
Zijn Kerstengel
Auteur
Lezers
535K
Hoofdstukken
22
Hoofdstuk 1
NASH
Het was donker toen Nash de bar verliet, en de regen sloeg hard tegen de zijkant van zijn gezicht terwijl hij tegen de storm vocht om zijn truck te bereiken.
Ik had niet moeten blijven voor dat tweede biertje, dacht hij, terwijl hij de motor startte en met samengeknepen ogen door de voorruit keek in een poging de weg te zien. Het asfalt was al glad na al die sneeuwval.
Na voorzichtig langs de paar geparkeerde auto's te zijn gereden, draaide hij de weg op die terug naar zijn boerderij leidde.
Hij was blij dat hij zijn vee had kunnen verkopen voordat het slechte weer begon. Nu hoefde hij zich alleen nog maar zorgen te maken om de paarden en zou hij wat tijd hebben om het huis op te knappen.
Vanuit het niets maakte de motor veel toeren en keek Nash plotseling recht naar het kleine bos aan de kant van de weg.
Met zijn hart in zijn keel pakte hij het stuur met beide handen vast en zette de truck weer recht op de weg.
„Verdomde ijzel.“ Hij deed zijn raam open. De koude lucht trok snel in zijn botten, maar hij wist dat het hem scherp zou houden. „Nog maar een mijl te gaan, Nash. Blijf wakker. Wat de—?“
Toen het bos ophield en hij dichter bij het meer kwam, zag hij twee lichtstralen omhoog de lucht in wijzen.
Hij hield zich in om niet harder te gaan rijden op de donkere, gevaarlijke weg, maar toen hij dichterbij kwam, zag hij een kleine auto in de greppel liggen, met de kofferbak over de modderige rand omlaag wijzend naar het bevroren water.
De truck gleed tot stilstand en Nash sprong eruit, waarbij hij de kracht in zijn schouders gebruikte om te voorkomen dat de wind de deur tegen hem aan sloeg.
Terwijl hij zijn ogen beschermde tegen de harde regen en door de spleten tussen zijn vingers keek, liep Nash naar de deur van de bestuurder.
Is daar iemand binnen?
Hij kon het gezicht van de persoon niet zien, maar op het stuur rustte een rommelige bos blond haar.
Het is een vrouw.
„Hallo? Mevrouw?“ Nash reikte naar de deurhendel, maar voordat hij hem kon vastpakken, gleed de auto een stukje van de oever naar beneden. „Mevrouw, kunt u mij horen? U moet nu meteen uit de auto komen.“
De auto gleed opnieuw, en een van de achterwielen raakte het ijs van het meer. Er verscheen een spinnenweb van scheuren op het glinsterende oppervlak, voordat het brak.
Nash deed een stap de helling af, vertrouwend en hopend dat de grip van zijn zware laarzen hem zou behoeden voor een val in de modder en het ijskoude water.
Hij trok de deur open, positioneerde zijn lichaam eronder om te voorkomen dat deze weer dicht zou vallen, en reikte toen naar binnen om de vrouw naar achteren te trekken, weg van het stuur. Haar ogen waren gesloten.
Nash wist dondersgoed dat hij een gewonde na een ongeluk beter niet kon verplaatsen, maar op dat moment had hij geen keuze; hij moest haar er meteen uithalen.
De auto gleed nog iets verder, waardoor hij door de modder dichter naar het ijskoude meer werd geduwd.
Hij boog zich over haar heen en klikte haar veiligheidsgordel los.
Nadat hij de ene arm achter haar schouders en de andere onder haar benen had gestoken, trok hij haar uit de auto, net op het moment dat deze weer weggleed.
Zelfs met de regen en wind die tegen zijn verdoofde oren sloegen, hoorde Nash het ijs breken onder het gewicht van de auto.
Voordat hij op adem kon komen, verdween de auto onder het zwarte water.
Hij pakte haar wat steviger vast en zorgde ervoor dat de vrouw in zijn armen niet kon vallen, klom toen stap voor voorzichtige stap de modderige helling op, en bracht haar naar de passagierskant van zijn truck.
Nadat hij terug in de bestuurdersstoel was geklommen, haalde hij diep adem om zijn zenuwen te kalmeren, gevolgd door een paar korte ademhalingen om zijn handen op te warmen, en zette hij de verwarming hoog.
Zonder de dreiging het meer in te worden gesleurd, en zonder de hagel en sneeuw die in zijn gezicht sloegen, bekeek Nash de vrouw voor de eerste keer eens goed.
Zijn adem stokte toen hij haar zag.
Ze heeft het gezicht van een engel.
Ze droeg kniehoge leren laarzen met hakken, dus hij bedacht dat ze waarschijnlijk niet uit de buurt kwam en zeker niet van plan was geweest om in dit slechte weer verzeild te raken.
Ook haar jas was lang, maar het was duidelijk geen winterjas.
„Mevrouw, kunt u mij horen?“ Nash probeerde zo zacht mogelijk te praten om haar niet te laten schrikken.
Geen antwoord.
„Ik heb geen idee of u gewond bent, maar in deze storm komen we onmogelijk bij een dokter. Ik breng u naar mijn huis, het is heel dichtbij.“
Hij reed de weg weer op. Hij keek even naar de vrouw en zag net hoe haar ogen even opengingen en weer sloten.
Ze leeft in elk geval.
„Het komt goed met u, mevrouw,“ zei hij, meer tegen zichzelf dan tegen haar, en toen hij een paar minuten later zijn ranch opreed, sloeg hij een kruisje op zijn borst en dankte hij God.
Nash parkeerde zo dicht mogelijk bij het huis, liep toen naar de andere kant van de truck, tilde haar in zijn armen en droeg haar naar de voordeur, terwijl hij zijn elleboog en voet gebruikte om binnen te komen.
De blaffende bordercollie sprong op om zijn baasje te begroeten, gretig om aan de vrouw te snuffelen.
„Af, jongen.“ Nash legde de vrouw op de bank en trok haar jas en laarzen uit.
Ze droeg een mouwloze jurk en haar huid voelde koud aan; ze mompelde iets wat Nash niet kon verstaan, maar hij zag dat haar lippen blauw waren.
„Laten we haar opwarmen,“ zei Nash tegen de hond, terwijl hij de vrouw weer oppakte om haar naar een logeerkamer te dragen.
Hij legde haar op het bed, deed zijn best om niet te kijken terwijl hij haar uitkleedde, trok haar een van zijn overhemden aan, en dekte haar vervolgens toe met meerdere dekens.
„Blijf hier en let op haar, Moe.“ Hij aaide de hond over zijn kop. „Ik ga de dokter bellen om te vragen wat ik moet doen. Braaf zo.“
Voordat hij zich omdraaide om weg te gaan, bekeek hij het gezicht van de vrouw en voelde een vreemde steek in zijn hart.
„Ik kan niet zeggen of ik je eerder heb gezien of dat ik iemand zoals jij gewoon heb bedacht, maar je bent een prachtige vrouw.
„Ik ga de dokter bellen en daarna kom ik meteen terug om in deze stoel naast het bed te zitten; mocht je iets nodig hebben, dan ben ik vlakbij.“
ONBEKEND
Ze werd wakker met een bonzende hoofdpijn en deed haar ogen open, in een poging scherp te stellen op haar omgeving.
De kamer was klein, de gordijnen stonden wijd open, en buiten het raam zag ze een deken van sneeuw liggen die wel kilometers ver leek door te lopen.
„Waar ben…? Wat de…? Ah!“
Ze voelde iets zachts en nats tegen de rug van haar hand, maar voordat ze het kon verwerken, drukte een grote zwart-witte hond zijn neus tegen haar aan, zeer enthousiast kwispelend met zijn staart.
Haar hand schoot terug en ze trok de dekens op tot aan haar borst. „Ga weg!“
„Het is goed, hij is vriendelijk.“
Haar ogen schoten naar de stem, die vanaf de andere kant van de kamer kwam.
Daar, bij de deur, stond een man die ze niet herkende; hij was lang, had donker haar en was op een stoere manier knap, terwijl de mouwen van zijn overhemd strak over zijn spieren spanden.
Angst vulde haar keel terwijl ze achteruit van hem weg probeerde te schuiven en zichzelf tegen het hoofdbord achter haar drukte. „Wie ben jij? Waar ben ik, en wat doe ik hier?“
„Mijn naam is Nash Harris, en dit is mijn hond, Moe. Weet je niet meer wat er met je is gebeurd?“
„Nee,“ antwoordde ze. Ze trok de deken nog verder op, helemaal tot aan haar kin.
„Je hebt een ongeluk gehad. Ik heb je uit je auto gehaald voordat deze in het meer belandde; ik wilde je naar het ziekenhuis brengen, maar de storm was te zwaar, dus heb ik je hierheen gebracht.
„Wat is je naam en waarom was je in vredesnaam buiten tijdens een sneeuwstorm?“
„Mijn naam is, eh, i-ik weet het niet.“ Ze keek hem aan in de hoop op een vonk van herkenning of inspiratie, maar haar hoofd was leeg. „Waarom kan ik het me niet herinneren? Waar ben ik?“
„Je bent in Montana, op mijn boerderij; je hebt je hoofd flink gestoten, afgaande op die bult op je voorhoofd. Ik ga de dokter bellen om te vragen wat we moeten doen.“
„Dank je,“ zei ze, terwijl ze naar de hond keek.
„Ik wed dat je honger hebt.“
Precies op dat moment knorde haar maag. „Ja, eigenlijk rammel ik van de honger.“
„Ik ga iets te eten voor je maken. Als je in bad wilt, de badkamer is verderop in de gang; er liggen schone handdoeken en een nieuwe, dichte tandenborstel in de la.“
Hij keek naar beneden naar Moe. „Kom mee, jongen. Het is tijd voor jou om naar buiten te gaan en je behoefte te doen.“
„Wacht, waar zijn mijn kleren?“
„Ik heb ze moeten wassen. Ze zitten nu in de droger.“
„Van wie is dit overhemd dat ik aanheb?“
„Het is van mij.“
Ze kneep nog strakker in de deken. „Wie heeft het me aangetrokken?“
„Dat heb ik gedaan.“
Haar wangen werden rood. „Je hebt me naakt gezien?“
„Je kleren waren nat, en er is hier verder niemand, dus ik moest wel; ik beloof je dat ik me als een perfecte heer heb gedragen en mijn best heb gedaan om niet te kijken.“
Ondanks dat ze zich geschonden voelde, dwong ze zichzelf Nash aan te kijken. Zijn ogen waren warm en vertrouwd, en iets vertelde haar dat ze hem kon vertrouwen. „Oké.“
***
Na een warm bad was de pijn minder geworden en voelde ze zich weer iets meer mens.
Toch had ze, zonder haar kleren, geen andere keuze dan het overhemd van de vreemdeling weer aan te trekken, voordat ze de geur van eten naar beneden volgde.
Hij draaide zijn hoofd om toen ze de kamer binnenkwam. „Ik kon je maag helemaal tot hier horen knorren.“
Ze glimlachte niet; het kostte haar al haar energie om niet bang weg te rennen. Hoe vreemd deze Nash ook leek, al haar focus lag op haarzelf: ze kon zich niet herinneren wie ze was of waar ze waren.
„Ga alsjeblieft zitten, het ontbijt is klaar; ik wist niet zeker wat je lekker vond, dus heb ik maar pannenkoeken, spek, roerei en toast gemaakt.“
Het water liep haar in de mond zodra hij het eten op tafel zette.
„Het ruikt lekker,“ zei ze. Ze schepte haar bord vol.
„Wil je wat koffie?“
„Graag.“ Ze lachte zachtjes.
„Wat is er grappig?“
„Niets... Ik kan mijn naam niet herinneren, maar blijkbaar weet ik wel dat ik koffie lekker vind.“
Toen hij een mok voor haar in schonk, nam ze een slok. Haar gezicht vertrok.
Nash lachte. „Het lijkt erop dat je het liever met melk en suiker drinkt.“ Hij schoof beide naar haar toe.
Zijn glimlach verdween. „Ik weet dat je nu vast bang bent—niet wetende wat er aan de hand is en hier bij mij te zijn—maar ik beloof je dat je veilig bent.“
Ze vouwde haar handen om de mok en wreef met haar duimen over het porselein. „Dank je. Ik geef toe dat het eng is om niet te weten wie ik ben. Wat als mijn geheugen nooit meer terugkomt?“
„Dat komt vast wel weer terug. In de tussentijd kijkt de sheriff naar vermiste personen om te zien of iemand naar je op zoek is; hopelijk vindt hij iets, maar tot die tijd zul je denk ik hier moeten blijven.“
Ze keek hem aan over de rand van haar mok. „Dank je. En bedankt voor het redden van mijn leven; ik zal proberen je niet tot last te zijn. Misschien kan ik voor je koken en schoonmaken om je te betalen voor je gastvrijheid?“
„Dat is nergens voor nodig, en ik vind dat je moet rusten, niet schoonmaken. Herinner je je echt helemaal niets?“
„Nee, mijn hoofd is helemaal leeg.“
„En je hebt geen identiteitsbewijs bij je?“
Ze schudde haar hoofd. „Als ik dat had, lag het waarschijnlijk in de auto, die zoals jij zei op de bodem van een meer ligt, toch? Ik neem niet aan dat je het kenteken hebt gezien voordat je me eruit haalde?“
„Helaas niet.“
Ze legde haar vork neer op het lege bord. „Woon je hier alleen, of ben je getrouwd?“
„Nee, dat ben ik niet; het zijn alleen Moe en ik.“
Toen hij zijn naam hoorde, spitste Moe zijn oren.
„Het is een mooie hond. Welk ras is hij?“
„Een bordercollie. Ik vond hem een paar jaar geleden; hij was achtergelaten en gewond in het bos, dus nam ik hem mee naar huis. Sindsdien is hij mijn trouwe metgezel.“
„Heel slim. Heel trouw. Soms té trouw. Eigenlijk ben jij de eerste persoon aan wie hij niet hoefde te wennen; normaal gesproken besteedt hij aan niemand anders dan aan mij aandacht.“
„Red jij wel vaker dieren en vrouwen in nood?“
„Alleen als het nodig is.“
Ze zette de mok neer en trok de rand van het overhemd wat verder naar beneden. „Ik moet me gaan aankleden.“
„Natuurlijk, ik zal je kleren pakken. Ze zouden inmiddels wel droog moeten zijn.“ Nash liep naar een kamer naast de keuken.
Toen hij niet meteen terugkwam, liep ze achter hem aan naar de wasruimte. De droger stond al open en was leeg. Nash was net bezig om haar beha en slipje van de waslijn te halen.
Hij had ze nog in zijn handen toen hij zag dat ze naar hem keek, en zijn gezicht werd helemaal rood. „Ik wist, eh, niet zo goed hoe ik vrouwenonder...goed moest wassen. Ik hoop dat ik ze niet heb verpest.“
Terwijl ze haar beha en slipje uit zijn handen pakte, glimlachte ze. „Ik weet zeker dat ze in orde zijn; ik ga me even aankleden en daarna doe ik de afwas.“
Hij schraapte zijn keel. „Oké. Ik moet nog wat dingen doen; ik moet de paarden voeren. Ik ben buiten in de schuur als je iets nodig hebt en blijf niet lang weg.“ Hij zwaaide naar Moe. „Kom mee, jongen.“
Ze vond het schattig hoe rood zijn gezicht was geworden.
De hond bekeek haar en kwispelde nog wat met zijn staart, voordat hij besloot om met Nash mee te gaan.
Ze pakte haar mok, dronk de laatste koffie op en zette hem in de gootsteen, waar ze in de kraan haar eigen weerspiegeling opmerkte; ze kon niet ontgaan dat haar eigen wangen er ook wat verhit uitzagen.
Zelfs haar opvallende groene ogen kwamen haar niet bekend voor.
„Wie ben je, vreemdeling? En wat doe je hier?“









































