
Voor Alice
Auteur
Lezers
1,2M
Hoofdstukken
29
Hoofdstuk 1
Voor Alice
Katie Harris had een lange reis af te leggen, helemaal van Los Angeles naar Fielding, Texas. Ze had daar een baan aangeboden gekregen als privéverpleegkundige en kindermeisje voor een terminaal ziek kind. Het was een tienjarig meisje dat leed aan een zeldzame bloed- en hartziekte.
Katie was opgegroeid zonder naaste vrienden of familie. Ze had in pleeggezinnen gewoond totdat ze oud genoeg was om te werken. Daarna had ze haar eigen verpleegstersopleiding betaald. Het vertrek uit Los Angeles voelde dan ook niet als een groot verlies.
Tijdens het rijden verwonderde Katie zich over de schoonheid van het landschap. Ze zag machtige bergen en kronkelende rivieren. De lucht erboven was zo blauw dat het bijna onwerkelijk leek. Al snel zag ze een bord met de tekst Welcome To Fielding Texas.
Ze slaakte een zucht van verlichting toen ze besefte dat ze eindelijk haar bestemming had bereikt. Het dorp was veel kleiner dan ze had verwacht. Omdat ze erge dorst had, besloot Katie te stoppen bij een klein winkeltje dat haar aandacht trok.
De deur kraakte open. Er rinkelde een belletje toen ze binnenkwam. Achter de toonbank stond een jong meisje van niet ouder dan zestien. Ze droeg haar bruine haar in een paardenstaart. Twee mannen, allebei in spijkerbroek en met een cowboyhoed op, stonden aan de andere kant van de toonbank.
De oudere man, die een jaar of vijftig leek, had een opvallende ronde buik. Hij gaf Katie een vriendelijke glimlach, en zij glimlachte terug. De andere man was een stuk jonger, lang en gespierd. Hij had pikzwart haar en een door de zon gebrande huid. Hij was gevaarlijk knap. Toen hij naar haar glimlachte, voelde Katie haar hart sneller kloppen.
Het gepraat in de winkel was gestopt toen ze binnenkwam. Ze voelde hun ogen in haar rug branden terwijl ze naar de koeling liep.
De flesjes water stonden op de bovenste plank, net buiten haar bereik. Zelfs op haar tenen kon ze er niet helemaal bij. Ze slaakte een zachte kreun van frustratie.
Ray, de jonge man bij de toonbank, had haar aandachtig bekeken. Hij was geboeid door haar tengere lichaamsbouw, lange blonde haar en aantrekkelijke figuur. Hij liep naar de koeling, reikte over haar hoofd heen en pakte een flesje water. „Alsjeblieft, juffrouw. Ze zouden deze echt op een lagere plank moeten zetten, zodat kleine vrouwtjes zoals jij erbij kunnen,“ zei hij op een licht neerbuigende toon.
Omdat ze zo dicht bij hem stond, kon ze zijn aftershave ruiken. Het mengde zich met de geur van zweet. Het was een uitgesproken mannelijke geur die een rilling over haar rug liet lopen. Maar ze was ook oververhit en uitgeput. Ze veegde het zweet van haar voorhoofd met de rug van haar hand. Ze had geen zin in zijn denigrerende opmerkingen over haar lengte. „Ik ben geen klein vrouwtje, klootzak,“ beet ze hem toe.
Met het flesje water in haar hand liep ze naar de kassa om te betalen. Haar keel was kurkdroog en ze verlangde naar wat te drinken. Ze ergerde zich een beetje toen hij haar naar de toonbank volgde. Ze besloot hem te negeren en pakte haar portemonnee.
Net toen ze het geld aan de verkoopster wilde geven, kwam de jonge man tussenbeide. „Lucy, zet het water van de dame maar op mijn rekening.“
Ze draaide zich naar hem toe en reageerde scherp. „Ik ken je niet. En zelfs als ik je wel kende, kan ik mijn eigen water betalen. Ik heb jouw hulp absoluut niet nodig.“
De oudere man begon hard te lachen en sloeg de jongere man op de rug. Daarna wendde hij zich tot Katie en zei: „Zeg het hem maar, klein vrouwtje. Mijn naam is Bo, en dit hier zijn Ray en Lucy. Ben je hier alleen op doorreis, juffrouw?“
Katie merkte dat ze Bo meteen aardig vond. Hij had zo'n vriendelijk gezicht. Ze vond het dan ook niet erg dat hij haar 'klein vrouwtje' noemde. „Nee, meneer…“ Ze viel stil, want ze wist niet hoe ze hem moest noemen.
Bo stak zijn hand uit om zich voor te stellen. „Reilly, juffrouw. Bo Reilly. Noem me maar gewoon Bo. En wie ben jij?“
„Ik ben Katie Harris. Ik kom hier werken voor de familie Marshall. Ik ga voor hun kleine meisje zorgen. Kunt u me de juiste richting wijzen?“
Bo's gezicht klaarde op en hij keek naar Ray. „Nou, Katie, ik kan nog iets beters voor je doen.“
Ray had op een afstandje hun gesprek aangehoord. Hij was nog steeds gepikeerd door haar eerdere afwijzing. Zijn ego was gekrenkt en hij onderbrak Bo voordat die nog iets kon zeggen. „Ga linksaf bij het stopbord, rijd ongeveer twee mijl en sla nog een keer linksaf. Je kunt het niet missen, zolang je tenminste oplet waar je heen gaat,“ zei hij vol sarcasme.
Ze rolde met haar ogen en bedankte hem. Daarna draaide ze zich weer naar Bo. „Het was leuk u te ontmoeten,“ zei ze met een warme glimlach.
„Oh, het was mij een genoegen, juffrouw Harris. We zien elkaar nog wel.“
Zodra Katie de winkel had verlaten, draaide Bo zich naar Ray. „Waarom liet je me niet vertellen wie je was?“
Ray grijnsde geamuseerd, met een tandenstoker losjes in zijn mond. „Haar houding stond me niet aan. Dat stadsmeisje is absoluut niet geschikt voor de baan. Ik stuur haar snel genoeg weer weg.“ Er verscheen een grote lach op zijn stoere gezicht. „Maar eerst denk ik dat ik een beetje plezier ga beleven aan juffrouw Harris.“
„Wat ben je van plan met dat kleine vrouwtje?“ vroeg Bo. Hij bekeek Ray's grijns met belangstelling.
„Ik ga haar alleen maar laten zien hoe zwaar het leven op een ranch kan zijn. Tot later, Bo.“ Met een zwaai liep Ray de winkel uit. Hij was al bezig met het bedenken van zijn volgende zet.
Bo draaide zich om naar Lucy. „Weet je wat, Lucy? Mijn gevoel zegt me dat juffrouw Harris degene is die hém het een en ander gaat leren.“
Bo verliet de winkel en grinnikte in zichzelf. Hij kon niet wachten om thuis aan zijn vrouw te vertellen over de pittige Katie Harris.
Terwijl ze over de hobbelige zandweg reed, merkte Katie dat ze nog steeds aan Ray dacht. Ze was nog altijd woedend over zijn opmerking over haar lengte. Hij had haar het gevoel gegeven dat ze een kind was. Ze wilde die zelfvoldane grijns het liefst van zijn gezicht vegen. Maar toen begon haar auto een raar geluid te maken. Ze stuurde de auto naar de kant van de weg. Precies op dat moment sloeg de motor sputterend af.
Ze sloeg met haar vuisten op het stuur en vloekte binnensmonds. „Nee, nee, jij stomme verdomde auto, waag het niet om er nu mee op te houden. Oh God, toch niet hier van alle plekken, in the middle of nowhere.“
Na een paar mislukte pogingen om de auto te starten, gaf ze het op. Ze wist dat ze de rest van de weg zou moeten lopen. Ze stapte uit en pakte de twee tassen die ze het hardst nodig had. De rest kon wachten totdat ze die later kon ophalen.
Precies op dat moment raasde er een vieze witte pick-uptruck voorbij. De wagen minderde vaart en reed achteruit. De bestuurder stak zijn hoofd uit het raam. Ze kreunde toen ze de irritante cowboy uit de winkel herkende.
„Autoproblemen, mevrouw?“ vroeg hij bot.
„Jij alweer,“ mompelde ze, terwijl ze haar hoofd schudde. „Wauw, jou ontgaat ook helemaal niets, hè?“
Zijn handen klemden zich strakker om het stuur en hij knarste met zijn tanden. Ondanks zijn stijgende woede stapte hij uit zijn truck. Hij liep naar haar auto en gooide de motorkap open. Hij schreeuwde dat ze moest instappen en de auto moest starten. „Nou, draai die sleutel dan om,“ snauwde hij haar toe.
„Dat doe ik, maar er gebeurt niets,“ riep ze terug.
„Weet je zeker dat je het goed doet?“ schreeuwde hij terug. Tegelijkertijd veegde hij het zweet van zijn voorhoofd.
Zijn opmerking maakte haar woedend. Hij behandelde haar alsof ze dom was. Zijn hoofd stak nog steeds onder de motorkap. Ze drukte stevig op de claxon, die nog steeds werkte. Door het plotselinge, harde geluid schrok hij op en stootte hij zijn hoofd.
„Waar de hel ben je mee bezig?“ vloekte Ray tegen haar. Hij wreef pijnlijk over zijn hoofd.
Er verscheen een glimlach op haar gezicht toen hij vloekte. Hij gooide de motorkap hard dicht. „Sorry, mijn hand gleed uit.“
Ray deed zijn hoed af en wreef over zijn hoofd. Toen hij de grijns op haar gezicht zag, wist hij dat ze loog. „Nou, je auto is kapot. Ik gok dat je een nieuwe motor nodig hebt.“
Katie stapte uit de auto en gooide de deur hard achter zich dicht. „Oh, dat is gewoon geweldig. En waar vind ik er hier zo een?“
„We zijn misschien maar een klein boerendorpje voor jou, mevrouw. Maar we hebben hier wel een garage in het dorp. Ze accepteren alleen wel contant geld, geen kippen of baksels,“ voegde hij er sarcastisch aan toe.
Ze zette haar handen in haar zij en keek hem boos aan. „Ben je altijd zo onbeleefd tegen vreemden?“
Hij bromde binnensmonds. Hij vond juist dat zíj onbeleefd deed. Hij sprong in zijn truck, klaar om weg te rijden, maar keek toen nog even naar Katie. Hij zou haar waarschijnlijk langs de weg hebben laten staan als zijn ouders hem niet beter hadden opgevoed. Wraak is een bitch, dacht hij bij zichzelf.
„Wil je een lift naar de ranch?“ riep hij uit het raam.
Ze sloeg haar armen over elkaar en antwoordde: „Ik wil niet dat je voor mij moet omrijden.“
„Dat hoeft niet. Ik heb toch hout om daar af te leveren. Ik ben de achterveranda aan het repareren.“
„In dat geval, ja, bedankt,“ zei ze. Ze liep naar de kofferbak en haalde de andere drie tassen eruit.
Ray bleef rustig op zijn stoel zitten. Hij maakte geen aanstalten om Katie te helpen met de bagage. Hij keek toe hoe ze worstelde met de tassen, in een poging ze achterin te proppen.
Zodra ze erin geslaagd was om in te stappen, wierp ze hem een vernietigende blik toe. „Wauw, je hulp was echt van onschatbare waarde,“ beet ze hem toe. Haar stem was doordrenkt van sarcasme.
Er ontsnapte een zachte lach aan Ray's lippen. „Zei je niet dat je mijn hulp niet nodig had en er ook niet op zat te wachten?“
Met een zucht gooide ze de autodeur dicht en deed ze haar gordel om. Ze leunde achterover in haar stoel, met haar armen stevig over elkaar geslagen. Ze richtte haar blik naar buiten. Ze keek liever naar het voorbijglijdende landschap dan met hem in gesprek te gaan. Godzijdank is dit maar een korte rit naar de ranch, dacht ze. Ze was opgelucht bij het vooruitzicht dat ze zijn aanwezigheid niet lang meer hoefde te verdragen.











































