
Slave Of The Onyx Dragon (Nederlands)
Auteur
Silver Taurus
Lezers
5,5M
Hoofdstukken
74
Proloog
VALKYRIE
Mijn zwaard ligt verslagen aan mijn voeten en weerspiegelt de donkere drakenschubben in het vuurlicht. Een draak daalt neer uit de middernachtelijke hemel en landt op slechts een paar meter afstand.
De lucht is gevuld met gekreun, geschreeuw en gehuil, en mijn zicht wordt vertroebeld door de as van het vuur.
Ik sluit mijn ogen, bid om hulp en smeek of iemand ons te hulp wil komen.
Mijn lichaam trilt als bewakers mijn handen vastbinden en me op mijn knieën dwingen. Maar ik kan uit de as herrijzen als een verloren krijger. Ik kijk naar mijn gevallen zwaard, in de hoop dat het me de kracht geeft om terug te vechten. Mijn vuurrode haar wappert in de koude wind.
Ik blijf stil zitten en durf me niet te bewegen, maar een kleine beweging zorgt ervoor dat ik mijn blik neersla.
Is dit hoe ik ga sterven?
Maar als ik weer opkijk, is het beest verdwenen.
In plaats daarvan staat er een man met haar zo zwart als de nacht en gouden ogen. Hij is zo dichtbij dat ik hem kan aanraken.
Mijn ogen dwalen naar beneden en zien zijn perfecte V-lijn.
Hij staat naakt voor me. Hoe kan een monster als hij eruitzien als een god?
Vlammen stralen van hem af, maar als zijn gouden ogen me doorboren, klopt mijn hart niet van angst, maar van verwachting. Een gevoel waardoor ik in zijn armen wil rennen.
Een verlangen dat ervoor zorgt dat ik van hem wil zijn.
Is dit hoop?
„Noem jullie namen,“ beveelt de beest-man, terwijl hij ijsberend heen en weer loopt. Er zijn nog maar een paar van ons over; de meesten zijn omgekomen.
Zijn ogen glijden over de lichamen om me heen, en hij is duidelijk trots op zijn overwinning. Even stopt hij, en we kijken elkaar aan terwijl zijn blik donkerder wordt.
Schuddend met zijn hoofd zucht hij diep, voordat hij onheilspellend aankondigt...
„Welkom in jullie nieuwe thuis. Jullie zijn nu allemaal slaven van de Onyx Draak.“
DIMITRI
Kreunend draai ik me om in bed. Iets zachts glijdt van mijn nek naar mijn borst, wat vreemd aanvoelt op mijn huid. Ik grom zachtjes, draai me om en pak de lakens vast om ze dichter naar me toe te trekken.
Hetzelfde gevoel blijft aanhouden. Ik word boos, ga rechtop zitten en grom naar de persoon naast me, terwijl zilveren ogen me vol angst aankijken.
Het gevecht van gisteravond was uitputtend. Ik moest alleen zijn om te herstellen.
„Rot de fuck op!“ grom ik. „Verdwijn!“
De naakte vrouw naast me deinst achteruit en vlucht de kamer uit. Ik hoor een zachte snik als ze de deur sluit. Grommend van woede ga ik op de rand van het bed zitten na alweer een slapeloze nacht.
Ik kraak mijn nek. Ik sta op en loop naar een opening in mijn kamer.
Ik voel de woede in mijn hart opborrelen. Ik haal diep adem en probeer te kalmeren, want het is niet goed voor me om boos te worden. Ik wil zo vroeg in de ochtend geen scène schoppen.
Terwijl ik me uitrek, voel ik een aanwezigheid achter me.
„Ik weet dat je daar bent. Kom tevoorschijn,“ zeg ik met een frons.
„Het lijkt erop dat mijn lieve broer een slecht humeur heeft. Heeft die vrouw je niet gepijpt als ontbijt?“ grijnst de man met de rode ogen.
„Damian, hou op,“ frons ik. „Vertel me waarom je hier bent.“
„Ik kwam je alleen vertellen dat de oudsten je willen spreken,“ zegt Damian nors, „ze willen het met je hebben over de Trollar-slaven van het gevecht van gisteravond.“
Trollar, een koninkrijk met drakentemmers. Die schoften zijn zo wreed dat ze niet eens om hun eigen soort geven.
We hebben al meerdere oorlogen met dat koninkrijk gevoerd. Hun drang om ons te overmeesteren is groter dan bij wie dan ook, vooral bij hun koning.
Koning Gabriël, een meedogenloze en bloeddorstige klootzak die zelfs zijn eigen dochter doodde voor het genot van een babydraak in ruil. Wezens zoals hij zouden niet mogen bestaan.
„Hoeveel zijn het er?“ vraag ik.
Gisteren kon ik hun lichamen amper zien door de as in de lucht, hoewel ik wel een rode glinstering zag door het stof en de rook.
„Niet veel,“ antwoordt Damian, „tien, misschien vijftien.“
„We kunnen ze doden. Ik zou het in ieder geval niet erg vinden om de irritante exemplaren te vermoorden,“ stelt Damian voor, terwijl zijn ogen glinsteren van sinister plezier.
Wij waren zo verschillend, hij en ik. Hij was altijd zo snel met mensen ter dood veroordelen, terwijl ik liever mijn tijd nam.
„Laten we met de raad gaan praten,“ zeg ik, terwijl ik me omdraai en de lange gang inloop.
Ik ben de koning van de draken, Dimitri. Mijn jongere broer Damian is mijn rechterhand en mijn beste vriend Leo is de generaal van onze horde.
Wij wonen op Mount Errigal, een uitgestrekte bergketen die helemaal doorloopt tot aan de grens van het Trollar-koninkrijk.
We zijn al zesentwintig jaar in oorlog. Die hebzuchtige klootzakken jagen op mijn soort, alleen maar om onze harten te bemachtigen.
Onze harten zijn waardevol, en iedereen met genoeg geld kan er een bemachtigen, vooral temmers en tovenaars.
Een drakenhart geeft de eigenaar een unieke kracht, zoals een overweldigend verlangen. Je geest kan iets kiezen wat je verlangt en het samenvoegen met de draak van het hart, waardoor het in magie of een wapen verandert.
Veel mensen uit het Trollar-koninkrijk hebben in het verleden drakenharten verkregen, maar de afgelopen vier jaar is ze dat niet meer gelukt.
De reden hiervoor is dat we de hulp hebben van een tovenaar; een die we gevangengenomen hebben, maar die ons zijn loyaliteit heeft gezworen.
Ik vroeg hem ooit waarom, maar hij zei dat hij zijn identiteit geheim moest houden. Dus ik drong niet verder aan en liet het rusten, hoewel ik het gevoel had dat hij iets verborg wat niemand mocht weten.
Ik open de twee enorme gouden dubbele deuren en loop naar binnen. Een zacht gegrom trilt in mijn borst, terwijl de oudsten me beledigd aanstaren.
„Uwe Majesteit, welkom,“ zegt een van de oudsten met een buiging.
„Kom ter zake,“ snauw ik, terwijl ik plaatsneem op de gouden troon waar nog twee anderen zoals ik op zouden passen.
„We hebben gehoord dat het Trollar-koninkrijk bereid is om ons de slaven als geschenk te laten houden, zonder vergelding,“ zegt de oudste met de groene ogen. „Ze willen deze keer voor schubben onderhandelen.“
Ik laat mijn gezicht op mijn hand rusten, leun achterover en ontspan. Dus koning Gabriël wil een ruil voor schubben? Ik lach spottend terwijl ik naar de andere oudsten kijk.
„Vreemd,“ mompel ik. „Koning Gabriël zou daar nooit mee akkoord gaan. Houden jullie nog iets anders voor me achter?“
De oudsten kijken elkaar allemaal aan, op één na: mijn grootvader. Door zijn frons ziet hij er oud uit, ondanks ons trage verouderingsproces.
Zijn bruine ogen kijken me recht aan. De kamer valt stil door de zware spanning.
„Zit je ergens mee?“ vraag ik, terwijl ik een wenkbrauw optrek.
Mijn grootvader, Oudste Jerium, is een van de oudste draken die nog in leven is. Hij was ooit een koning, een gerespecteerde leider en beschermer van onze horde totdat mijn overleden vader het overnam.
Mijn vader stierf een paar decennia later en liet mij achter als zijn opvolger.
Oudste Jerium was een van de weinigen die openlijk zijn mening gaf, maar zijn woorden leidden altijd tot felle discussies.
Ik blijf zijn bruine ogen strak aankijken. Heel even zie ik zijn blik wankelen, maar zijn stoïcijnse gezicht verbergt dit snel. Ik tik op de troon en wacht tot hij spreekt.
„Ik denk dat je ze allemaal moet doden en geen overlevenden moet overlaten,“ stelt Oudste Jerium voor, terwijl een grijns zich over zijn gezicht verspreidt.
„Ze moeten leren dat we niet zomaar onderhandelen. Zeker niet voor simpele slaven.“
Ik mompel instemmend op zijn suggestie. Het is geen slecht idee om te laten zien dat we niet met ons laten sollen.
„Als ik zo vrij mag zijn, ik ben het eens met Oudste Jerium,“ mengt een andere oudste zich in het gesprek. „We zijn ze niets verplicht. Ze zijn gewoon hebzuchtig.“
De oudsten beginnen meteen te bekvechten. Mijn oog trilt van ergernis, en na het kraken van mijn nek sla ik met mijn hand op de armleuning van de troon.
„Genoeg!“ beveel ik. „Ik neem de beslissing. Ga nu weg.“
Ieders ogen worden groot. Ik haal een paar keer diep adem, en mijn broer Damian houdt me in de gaten, klaar om in te grijpen als dat nodig is.
Als ik zie dat niemand beweegt, sta ik op en loop de troonzaal uit, met Damian in mijn kielzog.
„Broer, je moet kalmeren,“ adviseert Damian, die naast me komt lopen.
Ik open en sluit mijn handen in een poging het beest vanbinnen te temmen. Het eist zijn tol dat ik de afgelopen decennia zonder partner ben geweest, want een draak kan niet te lang zonder partner.
Hij heeft zijn wederhelft nodig, zijn alles. Degene die het beest dat hij is kan kalmeren.
Maar ik heb die persoon niet gevonden. Ik heb in elke stad, elk dorp, elk koninkrijk en zelfs in andere hordes gezocht. Niets.
Het verlangen naar mijn wederhelft wordt ondraaglijk. Slapeloze nachten vol hunkering naar een voorproefje van mijn partner.
Ik heb talloze vrouwen, mensen en beesten geneukt, maar niets helpt. Het blust nooit het brandende verlangen diep in mij.
Mijn geest wordt verteerd door haat, wraakzucht en duisternis. Een verslindend gevoel dat ervoor zorgt dat ik de grip op mijn verstand verlies. Een simpele ruzie zorgde er al voor dat ik transformeerde.
En met elke dag die voorbijgaat, wordt mijn geest meer beest en minder mens.
„Volg mij,“ beveel ik. „Laten we eens kijken wat voor slaven we in onze kerkers hebben.“













































