
Geen demonen in de hemel
Auteur
Isabell R
Lezers
17,2K
Hoofdstukken
41
Dit verhaal komt binnenkort naar Galatea — blijf op de hoogte!
Kwade Geest
Mijn dag begon zoals de meeste dagen. Mijn pleegbroer was al naar school vertrokken toen ik wakker werd—hij nam nooit afscheid.
Ik stond op, nam een douche en ging de deur uit. De ochtend was fris en vochtig, wat me eraan herinnerde dat de zomer bijna voorbij was.
Onderweg naar mijn werk passeerde ik een oude vrouw die haar kat uitliet. Op het eerste gezicht zag ze er heel gewoon uit, maar de lucht veranderde toen ik langs haar liep. Ik kon het voelen—een zachte trilling van magie.
Ze was een heks. Waarschijnlijk ongevaarlijk.
Ik had zulke dingen altijd al kunnen voelen. Het was geen instinct of training, maar gewoon... wat ik was.
Ik was geen mens. Ik was een Umbra vernandi—een demonenjager. De meeste mensen noemden ons gewoon Umbra.
Volgens onze geschiedenis stamden wij zelf af van demonen, belast met de taak om alle demonen op te jagen die uit de hel waren ontsnapt.
Of dat echt waar was, wist ik niet. We zagen onszelf niet als demonen—we waren menselijker dan veel andere bovennatuurlijke wezens, alleen gezegend met meer kracht, snelheid en het vermogen om bovennatuurlijke energieën te voelen.
Toen ik bij ons hoofdkwartier aankwam, trok ik mijn sportkleding aan in de kleedkamer.
Ik deed een witte sportbeha aan met een bijpassende sportlegging en een strak, roze T-shirt, voordat ik mijn lange bruine haar in een knot bond.
Mijn vrienden waren er nog niet—ik was altijd vroeg. Als ik vrienden zeg, bedoel ik er eigenlijk maar twee: Emil en Caroline. Alle anderen in mijn team vonden mij onuitstaanbaar.
Ik was erg ambitieus en had meer uren dan nodig gemaakt om al mijn vaardigheden te verbeteren. Ook deed ik alles precies volgens de regels. Mijn doel was om in de Umbra-raad te komen, net als mijn grootmoeder.
„Je bent weer vroeg, zoals altijd,“ zei mijn baas en teamleider, Victor, toen ik de studio van het eerste team binnenliep.
Victor was een erg populaire man. Iedereen mocht hem graag. Hij zou waarschijnlijk de volgende dux Umbra worden, wat we het hoofd van de raad en onze leider noemden.
Hij was even knap als charmant, met een sterke bouw, blond golvend haar en diepblauwe ogen.
„Ik neem onze missie heel serieus,“ antwoordde ik. Ik zat in het sterkste en felste team—we hadden bijna dagelijks missies.
„Ja, dat weet ik. Je bent een van onze besten. Ik heb later vandaag iets spannends voor je,“ beloofde hij, en hij knipoogde naar me.
„Kan niet wachten.“ Ik grinnikte tijdens het opwarmen, voordat ik een bokszak opzocht. Ik kon ook echt niet wachten—zulke beloftes maakten het wachten saai. Vooral omdat ik mijn dagen de laatste tijd een beetje... eentonig begon te vinden.
***
„Dit is het dan,“ zei Caroline, terwijl ze omhoog keek naar de middelbare school voor ons. Het werd al donker, en de straatlantaarns wierpen griezelige schaduwen over de straten met kinderkopjes.
„Weet je het zeker?“ zei Emil, terwijl zijn ogen het gebouw scanden. „Deze plek ziet er niet verlaten uit.“
„Victor heeft niets gezegd over dat deze plek verlaten zou zijn.“ Ik lachte. Emil was een geweldige vechter, maar hij was niet erg slim.
Caroline keek naar hem op, haar sproeten verlicht in de zachte gloed van de straatlantaarn. Ze had die sproeten altijd gehaat, maar ik was er dol op. „Oké—onthoud dat hier Luci kunnen zijn,“ waarschuwde ze.
Er zaten maar twee demonen in het gebouw. Ze hadden echter wel een paar studenten vermoord, en hun zielen waren bedorven en gedoemd om hier rond te spoken.
Dit zou zeker ook Luci hierheen brengen. Ik had er nog nooit een ontmoet—ik wist alleen dat we ze moesten haten. Ze waren onze gezworen vijanden of zoiets. Ik had niet echt goed opgelet tijdens de geschiedenisles.
Maar ik wist wel dat, net zoals wij afstamden van demonen, Luci kleine engelen zouden zijn die onder de stervelingen leefden. Hun doel was om verdwaalde en bedorven geesten te redden en te zuiveren.
„Nou, laten we gaan!“ zei ik en trok mijn zwaard. Ik was een erg goede zwaardvechter, maar niet zonder jaren en jaren van oefening.
We splitsten ons op—Emil en Caroline gingen samen, en ik ging alleen.
Hoe ze erin waren geslaagd om hun relatie op het hoofdkwartier te verbergen, was voor mij een raadsel.
We mochten eigenlijk niet daten met teamgenoten, aangezien het een zwakte kon zijn tijdens een gevecht met demonen.
Ik voelde de energie van een demon toen ik de tweede verdieping bereikte. Ik volgde het spoor dat naar een klaslokaal leidde.
In het lokaal stond een deur op een kier, die waarschijnlijk naar een opslagruimte leidde—de bron van de demonische energie. Ik zorgde ervoor dat ik in een vechthouding bleef staan terwijl ik dichterbij kwam.
„Ik weet dat je daar bent, demon. Het heeft geen zin om je te verstoppen,“ siste ik, want ik wilde het gewoon snel achter de rug hebben.
De deur kraakte toen hij open schoof, langzaam. Twee witte handen met lange, benige vingers kwamen uit het donker tevoorschijn en klemden zich om de rand van de deur.
Een gordijn van zwart haar viel naar buiten, gevolgd door het meest vreselijke gezicht dat ik tot nu toe had gezien. De demon had geen ogen in zijn kassen en zijn neus leek eraf te zijn gesneden.
Het wezen slaakte een gruwelijke kreet voordat het met zijn hele lichaam naar buiten schoot. Vanaf de taille naar beneden was het een spin, een heel gewone vorm voor demonen.
Ik danste in het gevecht met het wezen, en sneed door een paar van zijn poten voordat ik de perfecte hoek vond voor een dodelijke slag.
Vanaf een tafel sprong ik erop af en hakte zijn hoofd er netjes af met mijn zilveren zwaard. Ik hijgde terwijl ik zijn hoofd zag rollen. Zijn mond bewoog nog steeds. Het moest ook nog verbrand worden om hem terug naar de hel te sturen.
Toen kraakte de deur opeens weer, en ik keek er verrast naar. Een wit, blauwachtig jongetje verscheen. Hij was zwart rond de ogen en gaf me een gemene grijns.
Shit, het was een van de bedorven geesten die ik weg moest halen. Ik wist niet hoe ik met geesten moest omgaan.
Een straal van licht flitste plotseling en wikkelde zich om de geest. Een heel fijn gevoel spoelde over me heen toen ik me omdraaide en de knapste man zag die ik ooit had gezien.
Hij was lang en slank, met zijdezacht blond haar dat was opgestoken in een nette knot, en gouden ogen. De trekken in zijn gezicht waren zacht maar duidelijk. Ik had het gevoel dat ik in die ogen zou vallen als ik er te lang in keek.
Hij droeg een duur uitziend pak. Zijn ogen keken recht in de mijne, en hij glimlachte toen hij me passeerde en naar de geest liep.
Ik kon mijn ogen niet van hem afhouden toen hij een boek uit zijn zak haalde. Hij las eruit voor in een taal die ik niet begreep, maar zijn stem was melodieus en zacht.
Ik rilde toen zijn zachte woorden onder mijn huid kropen.
De geest veranderde en leek bijna weer menselijk, maar dan doorzichtig. „Wees niet bang. De dood brengt je naar huis,“ mompelde de Luci. Ik zou de hele dag naar zijn stem kunnen luisteren, zo mooi was die.
Vlak daarna verdween de geest. Ik staarde alleen maar, helemaal betoverd door deze vreemdeling.
„Je bent erg vaardig, kleine demon. Ik keek toe hoe je daarmee vocht,“ zei hij, en hij wees naar de demon die ik had gedood.
„Je bedoelt de aracknima?“ vroeg ik, terwijl ik me buiten adem voelde.
„Ja, precies. Ik ben Sebastian,“ zei hij, terwijl hij me aanstaarde met zijn prachtige ogen, die diep in mijn ziel keken. Hij moest wel een Luci zijn. Het was de bedoeling dat ik hem haatte. Waarom deed ik dat dan niet?
„Ellie,“ antwoordde ik. „Je blijft maar staren. Heb ik iets op mijn gezicht?“
Mijn vriend, Glen, zou de gedachten die ik maar niet uit mijn hoofd leek te krijgen over de man voor me waarschijnlijk niet leuk vinden. Hij bekeek me en lachte—het pure geluid van hem alleen al zette iets in mij in vuur en vlam. Ik wilde hem dichterbij hebben.
„Ik wist niet dat een demon zo boeiend en mooi kon zijn,“ zei hij, terwijl hij langzaam naar me toe liep alsof hij mijn stille gebed had gehoord. Was ik aan het dromen?
Hij was zo ontzettend knap, ik had nog nooit iemand zoals hem ontmoet. Alles aan hem trok me aan. Ik slikte hard en deed een stap naar achteren.
Mijn hart bonsde toen hij bij me was gekomen. Ik struikelde verder naar achteren en pakte de rand van een bureau vast om mezelf overeind te houden.
Mijn ogen bleven op zijn lippen rusten, en ik keek snel weg toen ik merkte dat mijn wangen warm werden. Ik beet nerveus op mijn lip. Wat was dit?
„Ik ben geen demon, ik ben een Umbra,“ mompelde ik. Omdat ik niet omhoog durfde te kijken, staarde ik naar zijn schoenen.
„Is dat zo,“ zei hij, en hij legde zijn vingertoppen onder mijn kin, waardoor ik hem wel aan moest kijken. „Zulke mooie ogen. Ik denk niet dat ik ooit zo'n prachtige tint blauw heb gezien,“ mompelde hij toen zijn blik de mijne ontmoette.
Ik trilde inmiddels door een plotselinge drang om in zijn armen te smelten. Ik was helemaal betoverd. Kon hij echt een Luci zijn?
„Probeer je me nu serieus te versieren?“ vroeg ik, en ik sloeg zijn hand weg in een poging mezelf te herpakken. Wat was er mis met mij? Ik had een vriend.
Hij lachte. „Ja, ik vind je heel erg fascinerend,“ gaf hij rustig toe.
„Je bent een Luci, of niet?“ vroeg ik. Ik keek hem nu uit mezelf aan, maar mijn goden, wat was hij knap.
„Dat ben ik. Ik zou eigenlijk niet met je moeten praten,“ zei hij, terwijl hij naar me glimlachte. Mijn hart klopte zo hard dat ik er bijna een hartaanval van kreeg.
„Doe dat dan niet,“ sprak ik hem tegen, terwijl ik hem recht in de ogen keek. Hij was een flink stuk langer dan ik.
Zijn blik was warm toen er een grinnik aan hem ontsnapte. „Oh, maar dat wil ik heel graag,“ fluisterde hij, en hij leunde dichter naar me toe.
Zijn geur van bos en bloemen sloeg in als een bom. Ik rilde terwijl er vlinders in mijn buik fladderden en mijn knieën slap werden.
„Ellie, ik heb overal naar je gezocht,“ zei Emil, die de kamer binnenkwam. „Oh, een Luci,“ zei hij vol afschuw toen hij Sebastian zag.
„Nou... dit werd snel ongezellig. Misschien zie ik je nog wel eens, kleine demon,“ zei hij tegen me, voordat hij langs Emil liep en ons achterliet. Ik staarde hem na als een idioot.
„We blijven normaal gesproken uit elkaars buurt. Haat je het niet hoe ze de wereld laten voelen als zonneschijn en vlinders, overgoten met siroop?“ zei Emil walgend.
„Nou, dat was zeker iets nieuws,“ antwoordde ik. Wat de fuck er net ook was gebeurd, het voelde onwerkelijk en wazig aan, als een droom—een droom waaruit ik niet wakker wilde worden.
Ik keek boos naar Emil, verward en teleurgesteld. „Klus weer goed geklaard, zoals altijd. Laten we nu de demonen gaan verbranden,“ zei hij vrolijk, zich totaal niet bewust van mijn slechte humeur.
„Ja.“ Ik zuchtte. Het euforische gevoel verliet me, en dat verlies was uiterst storend en maakte me boos.
Ik was van plan om direct naar huis te gaan nadat we onze missie hadden afgerond, maar nu ik me zo voelde, wist ik dat ik Glen moest zien. Ik had zijn aanwezigheid en troost nodig om de verwarring in mij op te lossen.








































