
Oorlog & Chaos Boek 5: Redback
Auteur
Lezers
116K
Hoofdstukken
19
Hoofdstuk 1
Boek 5: Redback
ONBEKEND
Vanuit de hoek van de kamer keek ik toe hoe ze lachten. Ze speelden pool en dronken bier. De Highway Jokers waren niet zomaar een motorclub. Ze waren de ruggengraat van Bunbury.
Een stad die deed wat zij wilden. Een stad die bang voor ze was, van ze hield en ze nodig had.
Maar ik was niet naar Bunbury gekomen om alleen maar drankjes te serveren en asbakken schoon te maken. Ik kwam om de stad over te nemen.
En als ik de hele fucking boel moest platbranden om dat te bereiken, stak ik zelf de lucifer wel aan.
„Prospect! Haal nog een rondje, man,“ riep Blackout. Zijn zware stem klonk boven de muziek van AC/DC uit de jukebox uit.
Ik zuchtte en kwam los van de muur. Ik knikte één keer en liep naar de bar. Het ging inmiddels helemaal vanzelf. Lachen, knikken, serveren, verdwijnen.
Dat was wat het inhield om een prospect te zijn. Een fucking spook met handen.
„Nog een rondje?“ vroeg de vrouw achter de bar, met een glimlach die haar ogen niet bereikte. Haar naam was Shelly, dacht ik. Ze werkte hier parttime, waarschijnlijk voor de fooi en het uitzicht.
Ik knikte.
Terwijl ik wachtte, voelde ik de sfeer veranderen. Iemand kwam naast me staan. De bekende geur van haar parfum raakte me direct.
Zwaar en bloemig. Iets duurs en scherps.
„Hé, schatje.“ Haar hand gleed over mijn arm, licht en plagerig.
Ik draaide mijn hoofd iets naar haar toe. Niet genoeg om op te vallen, maar genoeg om te laten zien dat ik haar zag.
„Ah, wat is er mis?“ vroeg ze. Haar stem klonk mierzoet, maar haar ogen zaten vol venijn.
„Niets,“ snauwde ik met op elkaar geklemde kaken.
Haar blik gleed naar de groep Jokers. Ze leek iets te berekenen.
„Nog maar een paar weken voordat Viktor wil dat je thuiskomt,“ fluisterde ze in mijn oor. Haar stem klonk zacht en lief, als een slaapliedje. Zo'n liedje dat je het scherpe mes onder je kussen doet vergeten.
„Wat kan ik die man nog meer geven? Ze vertellen hier helemaal geen reet, en al helemaal niet aan hun prospects.“ Mijn stem klonk als een diepe grom.
Ze grijnsde. „Probeer dichter bij hun road captain te komen. Redback.“
Ik draaide me nu helemaal om en keek haar aan. Mijn maag draaide zich om.
„En wat is er zo speciaal aan Redback?“
„Ik weet dat hij een vrouw heeft die op zichzelf is. En een dochter die dood en begraven is. Zoiets ergs? Dat maakt een man soms roekeloos. Hij gaat dan op de verkeerde plekken op zoek naar pijnstillers.“ Ze draaide het rietje in haar drankje rond. Ze grijnsde alsof ze al wist hoe het verhaal zou aflopen.
„Ik dacht dat jouw tijd met hen voorbij was.“ Ik wilde niet dat het zo bitter klonk, maar zo kwam het wel over.
Ze haalde haar schouders op en het leek haar niets te schelen. „Dat betekent niet dat ik gestopt ben met kijken.“
De barkeeper kwam terug met de kannen bier.
Ik wilde ze net pakken toen Blackout weer riep. Deze keer nog harder.
„Prospect! Schiet verdomme op!“
Voordat ik mezelf kon tegenhouden, sloeg ik met mijn vuist op de bar. De barkeeper schrok en morste een beetje bier over de rand van een kan.
Ik mompelde snel een verontschuldiging. Ik pakte de kannen met één hand en draaide me weer naar de vrouw naast me.
„Tot ziens, schatje.“ Ze spinde het bijna, gaf me een knipoog en bracht haar glas naar haar lippen.
Ik rukte mezelf los en liep naar de tafel waar de Jokers zaten. Gelach, rook, weggeschoten kroonkurken.
De geur van leer, motorolie en bloedgeld vulde de ruimte.
Ik zette de kannen hard op tafel.
„Bedankt, man, we waarderen het,“ zei Blackout. Hij sloeg me zo hard op mijn rug dat ik struikelde.
Toen keek hij me aan. Het was een blik die liet zien dat het geen grapje meer was.
„Als je dat hesje echt wilt, krijg je geen pussy.“
Mijn ogen schoten naar de zijne.
„Dat zegt Thrasher,“ zei hij met een schouderophalen. „Begrijp me niet verkeerd, het is zwaar kut. Maar als je hart eenmaal bij de club ligt, ga je het niet eens missen.“
Ik keek terug naar de bar, maar ze was weg. Als een geest.
Waarschijnlijk maar beter ook.
***
Mijn werk zat er eindelijk op.
Ik had een week lang bloed uit kofferbakken gepoetst en kots uit de toiletten van de club geschrobd. Daarna pakte ik het busje en reed naar de rand van de stad.
Ik vond het enige bankje in het park dat niet naar zeik stonk en plofte erop neer. Ik pakte mijn wegwerptelefoon en een verkreukeld pakje sigaretten.
Ik stak er eentje op. Blies de rook uit. Ik liet de stilte over me heen komen.
Toen toetste ik het nummer in.
„Ik ben het,“ zei ik.
Viktor verspilde geen tijd. „Nog nieuws?“
„Dezelfde oude shit. Ritjes, bardienst, schoonmaken.“
„Denk je dat ik het niet doorheb als je onzin praat?“ beet hij me toe. „Je zit er nu lang genoeg. Ik wil dat je in hun wapenkamer komt. Ik wil een lijst van hun ritten. Ik wil die verdomde bestanden van Thrasher. En als het moet, neuk je jezelf maar naar binnen bij die clubvrouwen.“
„Zo makkelijk is het niet, man.“
„Het maakt me geen reet uit!“ ontplofte hij. „Wil je die VP-patch terug in Sydney? Bewijs dan dat je hem verdient. Je hebt één week.“
De verbinding werd verbroken.
Ik staarde naar de telefoon. De druk in mijn borst werd steeds zwaarder en ik kwam er niet van af.
Ik rookte mijn sigaret op, trapte de peuk uit onder mijn laars en klom terug in het busje.
Ik had niet eens door hoe hard ik reed, totdat ik de rode en blauwe lichten in mijn binnenspiegel zag.
Fuck.
Ik zette de auto aan de kant met een bonzend hart.
„Een beetje een zware voet vandaag, hè?“ zei de agent toen hij bij het raampje stond.
„Ik zat niet op te letten.“
„Zet de motor uit en stap uit.“
„Kun je me niet gewoon een verdomde bekeuring geven?“
„Uit de auto.“
Ik zette de motor uit en stapte uit. Zijn hand zweefde al boven zijn wapen.
„Handen op het busje.“
Ik luisterde. Het voelde zo herkenbaar. Een andere stad, maar precies hetzelfde liedje.
Hij fouilleerde me. Ik had niets illegaals bij me.
Maar toen hij het busje doorzocht, vond hij de zakjes drugs.
Ik wist niet eens dat ze daar lagen.
„Sta op. Je bent aangehouden.“
***
Er gingen uren voorbij. Geen klokken, geen ramen.
Alleen een muffe lucht, betonnen muren en het zachte gezoem van een knipperende lamp boven mijn hoofd. Het voelde alsof het geluid zich in mijn schedel boorde.
Mijn knie bleef maar op en neer trillen. Ik probeerde het te stoppen. Ik wilde stil en rustig lijken en de controle houden. Maar de adrenaline in mijn bloed had andere plannen.
Ze hadden al een tijdje niets meer gezegd. Ze lieten me gewoon in mijn eigen sop gaarkoken.
Ze lieten de stilte duren, totdat mijn gedachten met me aan de haal gingen.
Bij elke verre voetstap buiten de kamer maakte mijn hart een sprongetje. Elke dichtslaande deur klonk als een pistoolschot.
In mijn hoofd liep ik de afgelopen dagen steeds weer na. Ik probeerde te begrijpen hoe ik in godsnaam hier terecht was gekomen.
Toen ging de deur open.
Deze keer kwamen er twee mannen binnen.
De eerste man, rechercheur Zoiets, ik had zijn naam niet verstaan, ging tegenover me zitten. Alsof hij klaar was voor een gezellig praatje. De andere man bleef bij de muur staan. Hij had zijn armen over elkaar en keek me scherp aan, wachtend.
„We laten je vrij op borgtocht,“ zei de rechercheur eindelijk. Zijn stem klonk zwaar en rauw. „Als je ons iets geeft over de Highway Jokers.“
Ik staarde hem emotieloos aan. „Waarom denk je dat ik een van hen ben?“
Hij trok een wenkbrauw op. Alsof ik zojuist had gezegd dat de lucht niet blauw was.
„Je hebt hun busje. Je draagt hun hesje. En je club belt je telefoon al urenlang plat.“ Hij leunde iets naar voren. Zijn stem was laag en kalm. „We weten wie je bent. De enige vraag is of je jezelf wilt helpen of niet.“
Ik leunde achterover in mijn stoel en probeerde rustig over te komen. Alsof ik vanbinnen niet helemaal gek werd. Mijn vingers jeukten om mijn telefoon te checken en te kijken wie er gebeld had, maar die hadden zij.
Net als mijn portemonnee en mijn sleutels. Mijn hele leven zat nu in een plastic bewijszak, net buiten mijn bereik.
Ik zei niets.
Ze wachtten. Ze lieten de stilte weer groeien. Het was een tactiek. Eentje waar ik wel eens over gelezen had.
Ze wilden me in het nauw drijven. Me eenzaam laten voelen. Alsof de club me niet kwam halen, alsof er helemaal niemand zou komen.
En even voelde ik een ijskoude rilling van angst over mijn rug lopen. Wat als ze inderdaad niet kwamen?
Ik keek op toen de rechercheur weer begon te praten. „We vragen niet veel. Alleen een kruimeltje. Eén stukje informatie. Bewijs dat je onze tijd niet verspilt.“
Ik schudde mijn hoofd. „Ik ben geen verrader.“
„Veel plezier in de gevangenis dan,“ zei de man die stond. Hij nam eindelijk het woord. „Als je stoer wilt doen, ga je gang. Maar je deelt straks een cel met iemand die dat hesje misschien herkent. En die is dan nog niet half zo beleefd als wij.“
Ik bleef stil en klemde mijn lippen op elkaar. Ze konden zien dat ik het zwaar had. Ik probeerde me zo verdomd hard groot te houden.
„Wapens,“ zei ik eindelijk. Mijn stem was schor, omdat ik al uren niet had gepraat. „Ze doen één keer per maand een rit. Wapens, geen drugs.“
De rechercheur knikte langzaam, alsof dat geen verrassing was. „Waarvandaan?“
Ik twijfelde. „Ik weet het niet. Ik rijd alleen soms mee. Geen idee waar ze het spul vandaan halen. Ik stel geen vragen.“
„En de bedrijven?“ drong hij aan. „De tattooshop. De kliniek. Dat pakhuis bij de haven.“
Ik schudde mijn hoofd. „Ik heb niets illegaals gezien. De tattooshop is zuiver. De kliniek is legaal, ze helpen gewoon mensen die liever geen vragen beantwoorden. En het pakhuis? Het kan opslag zijn. Voor hetzelfde geld staat het leeg.“
Hij bekeek me een lange tijd. Toen stond hij op en liep naar de deur. „Dat is voldoende. Voor nu.“
De ander liep achter hem aan. Hij stopte even om me aan te kijken met een blik die ik niet goed kon peilen. Toen viel de deur weer dicht en lieten ze me alleen.
Het was geen vrijheid. Maar ook geen gevangenis.
Nog niet.
***
Zodra ik de deuren van het clubhuis van de Highway Jokers door liep, werd het tien graden kouder. Elk gesprek in de kamer viel stil. Iedereen keek mijn kant op.
Het was alsof ik tegen een muur van stilzwijgende veroordeling opliep. Mijn laarzen klonken veel te hard op de houten vloer. Het clubhuis, dat normaal vol zat met lawaai, rook en gelach, voelde nu aan als een kerk vlak voor een begrafenis.
Thrasher stond in het midden van de kamer, alsof hij op me had gewacht. Zijn armen waren over elkaar gekruist en hij hield zijn kin iets omlaag. Zijn blik was scherp genoeg om iemand open te rijten.
Stone stond naast hem als een standbeeld vol woede. Zijn kaken waren op elkaar geklemd en zijn gezicht stond strak.
„Ik geef je een halve, fucking zondag vrij,“ gromde Thrasher, „en jij negeert je telefoon?“
Zijn stem klonk als een zweepslag door de stilte. Elke spier in mijn lichaam verstijfde.
Ik dwong mezelf door te lopen totdat ik voor hem stond. Ik mocht niet naar beneden kijken of zenuwachtig doen. Dat haatte hij. Zwakte.
„Ik had geen benzine meer,“ zei ik met een rustige stem. Geen smoesjes. Alleen de feiten.
Ik stak mijn hand in mijn zak en pakte de opgevouwen bon van het tankstation. Die was nog warm van mijn hand. Ik legde het als een soort offer op de tafel naast hem neer.
Thrasher keek er niet eens naar. Hij bleef me koud en strak aankijken. „Denk je dat me dat iets kan schelen? Dat ik ook maar een reet geef om jouw bonnetje?“
„Nee, meneer.“
„Denk je dat ik het verschil tussen onzin en een echte reden niet zie?“
Ik opende mijn mond, maar bedacht me meteen. Ik sloot hem weer. Niets van wat ik kon zeggen zou dit beter maken.
„Je hebt een waarschuwing te pakken,“ zei hij terwijl hij een stap naar voren deed. Zijn stem klonk lager en dodelijker. „Nog één fuck-up, nog één moment van stilte als je club belt, en je vliegt eruit. Ik zeg het niet nog een keer.“
Mijn hart bonkte zo hard in mijn borst dat het leek alsof het wilde ontsnappen. „Begrepen.“
Thrasher staarde me nog een lang moment aan. Alsof hij probeerde te beslissen of hij door zou gaan of het zou laten rusten. Toen deed hij een stap naar achteren.
„Maak nu de slaapzalen schoon,“ blafte hij. „Het Perth-charter komt morgen aan. Ik wil dat die plek brandschoon is. Hoor je me?“
„Ja,“ kraste ik. Ik schraapte mijn keel en probeerde het nog eens. „Ja, meneer.“
Hij draaide zich zonder nog een woord te zeggen om en liep weg. Stone volgde hem als een schaduw.
Op het moment dat ze in de achterste gang verdwenen, zakte de spanning in de kamer. De gesprekken kwamen weer op gang in zacht gemompel.
Een paar mannen keken naar me toen ik naar de trap liep. Sommigen met medelijden, anderen vonden het wel grappig. En een paar waren gewoon blij dat zij niet in de vuurlinie stonden.
Ik nam de treden van de trap twee tegelijk. Mijn keel was droog en mijn handpalmen zweetten.
Eén waarschuwing. Dat was alles wat ik nog had.
En dat het Perth-charter morgen kwam? Dat betekende dat iedereen zou meekijken.
Ik kon me geen enkele fuck-up meer veroorloven.















































