
Stockholmsyndroom
Auteur
Vivienne Wren
Lezers
782K
Hoofdstukken
46
Vastgebonden
ZARA
Zwart.
Ik voel niets anders dan een doffe pijn onderaan mijn hoofd en een zacht gerinkel in mijn oren. Eerst denk ik dat ik misschien nog slaap, drijvend in een of andere donkere, koude droom. Maar ik kan mijn armen of benen niet bewegen.
Mijn polsen branden. Ze zijn stevig samengebonden, en er snijdt iets scherps in mijn huid. Angst klauwt zich een weg door de mist in mijn hoofd.
Mijn hoofd rolt opzij en de bonzende sensatie wordt sterker. Dit voelt allemaal niet juist De lucht ruikt naar benzine, muf en intens, vermengd met iets dat vaag naar metaal ruikt.
Het zachte gerem van banden op het wegdek dringt tot me door, vibreert helemaal tot in mijn ruggengraat.
Een busje? Ik zit in een busje.
Ik probeer te slikken, maar mijn keel is rauw - droog en schor. Alsof ik lang buiten westen ben geweest. Ik haal diep adem en zeg tegen mezelf dat ik kalm moet blijven.
Hier klopt iets niet.
Mijn hart bonst snel, klopt tegen wat het ook is dat mijn polsen achter mijn rug vastbindt - ik kan ze onmogelijk gebruiken. Ik verschuif, maar mijn benen zijn net zo nutteloos, vastgebonden bij mijn enkels en knieën.
Ik rol op mijn buik, wat een beetje van de doffe pijn in mijn heup verlicht.
Denk na, Zara. Denk na.
Het laatste wat ik me herinner is dat ik terugliep van mijn werk. Ik wrijf mijn knieën tegen elkaar en voel de gladde stof van mijn spijkerbroek. Goed, ik heb nog steeds mijn broek aan.
Ik probeer wanhopig uit te zoeken wat er is gebeurd, maar er is niets. Alleen een grote, angstaanjagende leegte in mijn geheugen.
Ik weet niet hoe lang ik buiten westen ben geweest, maar als ik om acht uur niet in de sportschool ben, zal Maya zich afvragen waar ik ben. Ze zal bellen en ik zal niet opnemen. Ze zal weten dat er iets mis is. Ik laat haar nooit zitten.
Goed. Ze zal naar me op zoek gaan. Het zal niet lang duren voordat ze erachter komen dat ik ben ontvoerd, want laten we eerlijk zijn, dat is wat hier gebeurt.
Ik heb altijd geweten dat dit kon gebeuren. Als enige dochter van mijn ouders en de erfgename van het Aurum Labs-fortuin, ben ik eigenlijk een wandelend doelwit - of zo voelt het in ieder geval.
Elke keer dat iemand me een seconde te lang aankijkt, heb ik schrik dat ik ontvoerd ga worden. En hier zijn we dan.
Oké, tijd om te focussen.
Het busje rijdt gestaag, en de weg lijkt glad. We zijn waarschijnlijk op een snelweg. Misschien kan ik alle bochten die we nemen onthouden, zodat ik kan uitvogelen hoe ik terug moet raken als ik ooit ontsnap.
Nee - wanneer ik ontsnap.
Ik luister aandachtig naar alles wat kan helpen. Er is het gezoem van de motor en het gedempte geluid van muziek ergens ver weg. De radio staat aan. Die klootzak is muziek aan het luisteren.
Ik houd mijn adem in en probeer te luisteren of ik nog meer relevante geluiden hoor.
Daar. Stemmen. Ze zijn moeilijk te horen door de dikke wand die de voorstoelen scheidt van de laadruimte waar ik zit, maar het is ongetwijfeld meer dan één persoon.
Verdomme, dat verkleint mijn kansen om me vrij te vechten.
Ik rol terug op mijn zij en probeer tevergeefs weer overeind te komen.
“Ze is wakker.”
Mijn bloed stolt. Er zit een man hier bij me achterin. Ik verstijf, span elke spier, in afwachting van de klap die waarschijnlijk zal komen. Maar die komt niet.
“Hallo, rijk kind,” roept een andere stem. Zijn spottende toon doet me bijna overgeven, en ik moet vechten tegen de drang. “Hoe was je dutje?”
Ik blijf verstijfd liggen en probeer wanhopig te bedenken wat ik nu moet doen. Moet ik antwoorden? Smeken voor mijn leven? Doen alsof ik nog steeds bewusteloos ben?
“Ga weer slapen.”
Het is die eerste stem weer, ergens van mijn linkerkant.
Ik probeer mijn ogen te focussen, en terwijl ze langzaam aan het donker wennen, kan ik de omtrek zien van een enorme man, van achteren verlicht door het kleine beetje licht dat door de kier tussen de dubbele deuren naar binnen valt. Ik slik moeizaam, mijn keel nog steeds rauw en pijnlijk.
Verdomme, ik ben er zo geweest.
Ik blijf stil, en knipper de tranen van frustratie en zelfmedelijden weg terwijl ik mijn hoofd weer op de koude vloer leg.
Ik adem in door mijn neus en vul mijn longen met die metaalachtige geur. Is dat bloed? Is het mijn bloed?
Ik sluit mijn ogen en scan in gedachten mijn lichaam. Mijn hoofd bonst. Ik ben zeker geslagen, maar ik weet niet zeker of ik bloed.
Mijn haar plakt niet aan mijn gezicht, wat volgens mij een goed teken is. De banden om mijn polsen, knieën en enkels snijden in mijn huid, maar zijn niet scherp genoeg om de huid te doorboren.
“Wat willen jullie?” zeg ik schor, mijn stem ruw als schuurpapier. Ik hoest en probeer overeind te komen, maar val meteen weer om. Het busje neemt een bocht. Gaan we van de snelweg af?
“Hou verdomme je bek.” Het is de gast rechts van me weer - degene die me bespot.
“Alsjeblieft,” probeer ik. “Ik weet dat jullie denken dat mijn ouders rijk zijn-” Mijn zin wordt afgebroken door een scherpe pijn die door mijn dij schiet. Ik bijt op mijn lip om niet te schreeuwen. Die eikel heeft me geschopt.
“Ik zei hou je bek verdomme.”
Ik kijk naar hem en knijp mijn ogen tot spleetjes om zijn gelaatstrekken te zien in de stoffige duisternis. Hij draagt een capuchon, wat het nog moeilijker maakt om hem te zien, maar ik kan net de vorm van zijn gezicht onderscheiden. Het ziet er misvormd uit op de een of andere manier. Hij draagt een masker. Is dat Ghostface?!
“Jullie hebben het verkeerde meisje,” smeek ik. “Mijn ouders-”
“Genoeg,” onderbreekt Ghostface me weer, en ik kan aan de schuifelende geluiden horen dat hij opstaat.
Voordat ik zelfs maar volledig kan bevatten wat er gebeurt, schiet een plotselinge pijnscheut door mijn hoofd en wordt alles weer zwart.
***
De volgende keer dat ik mijn ogen open, word ik uit het busje getrokken en ruw over een onverharde weg gedragen. Ik kan het knarsende geluid van grind onder de schoenen van mijn ontvoerder horen terwijl hij ons over het pad draagt. Ik kan niet zien waar we naartoe gaan.
Die eikels hebben een zak over mijn hoofd gedaan.
Ik haal oppervlakkig adem en probeer niet in paniek te raken door het verstikkende gevoel. De geur van oud zweet dringt mijn neus binnen, en gemengd met mijn misselijkmakende hoofdpijn kost het me al mijn kracht om niet over te geven.
Ik drijf in en uit bewustzijn terwijl het getsjirp van krekels overgaat in het gekraak van vloerplanken, en ik besef vaag dat ik een trap af word gedragen.
Ik word op een matras gegooid, en een scherpe metalen knal galmt door de ruimte. Dan verwijderen de voetstappen zich in de verte voordat ik ze een trap op hoor gaan, en een deur sluit. Ik hoor minstens drie sloten dichtklikken.
En dan ben ik alleen, opgesloten in een of andere verdomde kelder.









































