
De Verdorven Kapper
Auteur
S. Glasssvial
Lezers
49,3K
Hoofdstukken
4
Hoofdstuk 1
Het was 1805 en Kenny, een jonge edelman, had een scheerbeurt nodig.
„Er is een familietragedie gebeurd en we moeten u helaas laten weten dat we onze kapperszaak vandaag niet kunnen openen. Onze oprechte excuses.”
„Verdomme,” vloekte Kenny toen hij het briefje las, waarna hij zich meteen een beetje schuldig voelde.
Hij wist dat Sir John zijn zaak nooit zomaar zou sluiten, dus er moest wel iets vreselijks zijn gebeurd.
Kenny kon alleen maar hopen dat alles goed was met hem, zijn vrouw en zijn kinderen.
Maar om even aan zichzelf te denken, wat moest hij nu doen? Hij beet op zijn vingernagel terwijl hij nadacht of hij naar die nieuwe kapperszaak moest gaan of niet.
De plek zag er een beetje vreemd uit toen hij er eerder langs was gelopen en door het raam had gekeken. Het was er ook erg klein, dus misschien was er niet eens een plekje voor hem over...
Hij begon echter in tijdnood te komen. Het was al laat en hij had niet veel tijd meer over voordat het feest over vier uur begon, dus hij had die scheerbeurt zo snel mogelijk nodig.
Hij kon er niet slordig uitzien op een belangrijk familiefeest! De baas van zijn vader, Sir William, was ook uitgenodigd, en Kenny moest er absoluut perfect uitzien.
Hij was de enige zoon en zijn vader wilde graag met hem pronken in de hoop dat hij met een van Sir Williams dochters zou kunnen trouwen.
Kenny stak zijn hand op toen hij een koets zag verschijnen, die vervolgens voor hem stopte.
„Pardon, kent u die nieuwe kapperszaak tegenover de oude slagerij?” vroeg hij aan de koetsier.
„Zeker wel, meneer,” zei de oudere man.
„Ik wil daar graag heen, alstublieft.”
***
Tring, tring, klonk de bel toen Kenny de piepende voordeur opende.
De kapperszaak was heel klein, met slechts één stoel. Het was er een beetje rommelig, maar er hing een aangename geur. Was het vanille?
Kenny keek om zich heen en zag een paar schilderijen aan de muur hangen. Ze waren niets bijzonders.
De kappersstoel was echter een echte blikvanger. Hij had een zwartleren zitting en rugleuning, en het frame was van metaal en zwaar versierd met barokke krullen die eindigden in leeuwenkoppen.
De armleuningen en voetsteunen waren gemaakt van bronskleurig metaal.
Ervoor stond één grote spiegel die tot aan het plafond reikte.
„Hallo?” riep Kenny. „Is hier iemand? Meneer? Meneer de kapper?”
Buiten werd het met de seconde donkerder. Kenny was blij dat hij binnen was toen het begon te regenen.
Een bliksemflits en een harde donderslag volgden, die de winkel verlichtten.
Hij schrok een beetje toen hij in de lichtflits plotseling een andere persoon zag verschijnen, die nog geen armlengte van hem vandaan stond!
„Oh, m—mijn hemel!” stotterde Kenny. „Het spijt me, meneer, ik had u niet gezien.”
„Oh, echt waar?” zei de andere man. „Maar ik stond hier al de hele tijd.”
Er kwam een vreemde, duistere energie van de knappe man af. Het bezorgde Kenny de rillingen.
Hij vroeg zich even af of het een fout was om hierheen te komen.
De man had zelf wild haar, wat Kenny een beetje vreemd vond. Waarom had een kapper zulk warrig haar?
Het was lichtblond, bijna wit, maar zijn ogen waren zo donker als de nacht. Hij droeg een wit pak dat hem als gegoten zat.
„Mijn naam is Trevor. Ik ben vandaag uw kapper,” zei Trevor met een zware stem.
„Ik wil niet opscheppen, maar ik ben de beste in mijn vak. Wat kan ik voor u doen? Knippen? Scheren? Vertel me alstublieft wat u wilt...”
Kenny slikte. De donder rommelde opnieuw, precies toen Trevor was uitgesproken. Dit maakte de sfeer nog enger.
„Ehm... ik ben Kenny. Het is altijd leuk om onbekende mensen te ontmoeten,” zei hij, terwijl zijn stem lichtjes trilde en nauwelijks hoorbaar was door de harde regen buiten.
Hij stak zijn arm uit en schudde Trevors warme hand.
„Hallo, Kenny.”
„En om uw vraag te beantwoorden: ik kom voor een scheerbeurt.” Trevor glimlachte en liet een perfect gebit zien, terwijl hij Kenny's schouder aanraakte en hem een zacht duwtje richting zijn stoel gaf.
„Ga zitten,” beval hij.
Kenny ging op het zachte zwarte leer zitten en deed zijn hoge hoed af. „Oh, waar kan ik...?” Hij keek om zich heen, zich afvragend waar hij zijn hoed kon neerleggen.
„Oh, geef het maar aan mij, beste jongen. En je jas en gilet ook, zodat je comfortabeler zit,” zei Trevor.
Kenny trok zijn jas en gilet uit en gaf ze aan de kapper, samen met zijn hoed.
Trevor liep naar de toonbank en legde de spullen neer, voordat hij naar het raam liep, de gordijnen sloot en de deur op slot deed.
„Ik wil vandaag geen klanten meer. Het is al laat,” vertelde hij aan Kenny, die verward keek.
„Ehm... oké...”
Trevor begon de scheerzeep op Kenny's wangen te kwasten, en daarna op zijn kin en bovenlip.
„Je hebt een prachtige huid,” zei hij, terwijl hij zijn grote zilveren scheermes openklapte.
Heel zachtjes streek hij met het scherpe instrument over Kenny's gezicht, terwijl hij voorover boog om goed te kunnen zien wat hij deed.
Hij kwam zo dichtbij dat Kenny hem kon ruiken. De kapper had dezelfde geur die Kenny rook toen hij de winkel binnenkwam: vanille.
„Zo,” zei Trevor toen hij klaar was met de laatste haal van het mes. Hij pakte een handdoek en maakte Kenny's gezicht schoon.
„Laat me alsjeblieft je haar goed doen. Maak je geen zorgen, het is gratis,” ging hij verder, terwijl hij Kenny's zachte, ravenzwarte haar begon te kammen en het gladstreek met wat speciale rozenolie.
Kenny moest toegeven dat hij er heel knap uitzag na het werk van de kapper. Hij was zeker klaar om naar het feest te gaan!
„Dank u, meneer,” zei hij, terwijl hij zijn hoofd van links naar rechts en van rechts naar links draaide om het sublieme werk van de kapper te bewonderen.
„Oh, noem me alsjeblieft Trevor. En het ziet er zeker goed uit. Je ziet er goed uit... Sterker nog, je ziet er zo goed uit, dat ik je niet kan laten gaan. Ben je het daar niet mee eens, Stoel?”
„Wat?” Kenny begreep niet wat Trevor bedoelde. Hem niet laten gaan? Stoel?
Kenny slikte toen er plotseling bronzen boeien om zijn polsen klikten. De metalen beugels waren zomaar uit het niets op de kappersstoel verschenen!
„Oh, meneer de kapper! Wat betekent—”
Voordat Kenny zijn zin kon afmaken, werden zijn voeten vastgezet in metalen enkelboeien, en brak de kwaadaardige stoel zijn voetsteun in tweeën alsof hij een eigen wil had, waardoor Kenny's benen wijd werden geduwd.
De jonge man zat helemaal gevangen in de kwaadaardige stoel.
„Oh!” hapte hij naar adem van angst. Met grote ogen keek hij in de spiegel naar Trevor, die achter hem stond met een duivelse grijns op zijn gezicht.









































