
Bloody Alpha (Nederlands)
Auteur
Jeay S Raven
Lezers
3,6M
Hoofdstukken
30
De Steeg Deel I
JADE
De bittere kou laat mijn ogen tranen terwijl ik mijn weg baan door de lange, schaduwrijke steeg. Het is iets na middernacht en de bijna volle maan gaat schuil achter een sluier van donkere wolken, waardoor haar gloed dit afgelegen pad nauwelijks bereikt.
De torenhoge bakstenen gebouwen aan beide kanten werpen een diepe duisternis, die alleen wordt doorbroken door een zwak licht aan het einde van de steeg. Het flikkert als een verre vuurtoren in de nacht.
Ik had een taxi kunnen aanhouden, maar mijn budget laat zulke luxe niet toe. Bovendien is mijn huis hier niet ver vandaan. Toch bezorgt de gedachte om 's nachts alleen te lopen me rillingen, en dat komt niet alleen door de kou.
Een weerwolf zijn maakt het er niet makkelijker op. Ik ben een omega, de allerlaagste in de hiërarchie van de roedel. Het voelt meer als een vloek dan als een gave.
Natuurlijk zijn de betere zintuigen en snelle genezing een voordeel, maar ze wegen nauwelijks op tegen het meedogenloze gepest van andere wolven. Ze lijken er plezier in te scheppen om me aan mijn lage status te herinneren.
Soms vraag ik me af of het leven als mens simpeler zou zijn geweest. Maar het heeft geen zin om stil te staan bij wat had kunnen zijn. Ik ben wat ik ben, en daar is niets aan te veranderen.
Een windvlaag blaast een dwarreling van sneeuw tegen mijn benen aan, die onder mijn jurk kruipt.
Damn, dat is ijskoud!
Mijn dijhoge wollen kousen zijn niet opgewassen tegen de bijtende kou. Ik versnel mijn pas en trek mijn jas dichter om me heen.
Wie gaat er nou bij goed verstand in dit weer naar buiten in een knielange jurk en hakken, met alleen een wollen jas als bescherming? Dat ben ik dus.
Ik wist dat ik naar huis zou moeten lopen toen ik vertrok, maar ik wilde er voor de verandering eens goed uitzien. Dit is geen typische zaterdagavond voor mij, en ik had niet zoveel sneeuw of deze opstekende wind verwacht.
Mijn beste vriendin, Galina, had me mee uit eten gevraagd. Ik heb niet veel vrienden, maar Galina is er altijd voor me geweest, door dik en dun.
Het klikte meteen toen we elkaar vijf jaar geleden ontmoetten. Ondanks onze verschillen, begrepen en respecteerden we elkaar.
Galina is gedurfd en vol zelfvertrouwen, en komt uit een rijke, hooggeplaatste familie. Ze is er nooit verlegen om in het middelpunt van de belangstelling te staan of voor zichzelf op te komen.
Ik ben het complete tegenovergestelde. Ik kom uit een bescheiden familie van omega's.
Ik ben stil en gereserveerd, en ga liever op in de achtergrond. Ik mis het zelfvertrouwen van Galina en zie mezelf vaak als minder dan doorsnee.
Maar bij Galina voel ik me gezien. Ik voel me veilig.
Geld is krap geweest sinds ik drie jaar geleden bij mijn ouders ben weggegaan. Ik moet op elke cent letten.
Galina geeft nooit commentaar op mijn financiële situatie, noch zet ze me onder druk om hulp te accepteren. Ze begrijpt en respecteert mijn wens om onafhankelijk te zijn.
Toen ze voorstelde om vanavond uit te gaan, aarzelde ik. Maar ze stond erop dat zij zou betalen, aangezien zij degene was die uit wilde gaan. Ze wilde dat ik met haar meeging.
Dus gaf ik toe. Ik breng graag tijd met haar door.
Galina is de enige weerwolf die ik ken die niet de behoefte voelt om haar dominantie over mij te laten gelden. Ze behandelt me als haar gelijke sinds de dag dat we elkaar ontmoetten.
We hebben vanavond een geweldige tijd gehad, genietend van een driegangendiner, wijn en een paar drankjes.
Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst uit eten ben geweest. Maar vanavond heb ik me enorm vermaakt. Het lukte me zelfs om me te ontspannen, gezien de meeste gasten in het restaurant mensen waren.
Terwijl ik verder door de steeg loop en de wind om de hoeken van de gebouwen huilt, kan ik niet anders dan dankbaar zijn voor een vriendin als Galina.
Plotseling onderbreekt een geluid achter me mijn gedachtegang.
Ik draai me om, maar door de duisternis en de dicht vallende sneeuw is het onmogelijk om iets te zien.
Mijn hart klopt als een trommel en mijn lichaam trilt van angst. Ik dwing mezelf om me weer om te draaien en verder te lopen. Mijn hartslag is een oorverdovend gebulder in mijn oren, en slikken voelt als een hels karwei.
Blijf gewoon in beweging. Het is waarschijnlijk niet meer dan een zwerfkat.
Een vlaag ijzige wind raakt me, en mijn maag draait om van angst. Door mijn verleden ben ik een wrak van de zenuwen.
Ik verwacht altijd het ergste en zet me schrap voor wanneer de dingen onvermijdelijk misgaan. Het is alsof ik een zesde zintuig heb voor naderend onheil.
De verre geluiden van gelach en gesprekken uit de nabijgelegen bars en restaurants zijn nog steeds hoorbaar, maar ik betwijfel of iemand me zou horen als ik gilde. Het einde van de steeg is veel dichterbij dan de drukke straat.
Een metaalachtig gekletter weergalmt tegen de muren van de steeg, gevolgd door een diepe, gedempte stem. Het is duidelijk dat ik niet alleen ben.
Mijn ogen worden groot van het besef en ik voel het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. Ik versnel mijn pas in de richting van het licht aan het einde van de steeg. Mijn ademhaling komt in korte, scherpe stoten, wat me duizelig maakt.
Ik buig mijn hoofd iets en span me in om geluiden achter me te horen, waarbij ik het geknars van sneeuw onder mijn schoenen probeer buiten te sluiten.
Ik wil degene—of datgene—achter me niet laten weten dat ik bang ben en probeer te ontsnappen. Daarom behoud ik mijn tempo, maar neem ik grotere stappen.
Terwijl ik me voortbegeef, raakt mijn hak een stuk ijs dat verborgen ligt onder de sneeuw, waardoor ik val en hard op mijn kont land.
Verbijsterd blijf ik op de ijzige grond zitten, proberend te verwerken wat er zojuist is gebeurd. Dan echoot het geluid van brekend glas achter me.
Ik draai mijn hoofd abrupt in de richting van het geluid, maar de vallende sneeuw belemmert mijn zicht. Ik blijf doodstil zitten en tuur in de duisternis.
Dan spot ik twee zwakke lichtpuntjes.
Ik bevries even, in een poging te begrijpen wat ik zie. Dan begint mijn hart te bonzen en breekt het koude zweet me uit.
Een snuif en een laag gegrom galmen door de steeg; ik snak naar adem en krabbel overeind.
„Eheey!“ blaft een stem van achter me.
Shit, shit, shit, shit, shit!
Ik schop mijn schoenen uit en sprint naar het einde van de steeg, waar ik naar links wegglijd. Ik moet weg zien te komen, en snel ook!
De tranen stromen over mijn gezicht, terwijl de ijskoude wind in mijn wangen steekt.
Wat in godsnaam was dat? Nee, ik wil het niet weten!
Ik blijf rennen, en mijn gedachten jagen net zo snel als mijn benen. Het moet een man zijn—de diepe stem was een duidelijke weggever.
Zijn stem was dwingend, hard en verstoken van genade, wat me de stuipen op het lijf jaagt. Hij is overduidelijk een dominant.
Hij zou een mens kunnen zijn, maar dat maakt me niet minder bang. Mensen kunnen net zo wreed zijn als wolven.
Als hij me te pakken krijgt, valt niet te zeggen wat hij zal doen. In het beste geval schreeuwt hij naar me. In het ergste geval wordt hij fysiek. Ik wil geen van beide, ongeacht zijn soort.
In mijn ervaring geldt: hoe dominanter iemand is, des te meer hij de behoefte voelt om zijn dominantie te laten gelden. En om de een of andere reden lijk ik altijd het doelwit te zijn.
Het is alsof ik een schietschijf op mijn voorhoofd heb getekend. Als mijn onderbuikgevoel klopt, wil ik het pad van deze man niet kruisen.
Zodra mijn huis in zicht komt, waag ik een blik over mijn schouder. Gelukkig is de straat achter me leeg.
Terwijl ik ren, rommel ik naar mijn sleutels, klaar om mijn deur op elk moment te openen. Eén enkele seconde kan al genoeg voor hem zijn om me in te halen.
Mijn huis ligt slechts een kilometer buiten het stadje, maar door de kronkelende straat is het einde van de steeg inmiddels uit het zicht.
Hij zou me nog steeds kunnen achtervolgen, dus ik kan het me niet veroorloven om af te remmen, hoe erg mijn lichaam ook protesteert. In plaats daarvan dwing ik mezelf om nóg sneller te rennen.
Mijn voeten zijn gevoelloos en ik proef bloed in mijn mond. Mijn oren suizen, en de koude lucht brandt in mijn keel en longen.
Terwijl ik onhandig de paar treden naar mijn voordeur beklim, klinkt er een rochelend, dierlijk gebrul vanuit de steeg.
Een koude rilling loopt over mijn rug en dreigt me van angst op mijn knieën te dwingen. Verse tranen wellen op in mijn ogen, stromen over en trekken koude sporen over mijn door de wind verkilde wangen terwijl ik met de sleutel pruts en mijn handen ongecontroleerd trillen.
„HOLY SHIT!“
















































