
Rayne
Auteur
Lezers
615K
Hoofdstukken
42
Tijd om te spelen
Boek 1: When It Will Rayne, It Will Pour
RAYNE
Op een nacht halverwege oktober in Yellowrose, South Dakota, brak er een zware sneeuwstorm los. Hierdoor daalde de temperatuur enorm.
In plaats van mijn kantoor af te sluiten, bleef ik binnen om het papierwerk af te ronden voor mijn vijfde wegloper van de maand, Olivia Jensen.
Olivia was gearresteerd voor het witwassen van geld, fraude en samenzwering. Ze was op borgtocht vrijgelaten voor maar liefst vijftigduizend dollar. Maar zoals de meeste criminelen was ze ervandoor gegaan toen haar rechtszaak dichterbij kwam.
Ik was ingehuurd om haar op te sporen en binnen te brengen.
Dat had me maar anderhalve dag gekost. Ik liep echter tegen een klein probleem aan toen ik haar vriend en zijn drie pitbulls tegenkwam.
De honden waren het makkelijkste deel.
Toen de vriend ze losliet en ze op me afrenden, keek ik ze dreigend aan en bleef ik stevig op mijn plek staan.
Een voor een draaiden ze zich om. Ze maakten dat ze wegkwamen met de staart tussen de poten.
De vriend was een ander verhaal. Hij had gezien hoe de honden bijna over hun eigen poten struikelden om weg te komen. Maar aangezien hij meer spieren dan hersens had, nam hij hun vertrek niet serieus.
Hij kwam met gebalde vuisten op me af. Ik maakte snel een einde aan zijn stoerdoenerij door hem hard op zijn kaak te slaan. Het voelde goed om hem als een hoopje voor mijn voeten in elkaar te zien zakken. Hij lag duidelijk gestrekt.
Met de vriend en de honden uit de weg, kon ik Olivia's waardeloze reet, al schoppend en schreeuwend, mee terug sleuren naar de gevangenis. En voor al die moeite kreeg ik een flinke smak geld.
Mijn werk was uitputtend, en de dagen waren lang en gevaarlijk. Ik wist nooit wat ik van de volgende dag kon verwachten, maar daar hield ik juist van. Het hield me bezig en scherp.
Tijdens die zeldzame momenten dat ik even vrij was, voelde ik de muren op me afkomen. Daarom ging ik meestal direct door naar de volgende klus, met weinig of helemaal geen pauze ertussen.
Op mijn visitekaartje stond Slater Services. Mijn diensten liepen uiteen van bodyguard tot premiejager tot privédetective.
De aard van mijn werk veranderde telkens, afhankelijk van wat de cliënt nodig had.
Vannacht gebruikte ik Olivia's papierwerk als een smoesje. Ik haat—en dan bedoel ik ook echt dat ik het haat, met een diepe passie—de kou.
Alleen al de gedachte aan de woeste sneeuwstorm buiten bezorgde me rillingen. Ik was dan ook echt niet van plan om naar buiten te gaan, tenzij de storm flink zou afzwakken of helemaal zou stoppen.
Minuten veranderden al snel in uren, en aangezien de storm nog steeds hevig woedde, gaf ik uiteindelijk toe dat ik de wilde sneeuw niet veel langer meer kon vermijden.
Ik zou binnenkort die vreselijke wandeling naar mijn truck moeten maken.
Ik was net begonnen met het opruimen van mijn bureau toen ik iets hoorde. Boven de huilende wind buiten uit hoorde ik het zachte geluid van dichtslaande autodeuren. Ik bevroor onmiddellijk en mijn ogen schoten naar de klok. Het was kwart voor twee 's nachts.
Een ongemakkelijk gevoel overspoelde me terwijl de alarmbellen in mijn hoofd afgingen. Geen enkel weldenkend mens zou zich in deze woeste storm buiten wagen, tenzij ze wanhopig waren of iets slechts in de zin hadden.
Ik reikte in mijn bureaula om mijn Glock 19 te pakken en leunde achterover in mijn stoel. Ik wachtte op de klop op de deur die gegarandeerd zou komen.
De klop kwam nooit. In plaats daarvan werd de deur van mijn kantoor eruit getrapt. Ik richtte mijn Glock resoluut op de deur en vuurde een paar schoten af. Een mannenstem schreeuwde het uit van de pijn, en er werd teruggeschoten.
Ik gooide mezelf naar achteren en zocht dekking onder mijn bureau.
Het geluid van de pistoolschoten was oorverdovend in mijn kleine kantoor, maar ik hoorde een vrouwenstem schreeuwen: „Stop!“
Het schieten stopte onmiddellijk.
Ik gluurde langs de rand van mijn bureau, maar dichte, wervelende sneeuw en striemend ijs waaiden door de deuropening naar binnen. Dat belemmerde mijn zicht, waardoor ik moeilijk iets kon herkennen.
Uiteindelijk ging het genoeg liggen om drie figuren te kunnen onderscheiden.
Een vrouw en een man stonden met getrokken wapens, hun gezichten verhuld door de sneeuw. De enorme gestalte van een andere man lag op de grond. Hij hield zijn been vast, op de plek waar meerdere van mijn kogels doel hadden getroffen.
De enorme man op de vloer had kort roodbruin haar en een volle baard die erbij paste. Hij was groot en fors, met groene ogen die vol haat stonden.
Zelfs nu hij op de grond lag, kon ik zien dat hij langer was dan die andere twee. Ik gokte dat hij minstens twee meter was.
Een bosgroen shirt met lange mouwen spande om zijn gespierde lichaam. Een zwarte spijkerbroek en laarzen met stalen neuzen maakten zijn outfit compleet.
„Wie zijn jullie, en wat moeten jullie?“ eiste ik, terwijl ik met stemverheffing boven de huilende wind uit probeerde te komen.
„Ik vermoord haar,“ vloekte de man op de grond terwijl hij hevig bloedde. Hij schold, deed zijn riem af en bond deze strak om zijn enorme dijbeen om het bloeden te vertragen.
Er verscheen een zelfvoldane glimlach op mijn gezicht. Zonder überhaupt te mikken had ik een van zijn grote slagaders geraakt. Ik schepte normaal niet snel op, maar hiervoor moest ik mezelf toch echt een complimentje geven. Dat was een behoorlijk knappe prestatie.
„Bruce, hou je verdomde bek!“ beet de vrouw hem toe. „Rayne Slater, we hebben een klus voor je.“ Haar woorden hadden een sterk Spaans accent.
„Het antwoord is nee, dus rot op,“ kaatste ik terug.
Ze hadden het goed mis als ze dachten dat ik voor ze ging werken. Zeker nadat ze zomaar onuitgenodigd mijn kantoor waren binnengedrongen en het lef hadden om op me te schieten. Zelfs als ik degene was die als eerste schoot.
De ijskoude lucht van de sneeuwstorm had de warmte van het kantoor al snel verjaagd. Elke ademhaling zag eruit als een wolkje rook. Ik had geprobeerd om de kou te vermijden door laat door te werken, maar nu had ik er spijt van dat ik niet eerder was vertrokken.
„Luister eens goed, schatje, dat gaat niet gebeuren. We hebben een hele lange reis gemaakt voor jouw hulp, en we vertrekken pas als we die hebben,“ zei de staande man met een zwaar Zuidelijk accent.
„Dus stop dat wapen maar weg, dan kunnen we dit op een heel gezellige manier bespreken.“
Dat was makkelijk praten. Hij had zíjn pistool op mijn bureau gericht!
„Tja, daar had je over na moeten denken voordat je mijn deur intrapte,“ antwoordde ik bijdehand. „Bovendien hou ik er niet van als er op me wordt geschoten. Dus loop terug naar buiten, stap in jullie auto en vertrek. Ik ben namelijk niet te huur.“
„Laten we haar afmaken en iemand anders zoeken,“ tierde de gewonde man.
„Ga vooral zo door, Bruce,“ siste de vrouw.
Haar woorden klonken als een verholen dreigement, maar Bruce leek zich er niet druk om te maken. Hij pakte een stoel die in de buurt stond en hees zichzelf er met veel moeite op.
Het bloed dat uit zijn wonden stroomde, begon langzamer te druppelen. Dat was geen goed teken voor mij.
„Slater, we accepteren geen nee als antwoord. Laten we dus allemaal onze wapens wegstoppen en praten. Het is diep in de nacht, en we hebben nog andere zaken te regelen.“ Dit keer richtte de vrouw zich tot mij.
„Jij eerst,“ schreeuwde ik, terwijl ik gehurkt achter mijn bureau bleef zitten.
Verrassend genoeg luisterden ze naar mijn eis en stopten ze hun wapens weg. De Zuiderling liep naar mijn kapotte deur en zette deze tegen de post om de storm buiten te houden.
„Stukken beter,“ gromde hij, terwijl hij de sneeuw van zijn zwarte trenchcoat afschudde.
Nu de sneeuwstorm niet langer naar binnen blies, nam ik de Zuiderling en de vrouw eens goed in me op.
Hij was ongeveer één meter achtentachtig en had donkere groenbruine ogen.
Zijn gitzwarte haar was amper zichtbaar onder zijn zwarte Stetson-hoed. Onder zijn trenchcoat staken een donkere spijkerbroek en op maat gemaakte, zwarte cowboylaarzen uit.
De vrouw zag er Latina uit, met roodbruin haar tot op haar schouders en bruine ogen. Ze droeg een bordeauxrode peacoat met bijpassende suède naaldhakken van dertien centimeter en een zwarte leren broek.
Door die naaldhakken torende ze boven de Zuiderling uit, maar slechts met een paar centimeter.
Ik bestudeerde hun uiterlijk. Het eerste wat me opviel, was dat ze niet menselijk waren.
Op het eerste gezicht leken ze menselijk genoeg. Maar als je goed oplette, zag je hun onderliggende dierlijke kracht. Dat varieerde van de roofdierachtige reflexen in hun houding tot het oerinstinct in hun ogen.
Mensen bezaten zoiets simpelweg niet.
Ik was hun soort al vaker tegengekomen. Jaren geleden had ik er zelfs met eentje samengewerkt. Maar de afgelopen vijf jaar van mijn leven had ik er alles aan gedaan om ver bij hen uit de buurt te blijven.
Wat er nu echter voor me stond, waren drie imposante gedaanteverwisselaars. De vrouw was een poema, Bruce een grizzlybeer en de Zuiderling een zwarte beer.
















































