
Taquork Market: Een geschenk voor de generaal
Auteur
Lezers
931K
Hoofdstukken
23
Hoofdstuk 1
Boek 1: Een cadeau voor de generaal
AVA
Terwijl ik langzaam wakker word, vecht ik tegen de laatste restjes van mijn meest voorkomende stressdroom: de begrafenis van mijn ouders plannen. In de droom stopt het plannen nooit en moet ik steeds weer keuzes maken. In het echt is het al twee jaar achter de rug.
De lucht voelt heel erg koud aan. Is mijn verwarming kapot? Wacht... het is toch juni?
Mijn handen voelen alsof ze elk honderd kilo wegen als ik mijn deken over me heen wil trekken. Mijn tastende vingers vinden niets anders dan mijn blote huid en een betonnen vloer onder me, op de plek waar mijn bed hoort te staan.
Dat is niet alles, want mijn hele lichaam is stijf en doet pijn. De bewegingen van mijn spieren zijn traag en stijf, en het lukt me niet om mijn ogen open te doen.
Een doffe pijn klopt in mijn hoofd en ik proef een bittere smaak van medicijnen op mijn tong. Ik raak in paniek, maar mijn lichaam reageert traag terwijl de angst door mijn hoofd giert.
Ik ben naakt, op een klein broekje na. Mijn rug zit vol kippenvel waar hij tegen de vloer drukt, en mijn losse haar kriebelt op mijn borsten waar het over mijn schouders valt.
What the fuck?
Ik probeer me gisteravond te herinneren, maar mijn gedachten zijn wazig.
Opeens verdwijnt de vreselijke slaapverlamming in één klap en schieten mijn ogen open.
Terwijl ik op mijn rug lig, zie ik tralies boven me. Het licht in de kamer is gedimd en ik slaak een zacht kreetje als ik besef dat ik in een kooi zit.
„Ssst!“ fluistert een stem naast me. „Ze willen dat we 's nachts stil zijn.“
Oh god, ben ik ontvoerd door een kartel? Zit ik in een pakhuis in een ver land?
Ik rol op mijn zij en ga gehurkt zitten, terwijl ik één arm tegen mijn blote borst druk. In een kooi, een paar centimeter rechts van me, zit nog een vrouw gehurkt.
Maar ze is een fucking kat.
Ik smoor nog een gil met mijn vrije hand.
Ze is opvallend vrouwelijk en van top tot teen bedekt met een laag lichtgrijze vacht. Ze kijkt me aandachtig en bijna beschermend aan, terwijl haar staart achter haar heen en weer zwaait.
Ze legt één vinger op haar lippen. Haar scherpe tanden steken maar net onder haar donkergrijze lippen uit. „Ssst. Je blijft stil, toch?“ fluistert ze, waarna ze haar vinger laat zakken.
Ik knik verwoed en laat mijn handen zakken. Fuck mijn blote tieten, er zijn duidelijk dringendere problemen.
„Je bent op de vleesmarkt van Taquork en je zult worden verkocht,“ vertelt ze me botweg, terwijl haar vreemde, gele ogen de mijne ontmoeten met een flits van medelijden. „Je bent van je planeet gestolen. Jij en vier andere mensen zijn twee dagen geleden aangekomen.“
Ik kijk wanhopig de kamer rond, en mijn gedachten slaan op hol als ik niets anders zie dan kooien. In bijna elke kooi ligt een ineengedoken, slapend lichaam. De weinige lichamen die ik in het donker kan onderscheiden, lijken op dieren met extra staarten, net als mijn buurvrouw, en sommige hebben zelfs vinnen.
Ik adem veel te snel en probeer weer rustig te worden.
„Adem in,“ fluistert ze. „Wat is je naam?“
„Ava Mathews.“ Ik hap naar adem en vecht om rustig te blijven ademen. „Ik ben niet meer op aarde? Jij bent geen mens? Hoe kun jij Engels spreken!?“ fluister-vraag ik haar stompzinnig.
Mijn duidelijk niet-menselijke kooibuurvrouw geeft me een brede, geamuseerde glimlach, wat haar scherpe hoektanden alleen maar benadrukt. „Nee, ik ben Pluriaan. Mijn naam is Kiri.“
Ze tilt een vinger met een kleine klauw op en tikt achter een van haar harige oren. Ik doe hetzelfde en voel een zere plek bij mijn haarlijn.
„Vertaalchip,“ legt ze uit. Terwijl ik zie hoe ze praat, merk ik dat de bewegingen van haar mond niet helemaal overeenkomen met haar woorden. „Standaarduitrusting voor alle slaven.“
„Slaven? Ben ik een slaaf? In de ruimte?“ Nog meer domme vragen, Ava, foeter ik mezelf uit. Ik plof achterover op mijn billen, kruis mijn benen en buig mijn bovenlichaam over mijn knieën. Ik verberg mijn handen in mijn haar. „Oh god, dit is zo erg.“
„Maak je geen zorgen,“ zegt Kiri zachtjes. „Mensen zijn zeldzaam en erg veel waard. Jij zult niet in een bordeel hoeven werken, zoals de meesten hier.“
Ik weet een gesmoord geluid uit te brengen, maar ik ben nog steeds niet voorbij de eerste schok van 'op het punt te worden verkocht op een buitenaardse slavenmarkt'.
„Het wordt snel ochtend,“ fluistert Kiri.
Opeens springen er verblindende plafondlampen aan, gepaard met een loeiend alarm dat om ons heen echoot. Aan de andere kant van de kamer opent zich de grootste en meest hightech schuifdeur die ik ooit heb gezien, en wezens die duidelijk bewakers zijn lopen netjes achter elkaar naar binnen voordat de deur achter hen sluit.
Mijn knieën trillen. Het is overduidelijk dat deze wezens buitenaards zijn. Hun lichamen zijn rond en gedrongen; hun huid heeft bobbelige tinten van gevlekt groen en bruin. Ik kan ze alleen maar „padden“ noemen.
Ze dragen allemaal hetzelfde grijze uniform, met grote zilveren armbanden om één onderarm. Een veel te grote, omlaag hangende en liploze mond neemt het grootste deel van hun gezicht in beslag. Als er eentje een geeuw laat ontsnappen, spannen dikke draden slijm zich uit over de grote opening.
In het licht kan ik de andere kooien in de kamer goed onderscheiden. De padden hebben zich zo opgesteld dat er één voor elke rij gevangenen staat. Kiri's kooi staat recht voor de mijne, en hoewel de kooien van voor naar achter dicht op elkaar staan, zit er een breed gangpad tussen de rijen.
Er zijn zo veel kooien dat het pijn doet in mijn hart. Alle buitenaardse vrouwen dragen alleen een zwart broekje. Net als ik.
De paddenbewakers openen de eerste kooi in elk van hun respectievelijke rijen en trekken de vrouwen eruit. De bewaker vooraan mijn rij haalt de eerste grote armband van zijn pols.
Hij doet het metaal om de nek van de buitenaardse vrouw. Mijn gezicht wordt rood als ik besef dat het halsbanden zijn.
Als hij bij mijn kooi komt, stap ik er snel uit voordat hij me kan grijpen. De pad klikt de halsband om mijn nek voordat hij doorgaat naar de volgende bezette kooi in mijn rij. Het metaal voelt verrassend warm aan tegen mijn huid en er is een nauwelijks waarneembaar gezoem... als een schokhalsband.
Een paar rijen verderop trekt een ander mens mijn aandacht, ze geeft me een brede grijns en een kort zwaaitje. Haar huid is mooi donker, haar lichaam is één en al ronding, en als ze op haar tenen wipt, wiebelen haar enorme borsten.
Ik geef amper een voorzichtige glimlach terug voordat de deur weer openschuift en onze rijen in beweging komen. Als ze wegloopt, piepen de wangen van haar billen onder haar broekje uit. Mijn eigen broekje flatteert me lang niet zoveel als dat van haar.
Ik loop mee in de rij en zorg ervoor dat ik achter Kiri blijf, maar ik raak haar kwijt zodra we de brede gang in lopen. De nette rijen vallen uit elkaar en de lichamen duwen zich samen tot één grote klont.
Paniek grijpt me aan en ik spring op als er een hand op mijn schouder belandt, maar het is het menselijke meisje dat even geleden nog naar me zwaaide.
„Hé,“ ademt ze uit, terwijl ze haar arm in de mijne haakt alsof we nieuwe hartsvriendinnen zijn. „Fijn dat je vandaag wakker bent. Ze lieten je gisteren gewoon bewusteloos in je kooi liggen,“ gaat ze verder, terwijl we vooruit schuifelen in de menigte.
„Ik ben Gabby,“ zegt ze.
„Ava,“ antwoord ik. Verderop delen twee paddenbewakers iets uit aan de voorkant van de groep, en dan verdwijnen de vrouwen om de hoek verderop in de gang.
We gaan in de rij staan voor de vieste eiwitreep die ik in mijn leven heb gezien. Het wiebelt in de tang van de bewaker. Het heeft een roestige kleur en veert als een mix tussen een elastiekje en gelatinepudding.
Ik houd mijn adem in en neem een heel klein hapje van een hoekje. De textuur is echt vreselijk. Ik kauw snel, maar eigenlijk valt de smaak best mee. Het lukt me om de hele reep op te eten voor we aan het einde van de gang zijn en ik veeg de restjes af aan mijn broekje.
„Doe wat ik doe,“ fluistert Gabby terwijl onze groep naar de grootste gezamenlijke doucheruimte wordt geleid die ik ooit heb gezien. De afvoerputjes zijn gelijkmatig over de vloer verdeeld, met boven elk putje een douchekop.
Gabby trekt haar broekje uit en ik doe snel hetzelfde, waarna we de kleding op een groeiende stapel op de vloer naast ons gooien.
Het voelt raar om hier gewoon naakt te staan. Ik sla mijn handen ineen voor me, om de kleine driehoek haar tussen mijn benen te verbergen. Dan worden we overgoten door een stroom van lauwwarm water die mijn haar over mijn ogen plakt. Ik proest en veeg het uit mijn gezicht terwijl het water over ons heen blijft gieten.
Na ongeveer dertig seconden stopt het water en ik kan maar net op adem komen voordat er een tornado van wind door de kamer raast.
Ik slaak een kreet van verbazing. Het voelt alsof ik in een gigantische handdroger sta. Mijn haar slaat in mijn gezicht, maar het wordt wel snel droog. Als de wind eindelijk gaat liggen, fladdert mijn haar rond mijn schouders in zachte, donkerbruine krullen.
„Huh,“ is het enige wat ik kan zeggen.
De paddenmannen komen binnen. Sommigen delen schone kleine, zwarte broekjes uit, terwijl anderen de verspreide stapels vieze broekjes verzamelen die we achterlieten.
Ik pak braaf mijn broekje aan en trek het gemakkelijk aan. Gabby heeft echter moeite om het hare over haar brede heupen te trekken, en haar grote borsten wiebelen en schudden terwijl ze zich in het broekje wurmt.
Een van de paddenmannen naast ons maakt een obsceen gebaar en hij mompelt iets beledigends tegen de bewaker naast hem.
„Geef me dan een shirt, jij fucking Kermit-gezicht!“ schreeuwt Gabby tegen hem.
De kraaloogjes in zijn amfibieachtige gezicht vernauwen zich van woede. Hij gebaart met een snelle beweging van zijn pols naar Gabby, en haar halsband piept en zoemt met elektriciteit.
Ik kijk geschrokken naar Gabby. Ik wacht tot ze het uitschreeuwt van de pijn.
Maar ze geeft slechts een kleine huivering, doet haar broekje dicht en mompelt: „Huh, goed om te weten.“
De bewaker draait zich van ons af. Hij loopt naar de open deur aan de andere kant van de douches.
„Ben je helemaal gek geworden?“ fluister ik boos tegen Gabby zodra de bewaker ver genoeg weg is.
„Sorry.“ Ze schenkt me een kleine, beschaamde glimlach. „Mijn buurvrouw had waarschijnlijk gelijk, ze willen ons niet beschadigen.“ Ze haalt haar schouders op.
„Ik weet niet hoe je die enorme ballen in dat piepkleine broekje hebt verstopt, maar petje af, je bent veel dapperder dan ik.“
Gabby lacht alleen maar. Ze pakt mijn schouders vast en draait me naar de open deur.
We schuifelen zwijgend door een andere lange gang en ik kan licht zien aan het einde. De lucht ruikt anders en ik vermoed dat ze ons naar buiten brengen.
We verlaten de tunnel en komen in iets dat lijkt op een open voetbalstadion zonder dak. Er loopt een hoge muur om ons heen, alsof we ons in de arena van een Colosseum bevinden, en daarachter stijgen nog hogere rijen met zitplaatsen op. In plaats van gras is er harde, kleiachtige grond onder onze blote voeten.
Mijn hart staat stil bij de donkere vlekken die de aarde bevlekken, en mijn halsband voelt warm aan onder mijn vingers.
Juist, slaven...
„Ik denk dat het door de tieten komt,“ zegt Gabby, terwijl ze me naar de andere kant van het veld stuurt.
Ik kijk naar haar wiebelende borsten en frons. Ze zien er prima uit volgens mij.
„Wat is daarmee?“ vraag ik, en ik kijk weer naar haar gezicht.
„Waarom we zo waardevol zijn,“ legt ze uit. „Wij zijn de enigen die ze hebben.“
Mijn frons wordt dieper terwijl ik naar de figuren om me heen kijk, die langzaam rondlopen of in kleine groepjes bij elkaar staan, en... ze heeft gelijk.
Sommige aliens om ons heen hebben kleine rondingen, maar die zien er meer uit als spieren dan als vet, en de meesten hebben een compleet platte borstkas.
Ik heb mezelf nooit als iemand met rondingen beschouwd. Met mijn meter zeventig ben ik langer dan al mijn vriendinnen, en mijn krappe C-cup lijkt nog kleiner op mijn smalle frame. Ik ben atletisch gebouwd, wat me een mooie, gespierde kont heeft opgeleverd die er volgens mij altijd geweldig uitzag in jeans. Maar mijn heupen puilen niet zo uit als die van Gabby.
Maar als ik naar de andere gevangenen in onze groep kijk, besef ik iets. Vergeleken met hen lijk ik wel op Marilyn Monroe.
„Nou, shit,“ zeg ik tegen Gabby. „Als borsten zeldzaam zijn, weten ze echt niet wat ze met jou aan moeten.“
„Laten we hopen dat degene die me koopt zo in de ban is van mijn tieten dat ik ze dood kan stikken in mijn decolleté voordat ze weten wat hen overkomt,“ antwoordt Gabby, met een boze hitte in haar woorden.
Ik pers er een wanhopig lachje uit. Deze hele situatie is gewoon te belachelijk voor woorden. Ik zou banger moeten zijn, maar ik heb nog niet helemaal verwerkt wat er allemaal gebeurt en ik voel nog niet eens een hint van een zenuwinzinking opkomen.
De andere drie mensen banen zich een weg door de groepen vrouwen en komen naar ons toe. Ze stappen om de beurt naar voren om me te begroeten met korte knuffels en strakke glimlachen, en ze vertellen me hoe ongerust ze waren toen ik er gisteren niet bij was toen ze buiten waren.
Ik ben ontroerd. Het voelt als die sterke vriendschap die je met meiden op de wc in de club hebt, maar dan tien keer zo sterk.
Tijdens wat onze toegewezen bewegingstijd lijkt te zijn, dwalen we met zijn vijven door de arena en leren we elkaar wat beter kennen.
We kunnen vrijuit praten. Slechts twee van onze paddenbewakers patrouilleren op de tribunes hoog boven ons, en ze negeren het kabaal van alle stemmen. Ik gok dat ze alleen 's nachts stilte eisen.
Naast Gabby, van wie ik hoor dat ze uit New York komt en in de modewereld werkt, is er Jia, een mooi Aziatisch meisje uit Londen dat net aan een baan bij een financieel kantoor was begonnen.
Luciana komt uit Colombia. Zij heeft net zo'n mooi en vol figuur als Gabby.
Naar mijn mening is Steph de meest opvallende van ons. Ze heeft het postuur van een elfje, piepklein en mager. Ze heeft felrood haar dat haar gezicht omlijst, en levendige groene ogen. Een laagje sproeten danst over elke centimeter van haar lichte huid, samen met een gevlekte ring van bijna vervaagde paarse en gele blauwe plekken rond haar nek.
Ik probeer niet te staren, maar het is een ontnuchterend gezicht. Ze merkt het op en mompelt dat ze, in tegenstelling tot de rest van ons, wel wakker was op het transportschip. De slavenhandelaren waren vreselijk. Het is duidelijk dat niet alle aliens zorgvuldig met mensen omgaan.
Ze hadden gisteren hun ontvoeringservaringen al met elkaar vergeleken. Nu mijn hoofd weer helder is, geef ik hen een korte samenvatting van mijn eigen versie. Ik vertel ze over mijn appartement in Seattle, dicht bij mijn universiteitscampus, hoe ik na het werk alleen naar huis liep, een fel licht zag, en daarna niets meer.
Jia en Luciana knikken droevig, terwijl Steph haar armen over haar borst kruist en ze stevig tegen zich aandrukt. Gabby slaat een troostende arm om haar heen.
Na wat slechts een paar uur lijken te zijn, krijgen we het bevel om in de rij te gaan staan bij de gesloten ingang van een andere tunnel dan de tunnel die we vanuit de douches hebben genomen. Terwijl ik in de rij ga staan, buk ik me snel en grijp een klein stukje van het roodoranje gesteente van de grond, dat ik stevig in mijn gebalde vuist klem.
„Wat gaat er nu gebeuren?“ fluister ik tegen Gabby, die voor me in de rij staat.
„Nu gaan de aliens naar de koopwaar kijken.“
We worden teruggeleid door een andere reeks tunnels en gangen naar de ruimte met de kooien. Ik knijp even kort in de hand van elk meisje als we opsplitsen naar onze toegewezen gangpaden, en wacht tot het mijn beurt is om de paddenbewaker mijn halsband af te laten doen en me op te sluiten in mijn kooi.
Het slot van de laatste kooi klikt dicht, en een bewaker leidt een paar aliens naar binnen. De twee aliens zijn veel langer dan de bewaker, maar wel slank, en hun huid heeft een diepgroene tint. Ze zijn haarloos, hebben enorme ogen en kleine monden, en vanaf de andere kant van de kamer kan ik geen neus bespeuren.
Ze lopen op en neer door de gangpaden met kooien, stoppen af en toe om glurend naar de gevangene te kijken, en raadplegen een elektronische tablet in hun handen. Handen met slechts drie onmogelijk lange vingers.
Als ze mijn kooi bereiken, stoppen ze. Ze lijken mannelijk, en hun spookachtige, enorme ogen glijden over mijn blote huid, waarop ik snel mijn borsten bedek met mijn handen.
„Laat je zien,“ blaft de paddenbewaker, terwijl hij met een harde trap de zijkant van mijn kooi laat rammelen.











































