
Stormen en Schaduwen Boek 2: De Stormschaduw
Auteur
Lezers
146K
Hoofdstukken
61
Proloog
Boek 2: De schaduw van de storm
NAZARIUS
De kamer is in duisternis gehuld. De zware sneeuwval buiten het grote raam van vloer tot plafond blokkeert het weinige licht dat door de dikke wolken dringt.
Maar Nazarius stoort zich niet aan de duisternis. Hij zit in de hoek van zijn kantoor met een opengeslagen boek op schoot. De bank waarop hij ligt is donkerrood, met kussens die net zo zwart zijn als de kamer.
Hij zou eigenlijk moeten vergaderen met zijn Inner Court of zijn plichten moeten vervullen, maar door recente gebeurtenissen moet hij zijn aandacht ergens anders op richten. Zijn rechterhand Narayan neemt de gewone taken voor zijn rekening, terwijl Nazarius urenlang boeken bestudeert.
Een verethar tikt met zijn snavel tegen het raam. Hij zit op de stenen richel met een blik die zijn ongenoegen over het weer verraadt. Zijn donkere kleur vertelt Nazarius waar het dier vandaan komt: de plek waar de winter nooit aanbreekt.
Hij kijkt de vogel boos aan en wacht tot hij wegvliegt. Maar het dier houdt vol en tikt opnieuw met zijn snavel.
Hij slaat het boek hard dicht en maakt een handgebaar om het magische schild van zijn kantoor op te heffen, waarna de vogel door het glas hopt alsof het slechts mist is. De vogel tilt zijn kop op en biedt de rol aan die om zijn nek is gebonden.
Nazarius schudt zijn hoofd als hij naar de rol grijpt. In plaats van hem eraf te halen, bedekt hij het kleine stukje perkament met ijs, waarbij hij oppast om de veren van de vogel niet te raken.
„Ga,“ beveelt hij ruw. Hij kijkt toe hoe de vogel haastig de kamer verlaat en snel door een portaal springt voordat er te veel sneeuw op hem kan vallen.
De Sun Court stuurt bijna elke dag berichten, of beter gezegd, eisen. Nazarius vindt het moeilijk om enig onderzoek te doen nu Aurelius elk moment op de hoogte gehouden wil worden.
Hij weet dat ze boos zijn over de duistere wezens die de grens oversteken, en hij is er zelf ook niet bepaald blij mee. Maar wat willen ze dat hij doet? Er zijn magische schilden geplaatst om ze af te schrikken en het is ze verboden te vertrekken. Afgezien daarvan heeft hij weinig macht over de duistere wezens; ze luisteren voor geen meter.
Hij besteedt al elke vrije minuut aan het zoeken naar een manier om ze binnen de Dark Kingdom te houden. Hij zoekt naar oude magie of een schild dat hem kan helpen ze in toom te houden. Aurelius is ervan overtuigd dat ze ergens naar op zoek zijn in de Mortal Realm. Dat kan heel goed waar zijn, maar Nazarius kan daar net zomin heen als de Heer van de Sun Court.
Dus heeft hij zich er maar bij neergelegd om naar alternatieve manieren te zoeken om ze in het gareel te houden.
Er is natuurlijk een stormschild. Met genoeg lagen zou dat zo afgesteld kunnen worden dat het vrijwel alles binnenhoudt. Maar stormschilden vergen veel onderhoud en er is een Storm Fae voor nodig.
Voor zover bekend is er nog maar één in leven. Die zit veilig verborgen in de Vampire Court, buiten het bereik van zelfs Nazarius.
Hij leunt weer achterover op de bank en bladert door het boek, op zoek naar de informatie die hij nodig heeft. Hij weet dat de antwoorden niet in de bibliotheek te vinden zijn, maar bij de Votharothern — de vampierprins — die functioneert als een levend geschiedenisboek. Deze zit echter veilig opgesloten achter precies zo'n stormschild, wat op dit moment een extra hoofdpijndossier is voor Nazarius.
Hij knijpt in de brug van zijn neus en schuift de gedachte opzij. De Votharothern speelt zijn spelletje al eeuwenlang; het is nauwelijks het meest dringende probleem voor Nazarius.
Als dat probleem echter was opgelost, zou hij nu misschien de antwoorden hebben die hij nodig heeft. Of in ieder geval toegang tot het duo van Fae en vampier dat dit probleem zou kunnen oplossen.
Het boek in zijn handen raakt de muur met een harde klap en valt daarna met een tweede, doffe dreun op de grond.
De geschiedenisboeken staan vol opschepperij en vele overwinningen, maar er staat niets in over de Narvazkar — ze geven geen antwoorden. Er lijkt maar één oplossing te bestaan, en hij heeft niet de middelen om die na te streven.
Aurelius en de rest van de Sun Court moeten het maar zien te rooien, of uit de buurt van de wezens blijven.
Maar wat is de kans dat hij dat doet zonder gezeur en geklaag?
Hij ijsbeert door zijn kantoor. Žydrūnas rekt zich uit in de hoek en kijkt met één halfopen oog naar Nazarius. Zijn poten spannen zich aan, omdat hij zijn frustratie voelt, en zijn klauwen krassen over het hout.
De oplossing van Žydrūnas voor het probleem is simpel: eet iedereen op die blijft ruziemaken. Hoewel Nazarius er niet van houdt om het vlees van andere Fae te eten, snapt hij wel dat dit zou werken.
Nazarius stopt plotseling in het midden van zijn kantoor, terwijl een vreemd gevoel door hem heen stroomt. De wind fluistert in zijn oor. Het is een bijna stille smeekbede die hij meer voelt dan hoort.
En het voelt... oeroud.
Hij kijkt naar Žydrūnas, die nieuwsgierig zijn kop schuin houdt, maar verder geen enkele aanwijzing geeft dat hij iets voelt.
„Er roept iemand,“ mompelt hij, terwijl hij zich omdraait om uit het raam te kijken. De sneeuw valt nu zwaarder en dikke vlokken drukken tegen het glas. „Moet ik antwoorden?“









































