
De Diablonserie Spin-off: Hybride
Auteur
G. M. Marks
Lezers
161K
Hoofdstukken
36
De Aanval
„Sluit de ramen, snel!“
Carolyn rende door hun kleine huis. Ze gooide de luiken dicht en trok de gordijnen dicht.
„Doe de deuren dubbel op slot! Doe de lichten uit.“
Samen schoven Carolyn en haar zus het zware slot van de voordeur op zijn plaats. Hun moeder zat op de bank. Ze leek heel klein terwijl ze in elkaar dook onder haar deken.
„Maak het vuur uit,“ zei ze.
Carolyn zuchtte. Het was ijskoud. „Kunnen we niet...?“
„Nee. Er mag geen teken van leven zijn. Anders lokken we de monsters aan.“
„Er is al meer dan een jaar niemand verdwenen, mama. Wat hier ook was, het is weg. Of misschien wel dood,“ zei Carolyn, terwijl ze de vlammen doofde. Het werd donker, op één flakkerende kaars na. Het maanlicht kleurde de gordijnen wit.
„Dat kun je niet zeker weten,“ zei hun moeder wijselijk. „We moeten voorzichtig zijn.“
„Het heeft geen zin om voorzichtig te zijn als we doodvriezen,“ mopperde Carolyn.
Carolyns adem kwam als een wit wolkje naar buiten. De ogen van Belinda glinsterden in het kaarslicht. De donkere gedaante van hun moeder kwam overeind van de bank. De vloerplanken kraakten onder haar voeten.
De twee zussen volgden haar naar de slaapkamer. Samen sliepen ze, dicht tegen elkaar aan. Zo bleven ze warm en veilig. Ze hoorden elkaars ademhaling. Elke nacht ging het zo. Al drie jaar lang, elke nacht.
Sinds de verdwijningen. Sinds de stapel menselijke botten die diep in de bossen was gevonden. Sinds de geruchten over een monster dat een mens in stukken kon scheuren.
Carolyn rilde. Maar het was inmiddels drie jaar geleden. Drie jaar en ze had het ijskoud!
Carolyn draaide zich met een zucht op haar rug en staarde naar het plafond. Belinda lag rillend tegen haar aan. Haar moeder had zich opgerold als een balletje.
Carolyn kon niet in slaap komen. Het was een heel erg koude nacht. De koudste nacht die ze in jaren had meegemaakt.
Ze rolde zich om en keek naar de opening van de deur. Die leidde naar de woonkamer en de open haard. Een paar hartslagen later ging ze rechtop zitten.
Belinda bewoog. „Waar ga je heen?“
Carolyn schudde alleen maar haar hoofd. Ze klom van het matras en liep onhandig in het donker. De kaars was uit, maar er scheen net genoeg maanlicht door de gordijnen om iets te kunnen zien.
De vloerplanken kraakten. Ze stopte om over haar schouder te kijken, maar haar moeder werd niet wakker.
„Carolyn!“ siste Belinda.
Carolyn negeerde haar. Ze pakte haar vuurdoosje en knielde voor de warme kolen. Binnen een paar minuten had ze weer een klein vuurtje gemaakt.
Carolyn kreunde zachtjes toen de warmte tegen haar lichaam straalde. Ze keek geschrokken op toen ze iets hoorde kraken. Maar het was alleen Belinda. De ogen van haar zus waren groot, maar ze kwam naast Carolyn zitten. Ook zij stak haar handen uit naar het vuur. Haar vingertoppen waren wit van de kou.
„O, God,“ kreunde ze. „Wat kan er in vredesnaam zo fijn voelen?“
Het licht van het vuur danste door de kamer. Het flakkerde tegen de ramen. Het scheen op de blonde plukken in de vlechten van haar zus. Ze draaiden zich allebei om toen ze de schapen in de schuur hoorden blaten.
Carolyn draaide zich met een frons weer naar het vuur. Ze kreeg kippenvel in haar nek. Het was moeilijk om de enge verhalen te vergeten op een koude, nare nacht.
Ze dacht met een rilling aan die stapel botten. Ze had er nachtmerries over gehad, net als de rest. Over grote schaduwen die op de loer lagen. Over uitgestrekte klauwen en tanden zo groot als vingers. Grommen. Snauwen. Brullen.
Ze had het nog nooit gehoord. Ze had het nog nooit gezien. Haar fantasie was al erg genoeg. Ze draaiden zich allebei weer om toen er nog meer schapen blaatten. Daarna volgden er doffe klappen. Het klonk alsof de schapen tegen de deur beukten. Alsof ze probeerden te ontsnappen.
„Ze zijn ergens bang voor,“ piepte Belinda.
Carolyns nek deed pijn omdat ze steeds over haar schouder bleef staren. Ze luisterde, maar zag niets in de duisternis. Haar lange, donkere pony kriebelde aan haar neus.
Belinda dook met een kreetje in elkaar toen er een schaduw voor het maanlicht langs trok. Iets groots. Iets snels.
Carolyn werd ijskoud van angst.
„Maak het vuur uit,“ siste Belinda.
Carolyn gooide de emmer met aarde eroverheen. Het werd aardedonker. Zelfs het maanlicht leek zwak. Belinda klemde zich aan Carolyn vast. Ze staarden allebei naar het raam, wachtend en hopend.
De schaduw kwam weer voorbij. Deze keer sprong Belinda op en krabbelde snel terug naar de kamer van hun moeder. Carolyn hoorde de verbaasde gil van haar moeder.
Ze draaide zich plotseling om bij een geluid bij de achterdeur. Iets zorgde ervoor dat de deur in zijn kozijn trilde. Carolyn kon zich niet bewegen. Ze kon niet praten. Het suizen in haar oren was harder dan het geschreeuw van haar moeder en zus.
Vaag zag ze hen. Hun handen raakten haar aan. Ze schreeuwden in haar oor. Een kleine, koude hand pakte haar hand vast en sleepte haar naar de voordeur, net toen de achterdeur openvloog.
Het was meer dan openvliegen. De deur brak los van de scharnieren en sloeg hard tegen de muur aan de overkant. Ze hoorde het amper, want het bloed bonsde luid in haar oren.
Een enorme, donkere gedaante boog zich om door de deuropening te passen. Het vulde de hele opening. Het was groter dan de grootste man die ze ooit had gezien.
Haar hart maakte een sprong en haar buik trok samen. Ze werd wankelend door de voordeur naar buiten gesleurd. De koude lucht raakte haar gezicht als een harde klap.
„Carol! Ren!“ schreeuwde Belinda.
Hun moeder rende vlak naast hen terwijl ze naar de weg vluchtten. Maar hun moeder was langzaam en klein en hield de twee zussen tegen.
Carolyn pakte haar arm vast. Ze hield haar recht voordat ze kon vallen, zodat ze in hetzelfde tempo bleven rennen. De adem piepte in de borstkas van haar moeder.
Het bevroren gras van hun kleine veld kraakte onder hun pantoffels. Het was zo ijzig dat ze de kou tot diep in haar enkels voelde.
Haar kleine zusje rende vooruit en raakte steeds verder weg. Carolyn keek over haar schouder, maar zag niets dat achter hen aan zat.
Toen hoorde ze het. Een dierlijke brul waardoor de haren op haar armen rechtop gingen staan. Ze hoorde haar moeder huilen terwijl ze probeerde bij te blijven.
„Laat me achter,“ hapte ze naar adem. „Laat me maar over aan het monster.“
„Nee! Dit is mijn schuld.“
Haar moeder wankelde. Carolyn probeerde haar vast te pakken, maar ze viel op haar knieën.
„Mama!“
Ze wilde niet opstaan, kón niet opstaan. Ze snikte zachtjes. Haar huid was wit in het maanlicht. Ze rilde heel erg.
Carolyn keek om zich heen, maar haar zus was gelukkig verdwenen. Waar was het monster?
Haar hart bonsde in haar borstkas terwijl ze om haar as draaide en in het donker zocht. Hun kleine boerderij leek zo klein en kwetsbaar. Ze hoorde de schapen blaten en tegen de muren bonken in de schuur.
Hun dichtstbijzijnde buurman woonde kilometers verderop. De weg was nog steeds een paar minuten hard rennen. En wat moesten ze daarna doen?
Hoe zou de weg hen beschermen? Er reden geen koetsen of wagens in het holst van de nacht. En niemand zou de moeite nemen om drie wanhopige boerenvrouwen te helpen die in het donker onzin over monsters praatten.
„Carol!“ klonk de stem van Belinda ergens voor hen.
Waarom riep ze haar? Hou je mond!
„CAROL!“
„Hou je mond!“ schreeuwde Carolyn terug. „Ren! Ga!“
Haar moeder gilde en klemde zich vast aan de arm van Carolyn toen er weer een vreselijke brul klonk. Het kwam uit hun huis. Het monster was er nog steeds.
De schapen begonnen te gillen.
„Kom op, mama,“ siste Carolyn, en ze trok haar overeind.
Haar moeder liep haastig achter haar aan, maar na een klein stukje struikelde ze alweer.
„Ik kan het niet. Ik kan het niet,“ hapte ze naar adem. Ze boog voorover en had moeite om te ademen. Haar wollen nachtjapon hield de kou niet tegen. Haar adem kwam er als een wit wolkje uit en haar lippen waren wit. Ze was een van haar pantoffels kwijtgeraakt.
„God,“ zei haar moeder met een schorre stem. „Ga! Ga naar je zus. Ze heeft je nodig!“
Carolyn keek over haar schouder.
„Ga! Je bent een dwaas. Ga!“ Ze gaf Carolyn een slappe duw en viel toen voor de tweede keer op de grond.
Carolyn deed een stap achteruit bij het geluid van weer een verschrikkelijke brul. Het was zo hard en zo diep dat het leek alsof de lucht trilde. Er was hard gebonk te horen.
Het klonk alsof het de muren kapotsloeg en de vloerplanken openbrak. Alles kapotmaakte wat het maar kon. Als een dier. Als het monster dat het duidelijk was. Het was boos. Het was op zoek naar hen.
„Mama. Ik hou van je,“ bracht ze hees uit.
„Ga!“
















































