
Onbedwingbare Hitte
Auteur
Megan Blake
Lezers
🔥14,4M
Hoofdstukken
95
Nachtdienst
„Liv, kun je meer gaas pakken voordat je pauze neemt?“
„Natuurlijk.“
Olivia bond haar haar in een paardenstaart terwijl ze wegliep van het bed van de patiënt. Haar haar, zo donker als de nacht, viel over haar schouders.
De laatste patiënt, een dronkaard die flink had gevochten, had ervoor gezorgd dat ze eruitzag alsof ze door een oorlogsgebied was gegaan.
Ze ging met haar vingers door haar haar en trok het weer in een strakke staart. Werken in de nachtdienst op de spoedeisende hulp liet weinig tijd voor pauzes.
Maar ze had haar grens bereikt. Ze had even een momentje voor zichzelf nodig. Vanavond bleek een zware uitdaging te zijn.
Ze was loops.
Haar huid voelde klam aan, haar zenuwen stonden strak en alles leek haar te irriteren. Ze haatte de kwetsbaarheid die dit naar boven bracht, die enorme behoeftigheid.
De geur van bloed.
De dronken mannen die te veel flirtten…
Het werd haar allemaal te veel. Ze waren tenminste allemaal menselijk.
Ze wreef over haar voorhoofd en probeerde de opkomende hoofdpijn te verzachten.
Helder nadenken werd steeds moeilijker.
Ze moest het gaas pakken en dan wat frisse lucht zoeken. Ze kon dit aan. Ze kon de nacht wel doorkomen, en daarna zou ze naar huis gaan om de lusten te verwerken die haar al de hele nacht kwelden. Helemaal alleen.
Zo loste ze het meestal op tijdens deze periodes. Dat was een stuk veiliger.
Er was maar één persoon naar wie ze ooit toe ging voor troost. Verder regelde ze het altijd alleen.
Will was haar vriend, en hij was bezet. Die ene keer samen was een fout die ze niet meer zou maken.
Ze was niet zoals de meeste weerwolven, die anderen van hun soort opzochten. Olivia was niet als weerwolf geboren; ze was er één geworden.
Gelukkig had ze maar heel weinig contact met andere weerwolven. Will had haar verteld dat weerwolven meestal aan de rand van de stad bleven.
Soms rook ze er eentje op straat, waardoor haar lichaam direct verstijfde en ze wist wat ze moest doen: wegrennen.
Ze volgde dat instinct altijd. Vanavond was echter een beetje gevaarlijker.
Maar—ze was nog nooit een weerwolf zo diep in de stad tegengekomen, en ze wist zeker dat geen van haar collega's een weerwolf was.
Ze was veilig. De nacht was bijna voorbij.
Olivia richtte zich weer op haar taak en opende de blauwe metalen kast met de sleutel aan haar badge.
Ze pakte zoveel pakjes gaas als ze kon dragen en klemde ze stevig tegen haar borst aan.
Nadat ze de kast op slot had gedaan, draaide ze zich om met haar rug tegen de deur van de observatiekamer. Toen voelde ze het.
Een alfa.
Ze was er nog nooit één tegengekomen, maar—haar lichaam herkende het.
Zodra de geur haar bereikte, bevroor ze. Ze kon het ziekenhuispersoneel, de patiënten en de bezoekers zien langslopen, maar toch voelde het alsof ze in een andere wereld was.
Ze stond daar met het gaas in haar armen, niet in staat om zich te bewegen.
Zijn geur was het enige wat ze nog rook. Het vertroebelde haar gedachten, en haar lichaam reageerde terwijl ze op haar onderlip beet.
Ze kruiste haar benen en voelde hoe het vocht door haar onderbroek trok.
Nee. Het kon niet waar zijn.
Haar hart klopte wild in haar borst. Ze zou het toch gemerkt hebben als hij er eerder was geweest… Was hij er al die tijd al?
Ze was druk bezig geweest… met het verzorgen van patiënten op de spoedeisende hulp en het halen van spullen.
Zou ze het echt gemist kunnen hebben?
Ze probeerde altijd haar menselijke kant belangrijker te maken dan haar instincten.
Maar die kruidige geur trok haar aan.
Dit was waarom ze nooit werkte als ze loops was—het zorgde ervoor dat ze onvoorzichtige keuzes maakte. Zoals deze. Will was de enige die ooit bij haar was geweest als ze loops was.
Haar zelfbeheersing was toen ver te zoeken geweest, op zijn zachtst gezegd.
Hij had haar gewaarschuwd en had gezegd dat ze thuis moest blijven.
Maar haar beste vriendin had om een gunst gevraagd, en ze kon geen nee zeggen. Ze was haar zoveel schuldig. Hoe kon ze dit ene verzoek weigeren?
Bovendien kwamen weerwolven bijna nooit op de spoedeisende hulp. Wat kon er nou helemaal gebeuren in twaalf uur?
Dit, Olivia. Dit is wat er kon gebeuren.
Ze probeerde te slikken met een droge mond, likte over haar lippen en snakte naar vocht—welk vocht dan ook, behalve degene die haar slipje doorweekte.
Ze voelde het langs haar dijen druppelen, waardoor het vlekken maakte in haar ondergoed.
Hij was in de kamer naast haar, dat voelde ze. De geur van bloed en zijn geur waren het enige waar ze zich op kon focussen. Haar hart bonsde in haar borst en haar neusgaten trilden.
Hij kwam dichterbij. Veel te dichtbij.
En toen…
Alles gebeurde zo snel. Te snel voor haar om te begrijpen.
Voordat ze weer kon ademhalen, werd ze tegen de deur geduwd, waarbij de klap ervoor zorgde dat de deur dichtviel.
Ze knipperde met haar ogen, en plotseling zaten er overal handen aan haar—overal. Grote, sterke handen die bij haar buik begonnen en omhoog gleden totdat ze haar borsten vastpakten door de dunne stof van haar uniform.
Ze hield haar adem in, gooide haar hoofd naar achteren en opende haar ogen. Daar was hij. Zijn grote lichaam liet haar kleine gestalte in het niet vallen, en door zijn lengte leek hij wel een reus. Hij had haar in het nauw gedreven.
Zijn blauwe ogen werden donkerder toen ze haar aankeken.
Zijn blik leek haar huid in brand te steken. Zelfs de lucht die ze inademde voelde heet. Ze ademde in, maar het voelde alsof ze stikte.
Het voelde alsof ze stierf en tegelijkertijd opnieuw werd geboren.
Zijn handen sloegen tegen de deur achter haar en zijn armen vormden een kooi om haar heen, waardoor ze vastzat.
Haar onderlip trilde toen ze haar mond opendeed; ze wilde iets zeggen, maar kon de woorden niet vinden.
Ze had de controle verloren tijdens haar eerste loopsheid—niemand had haar voorbereid op wat ze kon verwachten, op de overweldigende gevoelens. Ze had haar maagdelijkheid gegeven aan een andere zwerfwolf, een vriend.
Haar beperkte kennis over haar eigen soort had haar dankbaar gemaakt voor haar status zonder roedel, maar het betekende ook dat ze vaak in het duister tastte. Sinds die tijd had ze geleerd zichzelf te beheersen en een veilige plek te creëren.
Soms werd de behoefte te sterk—ondragelijk—en gaf ze eraan toe.
Het was een behoefte die bevredigd moest worden.
Een kort verlangen.
En dit?
Haar lichaam stond in vuur en vlam.
Het enige wat haar dorst kon lessen, was hij. Meer van zijn aanraking.
De gedachte om te smeken schoot door haar hoofd.
Wat is er in godsnaam mis met mij? Oh God.
Ze had bang moeten zijn, gezien de wrede aanval die haar in een wolf had veranderd. Maar terwijl hij zo dichtbij stond, merkte ze dat ze haar hand uitstak om zijn buik aan te raken, waarbij ze de harde spieren onder haar vingers voelde.
Ze voelde zijn neus tegen haar keel, wat haar ademloos achterliet.
Haar halflange zwarte haar streek langs haar huid terwijl zijn lippen over haar nek gleden, en ze sloot haar ogen om diep adem te halen.
Zijn geur was aards en kruidig, als een kampvuur in een koude nacht. Het zorgde ervoor dat haar buik samentrok.
Ze beet op haar lip en wachtte op zijn volgende stap. De spanning in haar buik groeide toen zijn mond haar oor vond.
Een klein hapje, waarbij zijn scherpe tanden langs haar oorlel schraapten voordat hij er zachtjes aan trok.
Zijn warme adem kietelde haar terwijl hij zwaar ademde.
Zijn ruwe vingers streken een plukje haar weg dat aan haar bezwete huid plakte en verdwenen vervolgens in haar haar.
Hij had nog geen woord tegen haar gezegd, en toch trilden haar benen.
Zijn geur was overweldigend, en er was een vreemde druk op haar borst die voortkwam uit zijn behoefte om te domineren.
Ze had wel over alfa's gehoord, maar had zich nooit voor kunnen stellen hoe het zou zijn om zo dicht bij eentje te zijn.
Zo zou het niet moeten zijn… Mensen hadden haar van alles verteld, maar…
Niemand had haar verteld dat het zo overweldigend zou zijn, dat een enkele aanraking haar zo nat kon maken.
Zijn huid voelde glad onder haar vingers—hoewel ze zich niet kon herinneren wanneer ze zijn brede schouders had vastgepakt.
Eindelijk sprak hij. Zijn stem was zo zacht als zijde tegen haar huid. „Hoor jij bij iemand?“
Zijn woorden leken wel een gefluisterd geheim.
Hoor jij bij iemand? Zijn vraag klonk na in haar hoofd. Ondanks de hitte in haar onderbuik, vond ze haar stem terug. „B-bij mezelf.“
Haar antwoord zou krachtig zijn geweest, als haar stem niet had getrild. Maar het feit dat ze überhaupt kon praten, was al een hele overwinning.
Hij lachte. Het was een diep, vol geluid dat een rilling door haar lichaam stuurde. Dat alleen al was genoeg om haar dijen tegen elkaar te klemmen.
Er was altijd druk om een roedel te vinden, of een alfa te volgen.
Ze had dat pad nooit gekozen—niet na wat er met haar was gebeurd. Ze had haar eigen roedel gevormd met twee vrienden. Het waren buitenbeentjes, zonderlingen, maar ze hadden geen alfa om hen te leiden. Ze zorgden voor zichzelf, wat beter zo was.
Niemand om je pijn te doen, niemand om de controle over te verliezen.
Het had wel voor een paar verrassingen gezorgd, zoals dit moment. Ze wilde geen alfa; ze wilde al helemaal niet met eentje naar bed.
Alfa's pakten wat ze wilden, zonder zich iets aan te trekken van de puinhoop die ze in hun kielzog achterlieten.
Het waren egoïstische beesten. Dat was niks voor haar.
Maar ondanks haar wilskracht drukten haar nagels in zijn huid en klemden haar dijen samen, smekend om verlichting.
„Dat beschouw ik als een nee.“
Zijn tanden streken langs haar nek. Het zorgde ervoor dat ze haar hoofd naar achteren gooide. „Je zou veel gezonder zijn als je een alfa had,“ zei hij.
„Ik heb er geen nodig. Ik red me wel.“ Blijf sterk.
Zijn lach galmde door haar heen. Het liet een slepend verlangen achter. „Ik weet precies wat je nodig hebt, omega.“
Hij weet helemaal niks. Maar ze sprak haar gedachten niet uit. In plaats daarvan leunde ze juist naar hem toe. Het woord gevaar knipperde in haar gedachten.
„Ik moet gaan.“
Gaasjes. Dat was haar missie.
Nu haar hoofd weer wat helderder werd, besefte ze dat ze die was kwijtgeraakt in de chaos. Ze lagen in ieder geval niet in de kamer.
Herpak jezelf, Olivia. Het is maar een alfa. Je hebt dit eerder meegemaakt.
Hij leek niet onder de indruk van haar twijfel, terwijl zijn duim zachtjes haar onderlip naar beneden trok. „Ga dan,“ daagde hij haar uit. „Je hebt toch niemand nodig?“
Precies. Dat was wat ze zou doen.
Maar haar lichaam werkte niet mee.
Haar benen weigerden te bewegen.
Ze kon hun intense oogcontact niet verbreken.
Olivia stond aan de grond genageld.
„Je lijkt geen haast te hebben om te vertrekken,“ plaagde hij. Zijn warme adem kietelde op haar wang. „Volgens mij weet je best dat je de hulp van een alfa nodig hebt.“
Luister naar hem.
Ze kon het horen. Het kleine stemmetje in haar binnenste. Het stemmetje dat ze vaak negeerde. Het was haar innerlijke wolf. De wolf die ze jarenlang had weggedrukt. Die drong er bij haar op aan om een pad te volgen dat niet het hare was.
Ze was in de eerste plaats mens.
Olivia gaf er niks om dat de maan haar beïnvloedde, of dat dierlijke instincten haar stuurden. Ze had zestien jaar als mens geleefd en kon dat niet zomaar weggooien.
Ze was pas zes jaar een wolf—dat was niet te vergelijken. Nee. Ze ging dit niet doen—wat dit ook was. Ze kende deze man niet, ze wist zijn naam niet eens—hij was een vreemde.
„Ik ga je kussen.“
Het was geen vraag—het was een mededeling.
Een waarschuwing, misschien?
Ze bewoog niet, ze kon het niet. Zijn stem was dwingend en zijn woorden resoneerden in haar alsof ze de wet waren. Was dit die beruchte controle van een alfa?
Degene waar ze zoveel over had gehoord? Hij was haar alfa niet. Ze had geen trouw aan hem gezworen; ze had niet beloofd om hem te gehoorzamen en te beschermen. Ze wist niet eens zijn verdomde naam.









































