
Breng Me Naar Huis
Auteur
Lezers
155K
Hoofdstukken
15
Hoofdstuk 1
15 NOVEMBER 1998
„Gefeliciteerd!“ Mijn grote broer, Dylan, opent mijn gordijnen, waardoor mijn kamer zich vult met licht. Ik kreun en probeer mijn ogen te bedekken met mijn handen.
„Doe niet zo, zusje. Ik heb een taartje voor je gehaald en zo,“ pruilt hij. Ik gluur door mijn vingers, en zie dat Dylan een bordje vasthoudt met daarop één enkele cupcake waar een brandende kaars in is geprikt.
„Is het aardbei?“
„Natuurlijk!“ lacht hij, en ik ga rechtop zitten om de vlam uit te blazen.
„Hoera! Ik kan niet geloven dat mijn kleine zusje vandaag zestien is.“ Hij trekt me in een knuffel, waarbij hij mijn cakeje bijna over zijn De La Soul T-shirt smeert.
„Ik heb later nog iets extra's voor je gepland, nadat pa en ma genoeg van je hebben gehad,“ knipoogt hij.
Mam roept naar boven dat we tien minuten hebben om onze kont uit bed te krijgen en naar beneden te komen voor het ontbijt. Dylan loopt de kamer uit en laat me in alle rust mijn cakeje opeten.
Terwijl ik het laatste restje aardbeienglazuur van mijn vingers lik, sleep ik mezelf uit bed en trek ik mijn ochtendjas over mijn Batman-pyjama aan, voordat ik naar beneden loop naar de keuken.
Mijn ouders geven me een dikke knuffel en we gaan allemaal zitten om ontbijtpannenkoeken te eten—een familietraditie. Mijn moeder maakt alleen ontbijt voor ons op onze verjaardagen en, heel soms, als we echt ziek zijn. Ik verdrink mijn pannenkoeken in de stroop en val aan.
Na het ontbijt openen we „traditiegetrouw” de cadeautjes en kaarten. Mijn ouders verrassen me met het nieuwe album van Korn, Follow the Leader. Aan Dylans zelfvoldane blik te zien, denk ik dat hij achter het ongebruikelijk goede cadeau zat.
Omdat het zondag is, besluit mijn moeder dat het leuk is om de hele dag samen door te brengen. Dylan rijdt ons in zijn afgetrapte Ford Fiesta naar het plaatselijke winkelcentrum en mam sleept me mee naar de kapper.
Mijn pony was een beetje lang geworden, dus ik sta toe dat ze hem in een rechte lijn tot halverwege mijn voorhoofd knippen, en de rest van mijn steile haar in een nette bob net onder mijn kin afknippen.
We gaan winkelen, wat voor de verandering best leuk is, aangezien ze me een nieuw shirt van Nine Inch Nails laat kopen. Ik denk dat ze eindelijk de dagen achter zich laat waarin ze me als een tuttig meisje probeerde te kleden.
Ik bedoel, ik draag weleens rokjes, maar ik voel me veel prettiger in een wijde spijkerbroek en een zwart bandshirt. Zolang ze niet vulgair zijn, zeggen mijn ouders er niets meer van.
We nemen de bus terug naar huis en maken ons klaar voor nog een verjaardagstraditie van de familie Rose—eten bij Pizza Hut. We zijn niet arm, maar mijn ouders geven niet graag geld uit aan onnodige dingen. We gaan maar heel soms uit eten, dus ik geniet extra van deze etentjes.
Tegen acht uur zijn we weer thuis en kruipen mijn ouders samen op de bank om een oude film te kijken. Dylan maakt een gebaar dat ik me moet klaarmaken en begint mijn ouders in te pakken, zodat hij me mee uit mag nemen.
Ik neem snel een douche en trek mijn nieuwe T-shirt aan met een oud flanellen overhemd van Dylan, mijn wijde spijkerbroek en zwarte Vans. Mijn haar ziet er nog steeds goed uit na de kapper, en ik hoef alleen mijn pony een beetje glad te strijken.
Ik pak mijn kohlpotlood en maak de zwarte lijnen rond mijn ogen dikker, waardoor mijn blauwgrijze ogen nog meer opvallen tegen mijn bleke huid. Ik doe wat extra van mijn favoriete rode lippenstift op en ben helemaal klaar om te gaan.
Tegen de tijd dat ik weer beneden kom, heeft Dylan mijn ouders overgehaald om me met hem mee uit te laten gaan.
Ik bedank ze allebei uitvoerig en geef ze elk een dikke knuffel voordat ik naar buiten ren om in Dylans auto te stappen. Hij start de motor en Digital Underground knalt uit de blikkerige speakers.
„My name is Humpty, pronounced with a Umpty. Yo ladies, oh how I like to hump thee. And all the rappers in the top ten—please allow me to bump thee,“ rappen we samen, voordat we in lachen uitbarsten.
Dylan gaat door. Hij kent alle woorden van het liedje perfect uit zijn hoofd.
Voor een magere blanke jongen houdt hij erg van zijn hiphop. We worden altijd aangestaard bij stoplichten wanneer zijn kleine kutauto stopt en keiharde rapmuziek draait, maar Dylan geeft geen reet om wat andere mensen van hem vinden.
We rijden de parkeerplaats op van het meer net buiten de stad. Dit is waar alle tieners komen om te feesten na zonsondergang. Dylan komt hier al jaren, maar heeft me nog nooit laten meegaan.
„Vannacht, mijn kleine zusje, blijf je bij mij of Tommy.“ Zijn beste vriend komt naar ons toe gelopen en slaat zijn arm om mijn schouders.
„Gefeliciteerd, Rosa-Lee! Vindt grote broer eindelijk dat je oud genoeg bent om te komen feesten?“ Hij wiebelt met zijn wenkbrauwen.
„Grote broer“—Dylan kijkt hem boos aan—„laat haar niet feesten, ze is hier gewoon om een beetje plezier te maken.“
Ze nemen me mee naar beneden richting het meer, waar een grote groep tieners—in leeftijd variërend van mijn klas tot Dylans leeftijd, die net op de universiteit zit—rondhangt.
Ik ken de meeste jongeren daar; ze kennen allemaal Dylan. Hij was populair op de middelbare school, en door die relaxte persoonlijkheid is hij nog net zo populair op de universiteit.
Zijn zwarte, opgeschoren haar, zachte gezichtstrekken en dezelfde blauwgrijze ogen als ik, zorgen ervoor dat hij erg geliefd is bij de meiden. Zodra ze zien dat hij is gearriveerd, wordt hij meegetrokken in een groepje meiden met korte, strakke rokjes.
Er is een groot kampvuur op de oever, en er staan een paar koelboxen vol met flessen en blikjes. Tommy pakt een blikje cola voor me.
Als ik een paar slokken heb genomen, haalt hij een fles wodka uit zijn achterzak en schenkt die in mijn blikje, terwijl hij naar me knipoogt.
Ik wandel weg van Dylan en zijn vrienden, en voeg me bij een groepje jongeren van mijn middelbare school.
Ik krijg blikjes bier en begin me al snel een beetje aangeschoten te voelen. We zijn een klein stukje van het meer weggelopen, en hangen rond bij het kleine speeltuintje in de buurt.
Er zijn nu meer mensen bij het meer, die rond de vlammen lopen en vreemde schaduwen werpen.
Het klinkt ook luidruchtiger; ik hoor geschreeuw. Ik denk dat ik Tommy en Dylan hoor schreeuwen.
Ik strompel de heuvel af terug naar de rand van het meer. De menigte mensen staat dicht op elkaar rond het kampvuur.
Als ik dichterbij kom, hoor ik gegil. Er rennen mensen langs me heen die roepen dat er een ambulance gebeld moet worden.
Als de menigte zich splitst, zie ik Dylan op de grond liggen.
Ik blijf naar voren lopen. Het voelt alsof ik op drijfzand loop met voeten van lood. Tommy zit gehurkt naast Dylan, met tranen over zijn wangen en schreeuwend om hulp.
Ik kniel naast Dylan. Zijn T-shirt is bedekt met zand en wordt langzaam rood. Hij probeert iets te zeggen, maar alles wat uit zijn mond komt is een beetje geborrel.
Ik pak zijn hand. Die is koud, niet zoals zijn gebruikelijke kleine 'radiator'-handen. Hij hoest weer, en er druppelt wat bloed uit zijn mond dat over zijn onderste wang stroomt. Hij kijkt zo bang.
Ik leun naar voren en leg mijn hoofd op zijn trillende borst, terwijl ik zijn hand verplaats zodat hij op mijn wang rust.
Ik weet niet voor hoelang we daar hebben gelegen toen ik me vaag bewust werd van Tommy die me van Dylans borst probeerde te trekken, en van een hoog, snerpend gekrijs.
Langzaam dringt het tot me door dat het gekrijs van mij komt. Uiteindelijk verlichten zwaaiende blauwe lichten de oever van het meer.
***
Ik word wakker in een witte kamer. Machines piepen om me heen. Ik rol mijn hoofd opzij en zie mijn vader voorovergezakt in een plastic stoel zitten, met zijn hoofd in zijn handen.
„Papa?“ Mijn stem klinkt als een gekras. Hij springt op, loopt snel naar mijn bed en pakt mijn hand vast.
„Oh! Rosa-Lee, mijn lieve meid.“ Zijn stem breekt.
„Waar... waar is Dylan?“
„Het spijt me, lieverd. Het spijt me zo, zo erg.“ Grote, dikke tranen rollen over de wangen van mijn vader en maken de kraag van zijn overhemd nat.
***
Ik moest uiteindelijk een paar dagen in het ziekenhuis blijven zodat ik in de gaten gehouden kon worden voor de shock. Ik denk, vooral, omdat ik niet huilde of op welke manier dan ook echt reageerde op de dood van mijn broer.
Ik heb me verdoofd gevoeld. Om me heen hebben mensen openlijk gerouwd. Mijn ouders leken geen gesprek te kunnen voeren zonder dat één of allebei van hen in tranen uitbarstte.
Tommy had Dylans auto na een paar dagen terug naar het huis gereden. Hij liet een paar tranen vallen toen hij me de sleutels gaf. Toen mijn grootouders daarnet op kwamen dagen voor de begrafenis, vielen er nog meer tranen.
Nu, op de condoleance in huis, dwaal ik rond terwijl me wordt verteld hoeveel Dylan wordt gemist, en hoe geweldig hij was. Ik heb het gevoel dat ik word verstikt. De lucht is te zwaar in mijn longen.
Ik pak Dylans autosleutels en ren naar buiten, naar zijn auto.
In zijn auto kan ik hem overal om me heen ruiken—kaneelkauwgom en vervaagde wiet—en eindelijk kan ik ademhalen.
Ik zet de motor aan en zijn Digital Underground-bandje begint te spelen, en eindelijk raakt het me.
Dylan is weg.
Mijn grote broer.
De enige persoon die mij echt kende, is dood.
Doodgestoken door een of andere jaloerse ex-vriend die dacht dat hij nog steeds een soort recht had op een meisje dat hem allang was vergeten en vervangen.
Eindelijk beginnen de tranen te vallen.
***
Het is een paar maanden geleden dat Dylan is overleden. Ik ben alles aan het verkloten.
Ik kan het niet verdragen om in dat huis te zijn. Mijn ouders zijn zo controlerend geweest. Geen van beiden heeft het aangedurfd om Dylans kamer in te gaan. Ik zit steeds weer in Dylans auto wanneer de druk in huis te groot wordt.
Ik spijbel nu bijna elke dag van school en hang rond met een ouder publiek.
Ik blijf de meeste nachten laat weg, zoals vanavond, in elkaar gedoken in de hoek van een nachtclub waar ik naar binnen ben geglipt, langzaam nippend aan een fles wodka. Zoals de meeste andere nachten zal ik in de vroege uurtjes naar huis strompelen, en me hoogstwaarschijnlijk in Dylans bed opkrullen.
Ik word me bewust van iemand die mijn naam roept. Ik kijk om me heen, proberend mijn ogen te laten focussen. Tommy’s bezorgde gezicht zweeft voor me.
„Rosa-Lee? Wat de fuck doe jij hier?“ Zijn gezicht rimpelt van bezorgdheid.
„Ah... 'k ben j'woon hier met, weet je wel, mensen.“ Ik maak een gebaar om me heen, en merk dan pas dat de jongens met wie ik was meegekomen zijn verdwenen. „Pffst... nou ja, boeien...“ Ik neem nog een teug uit mijn fles.
Tommy zucht en wrijft met een hand over zijn gezicht.
„Denk je dat Dylan zou willen dat je hier bent, op deze manier?“ Hij probeert de fles voorzichtig uit mijn greep te halen. Ik schud mijn hoofd, terwijl een eenzame traan ontsnapt en een spoor over mijn wang trekt.
„Kom op. Ik breng je nu naar huis.“
***
De afgelopen weken leek Tommy overal te zijn waar ik ook ging. Altijd weerhield hij me ervan om te ver heen te raken. Altijd reed hij me naar huis, naar mijn bezorgde ouders.
Dus zocht ik een nieuwe plek om rond te hangen.
Slechtere cafés trekken een slechter publiek aan.
Ze weten dat ik te jong ben om daar te zijn, maar de wanhopige, gejaagde blik op mijn gezicht zorgt ervoor dat ze me met rust laten. Zolang ik het geld heb om voor mijn drankjes te betalen, kan het ze echt niets schelen.
Mijn nieuwe groep rookt wiet. Veel wiet. Dat trekt nieuwe vrienden aan. Zelfs oudere vrienden.
Vrienden die kleine zakjes wit poeder bij zich dragen. En dan, vrienden die kleine zakjes bruin poeder en stuwbanden bij zich dragen.
***
Mijn zeventiende verjaardag breekt aan.
Ik word wakker van de misselijkmakende geur van pannenkoeken. Ik kreun en trek mijn lakens over mijn hoofd. Mijn hoofd bonkt, en mijn mond voelt alsof hij vol watten zit.
Ik strompel uit bed en vang een glimp van mezelf op in de spiegel.
Mijn haar is doorgegroeid, en valt tot net onder mijn schouders. Mijn pony hangt bijna tot op mijn neus; ik verstop hem tegenwoordig onder een oude, zwarte muts van Dylan die ik op de achterbank van zijn auto vond.
Mijn ogen zijn dof en levenloos. Mijn huid heeft een ziekelijke grijze kleur. Ik weet dat ik ben afgevallen, maar ik schrik van hoe ingevallen mijn wangen eruitzien.
Mijn deur gaat open en mijn moeder kijkt om het hoekje.
„Gefeliciteerd, lieverd.“ Ze probeert wat, zo stel ik me voor, ze denkt dat een warme glimlach is. „Ik heb je pannenkoeken al gebakken.“
„Oké. Bedankt, mam. Ik kom zo naar beneden.“
Zodra ik hoor dat haar voetstappen zich terugtrekken naar de keuken, en ik haar en mijn vader gedempt hoor praten, glip ik naar buiten en naar beneden naar Dylans auto.
Ik ga liggen op de achterbank en adem Dylans vervagende geur zo diep mogelijk in, in een poging me voor te stellen dat hij hier bij me is.
Maar dat is hij niet.
Er dreigt een snik uit mijn keel te ontsnappen.
Ik kan niet geloven dat ik een heel jaar zonder hem ben doorgekomen.
Ik haal een blikje uit mijn zak. Erin zitten een klein pakje heroïne, een naald, een lepel en een stuk rubberen slang. Ik pak een aansteker en een flesje water van de grond, en ga verder met het bereiden van een dosis.
Terwijl ik de kolkende vloeistof in mijn ader laat stromen, voel ik de gebruikelijke rush. Maar het blijft doorgaan.
Het voelt alsof ik wegzweef in de nacht...
Het voelt alsof Dylan dichtbij is...












































