
Storm en Schaduw Boek 1: De Schaduw van de Kroon
Auteur
Lezers
197K
Hoofdstukken
50
De Tijd is een Dief
AZARIAH
Het eerste licht van de ochtend is een leugen.
Een symbool van hoop, het begin van een gloednieuwe dag, in al zijn grootsheid aangekondigd alsof het wil zeggen dat het beter zal zijn dan gisteren.
Maar hoeveel nieuwe ochtenden er ook komen, Marcellus komt niet terug.
Hoeveel nieuwe ochtenden er ook komen, een draak zal zich niet aan mij binden.
Hoeveel nieuwe ochtenden er ook komen, ze zullen me niet redden van de zware last van de kroon.
En alsof de ochtend zelf nog niet wreed genoeg is, ben ik nergens in de buurt van het kasteel wanneer het eerste spottende, gouden licht over het land stroomt.
Vogels zingen terwijl de schaduwen zich terugtrekken, maar één schaduw is te laat. Heel erg te laat.
Vilhelm was duidelijk in zijn instructies. Schakel het doelwit uit en kom niet te laat op de afspraak bij zonsopgang. Dat is alles. Twee dingen. Heel simpel.
Terwijl mijn voeten over de kasseien vliegen en uitputting mijn lichaam probeert over te nemen, bedenk ik hoe ik mijn vertraging ga rechtvaardigen.
Voeg daaraan toe dat ik niet eens heb gekeken naar de brieven van huwelijkskandidaten die ik van Vilko moest lezen, en ik begin me af te vragen of mezelf aan een draak voeren misschien het hoogtepunt van mijn ochtend zou zijn.
Ik ben er hoe dan ook geweest. De vraag is alleen wat minder pijnlijk is: vlijmscherpe tanden, of mijn vader kwaad maken?
Ik neig naar het eerste.
De bewakers vallen me niet lastig als ik door de poorten loop, misschien door mijn haastige bewegingen, en het zegel op mijn mantel is identificatie genoeg.
Of misschien komt het door de vele wapens die ik bij me draag, besmeurd met vers bloed.
Ik loop de hoek van het kasteel om en ga op weg naar het doolhof van gangen dat verborgen is in de muren.
Maar vlak voordat ik de donkere ingang binnenstap, gaan de haartjes in mijn nek overeind staan.
Ik doe een kleine stap naar achteren, terwijl mijn hand al de dolk van mijn riem bevrijdt, maar voordat ik kan toeslaan, raakt mijn rug de grond en wordt de adem uit mijn longen geslagen.
Een laars drukt op mijn pols en pint mijn hand met de dolk vast op de stenen.
De Meester van de Dood torent hoog boven me uit, zijn capuchon ver naar voren getrokken, al verbergt dat de teleurgestelde lijn van zijn lippen niet.
„Slordig.“ Zijn laars drukt verder in mijn huid terwijl hij hurkt en de dolk uit mijn greep pakt. „En te laat,“ voegt hij eraan toe, terwijl hij mijn eigen mes tegen me keert en de scherpe punt tegen mijn keel laat rusten.
„Hier heb ik geen tijd voor,“ snauw ik, terwijl ik een halfslachtige poging doe om op te staan.
Het mes snijdt iets in mijn huid, een milde prik, maar genoeg om te laten zien dat Vilhelm me nog niet laat gaan.
„Nee, ík heb hier geen tijd voor,“ corrigeert hij, terwijl hij zijn capuchon naar achteren gooit om me koud aan te kijken.
„Je bent te laat. Daardoor heb ik opnieuw naar het gezeur van je oom moeten luisteren dat je nog niet eens naar een mogelijke huwelijkskandidaat hebt gekeken. Mijn geduld raakt op.“
„Het kostte me een paar uur aan observatie,“ werp ik tegen. „Ik kon moeilijk naar binnen stormen zonder te weten waar ik mee te maken had.“
„Ik kan me niet herinneren dat ik om je smoesjes heb gevraagd,“ sist hij. „Ik heb je gisteren nog gezegd, kom niet te laat.“
Hij duwt zich van me af en gooit de dolk naast me op de grond.
„Blijf je geluk maar tarten, dochter, kijk maar waar het je brengt.“ Dan is hij verdwenen, me achterlatend terwijl ik vloekend opsta, mezelf afklop en verderga met mijn dag.
***
Niet lang daarna zit ik onderuitgezakt op de donkere bank in het kantoor van Vilko, waar ik aanzoek na aanzoek lees, met een stapel afgewezen brieven aan de ene kant en een stapel nog te lezen brieven aan de andere kant.
Ik had waarschijnlijk mijn vieze moordenaarsuitrusting moeten omruilen voor de kleding van de prinses die wordt verondersteld een van deze aanzoeken te accepteren.
Maar ik was al te laat, en dit is veel comfortabeler dan een korset.
Ik verfrommel de brief in mijn handen en gooi hem achteloos op de groeiende stapel op de vloer.
Normaal gesproken zouden huwelijkskandidaten persoonlijk naar me toe komen.
Dan zou ik dagenlang in de troonzaal doorbrengen om huwelijksaanzoeken aan te horen, met de hofhouding van de koning aanwezig om elk van hen gade te slaan.
Maar Vilko en Vilhelm kennen me goed genoeg om toe te staan dat alles schriftelijk gebeurt.
Ik kan me de meeste dagen wel in de rol van een keurige prinses schikken, zoals van me wordt geëist. Echter wisten we allemaal dat als ik dagenlang naar mannelijk gezwets moest luisteren, ik waarschijnlijk het koninkrijk zou ontvluchten om nooit meer terug te keren.
Ik scheur een andere brief open en lees nauwelijks een zin voordat ik hem op de afgewezen stapel gooi.
„Azariah,“ berispt koning Vilko me. „Je moet ze wel echt lezen voordat je ze negeert.“
Ik pak de brief die ik net heb weggegooid en lees de eerste zin voor aan mijn oom.
„'Gegroet, prinses. Ik vind uw gebrek aan respect voor tradities nogal weerzinwekkend, en dat ik u een brief moet schrijven in plaats van u persoonlijk te spreken, voelt onpersoonlijk; is dit wat ik van u als echtgenote kan verwachten?'“
Vervolgens kijk ik naar mijn oom en zie dat zijn gezichtsuitdrukking net zo verstoord is als de mijne.
„Oké,“ geeft hij toe, „die mag je verbranden... maar geef hem eerst even hier, misschien moet ik die naam even aan je vader doorgeven.“
Hij steekt zijn hand uit en wacht op de brief.
Ik gooi hem terug op de stapel.
„Kom op, oom, we weten allebei dat mijn vader hier geen seconde van wakker zal liggen.“
„Heb je al huwelijkskandidaten gevonden die je interesse wekken?“ vraagt Vilko, terwijl hij opkijkt van de papieren op zijn bureau.
„Alleen als doelwitten,“ antwoord ik.
„Azariah,“ berispt Vilko me voor een tweede keer. „Of je het nu leuk vindt of niet, je zult moeten trouwen zodra je de troon bestijgt, al is het maar om erfgenamen voort te brengen.“
Ik trek mijn capuchon naar achteren, draai me om naar mijn oom, en trek een gezicht vol walging.
„Wil je soms dat ik mijn ontbijt eruit gooi?“
Hij werpt me een serieuze blik toe, zijn bruine ogen vonkend van ergernis.
„Het is je plicht, Zar, één die we allemaal moeten vervullen om de bloedlijn voort te zetten.“
Ik frons mijn wenkbrauwen, en een diepe rimpel verschijnt op mijn voorhoofd.
„Makkelijk praten voor jou, jij bent een man. Jouw aandeel in het voortzetten van de bloedlijn vereist niet dat je het kind moet dragen.“
Hij haalt zijn schouders op. „Het blijft een plicht die vervuld moet worden. Zelfs je vader bracht een nakomeling voort omwille van de bloedlijn.“
„Ja, ik heb me altijd afgevraagd door welk wonder dat is gebeurd. Vader lijkt me niet het type dat zich druk zou maken om nageslacht.“
Vilko werpt me een scherpe blik toe.
„We mogen van geluk spreken dat hij dat deed, anders was er geen troonopvolger.“
Ik geef mijn oom een neppe glimlach.
„Wat heb ik een geluk.“
Hij slaakt een diepe zucht en wrijft met een hand over zijn gezicht.
„Je hebt een gemaal nodig. Zoals ik je al eerder heb verteld, hoef je pas met hem te trouwen als je de troon bestijgt, maar je moet er wel één klaar hebben staan. Ik heb je de tijd gegeven om op je eigen manier iemand te vinden en verliefd te worden, maar we hebben de luxe van tijd niet meer. Je vader verliest zijn geduld.“
„Oh, echt waar? Dat was me niet opgevallen,“ mompel ik, terwijl ik mijn aandacht weer op de taak richt en een volgende brief open scheur.
„Stel nu dat mijn verloofde het slachtoffer wordt van een tragedie.“
„Nee, Azariah,“ grijpt Vilko in. „Je verloofde vermoorden zal je niet vrijpleiten van je plicht. En mocht je zoiets proberen, dan stuur ik Vilhelm om zijn veiligheid te waarborgen. Vertel me eens, lieve nicht, hoe denk je dat je vader op zo'n opdracht zou reageren?“
Er is geen leugen in de stem van mijn oom te bekennen—hij zou het echt doen, en dan zou niet alleen mijn verloofde nog in leven zijn, maar zou mijn vader me waarschijnlijk persoonlijk vermoorden.
„Het was maar een hypothese,“ mompel ik ontmoedigd.
„Uh-huh,“ neuriët mijn oom. „Zeker net zo hypothetisch als mijn eigen scenario. Schiet nu maar op en kies er één uit. Als ik je vader moet vertellen dat er weer een dag verspild is, zal hij niet blij zijn.“
„Ben jij niet de koning?“ zeg ik lijzig. „En zover het koninkrijk weet, ben jij mijn vader. Dus waarom moeten we hem hiervan op de hoogte houden?“
„Omdat hij je echte vader is, Azariah, en het dragen van de kroon niet betekent dat je aan niemand meer verantwoording hoeft af te leggen, iets wat je maar beter goed kunt onthouden.“
Ik rol simpelweg met mijn ogen en ga verder met het lezen van de brief die een beetje in mijn hand is verkreukeld.
Beste prinses Azariah,
Hoewel ik het schrijven van een aanzoekbrief een beetje onorthodox vind, begrijp ik ook dat de plichten van een prinses tijdrovend moeten zijn, en brieven besparen ons allemaal een beetje tijd.
En ik denk dat ik mezelf nog wat meer tijd bespaar door hier te stoppen.
Ik leg de brief op de afgewezen stapel.
„Sir Kleitos vertelde me dat je een paar dagen geleden in de Drakengrot was,“ zegt Vilko.
De papieren op zijn bureau moeten wel ontzettend saai zijn als hij dat ter discussie wil stellen.
„Het was een leugen,“ antwoord ik zonder hem ook maar een blik waardig te gunnen. „Ik had een smoes nodig voor mijn afwezigheid, een goede smoes aangezien hij naar me op zoek was. De Drakengrot werkte prima.“
Daarover gesproken, ik heb weer een nieuwe smoes nodig voor mijn afwezigheid vanochtend.
„Je zou moeten overwegen om het nog eens te proberen.“
Ik neem niet de moeite om te antwoorden en ga verder met de saaie taak.
„Azariah,“ zegt Vilko, dit keer met wat staal in zijn stem. „Je moet het nog eens proberen. Je zult je niet met een draak binden door je in de schaduwen te verstoppen.“
„Ik ga me niet met een draak binden, punt uit,“ snauw ik. „Ik ben er de vorige keer maar ternauwernood levend uitgekomen, en zoals jij en mijn vader me er vaak aan herinneren, is er niemand om de troon over te nemen als ik dood ben.“
„Je vader en ik hebben gepraat.“
„Goh, dat is inderdaad een schokkende onthulling, oom,“ snib ik sarcastisch.
Hij praat verder alsof ik niets heb gezegd. „Je zou eens moeten proberen om Eiko te benaderen.“
Mijn wenkbrauwen fronsen vol verwarring. „De draak van de voormalige koningin?“ vraag ik ter verduidelijking, terwijl ik me omdraai om naar Vilko te kijken. „Is Eiko niet onbenaderbaar geweest sinds de dood van de koningin?“
Vilko's ogen richten zich op een punt op de verre muur en er verschijnt een zachte glimlach op zijn lippen. „Koningin Inanna was een felle strijder voordat ze mijn aanzoek accepteerde, maar ze had altijd een zachte kant, en er werd gezegd dat haar draak hierin sterk op haar leek.“
„Heeft ze niet een half bos platgebrand toen Inanna stierf?“ zeg ik met een stalen gezicht, niet in staat om de witte draak te associëren met het woord zacht.
„Hoe dieper de band, hoe dieper de draak het verlies van zijn ruiter zal voelen,“ legt Vilko uit. „Eiko was niet de enige die de wereld die dag wilde zien branden.“ Zijn glimlach wordt zuur en verdriet vult zijn donkere ogen.
Koningin Inanna was Vilko's eerste en enige liefde.
Er wordt gezegd dat hij voor haar tijd veel meer op zijn broer Vilhelm leek. Hij had niet het verlangen om een koningin te nemen, vergelijkbaar met mijn eigen afkeer bij de gedachte om een gemaal te moeten nemen.
Maar, zoals hij het vertelt, veranderde zijn wereld voorgoed vanaf het moment dat hij haar voor het eerst op het slagveld zag.
Hij was zo in de ban van haar dat hij bijna werd gedood, en gered werd door de schoonheid die hem afleidde.
Blijkbaar kostte het nogal wat overtuigingskracht voordat ze ermee instemde haar leven als Drakenrijder achter zich te laten en de rol van koningin te accepteren.
Maar dat deed ze wel, voor hem.
Vilko vertelt me vaak dat mijn vader het hem nooit heeft vergeven dat hij één van zijn beste Drakenrijders wegnam.
Helaas stierf de koningin in het kraambed, waardoor Vilko achterbleef met maar één kind en een gat in zijn hart.
Ik wend mijn blik af van mijn oom, de pijn in zijn ogen is overweldigend.
„Als dat het geval is, dan denk ik niet dat Eiko al op zoek is naar een nieuwe ruiter.“
„Probeer het,“ smeekt hij. „Je bent een net zo felle strijder als Inanna was, en het is ook voor jou voorbestemd om koningin te worden.“
„Ik ben een moordenaar,“ corrigeer ik. „Ik vecht niet op het slagveld, ik sluip in de schaduwen. Bovendien bond Inanna zich aan Eiko voordat ze koningin was, en ik betwijfel ten zeerste of draken in de toekomst kunnen kijken.“
„Probeer het,“ herhaalt hij.
„En wat gebeurt er als het niet lukt?“ eis ik, terwijl ik me omdraai om hem woedend aan te kijken. „Wat gebeurt er als een andere draak me afwijst, oom? Wat gebeurt er als Eiko me probeert te vermoorden? Je vertelt me altijd dat ik voorzichtiger moet zijn, en toch wil je dat ik opnieuw mijn leven riskeer in de Drakengrot.“
„Denk je echt dat ik je zou vragen daarheen te gaan als ik dacht dat je leven in gevaar was?“ vraagt hij.
Ik klem mijn kaken op elkaar, de frustratie brandt in mij.
Ik wil niet toegeven dat het niet mijn leven is waar ik me zorgen over maak. Ik wil niet toegeven dat ik eigenlijk bang ben om weer afgewezen te worden, dat een andere draak me zal vertellen dat ik niet goed genoeg ben.
Ik denk dat de draken het net zo goed weten als ik. Ik ben de troon niet waardig. Ik ben niet geschikt om koningin te zijn.
„Goed dan,“ geef ik toe. „Nog één laatste poging, ik zal Eiko benaderen.“
Vilko straalt. „Uitstekend. We gaan vanavond, in het donker.“
Ik grijp weer een nieuwe brief en zwaai ermee in de lucht terwijl ik zeg: „Dan kan ik deze maar beter afhandelen, want het lijkt erop dat we een vreugdevuur gaan houden.“















































