.













































