
De Gouden Wolven Serie
Auteur
Lydia Rose
Lezers
851K
Hoofdstukken
30
Hoofdstuk 1
Boek 1: Hating Arlo
LILY
De smerige brandlucht hangt om me heen als een dikke, zware deken. Ik hoest één keer. En dan nog een keer.
Mijn ogen branden pijnlijk terwijl ik de kamer rondkijk voor antwoorden. Mijn blik valt op de onderkant van mijn deur. Daar zweeft rook mijn kamer binnen. Ik zwaai mijn benen over de rand van het bed en haast me in paniek naar de deur.
Ik kan maar aan één ding denken terwijl ik naar de rook in mijn kamer staar. Brand.
***
Bij brand hoort de rookmelder af te gaan om de mensen in huis te waarschuwen. Maar dat gebeurde niet in mijn huis. Waarom?
Tot op de dag van vandaag weet ik het niet. Wat ik wel weet, is dat ik die dag drie heel bijzondere mensen ben kwijtgeraakt. Twee door de brand en één door verdriet.
Veel mensen zeggen dat het een vreselijk ongeluk was dat niet alleen mijn hart brak, maar ook dat van hen.
Op de begrafenis huilden ze en klopten ze vol medelijden op mijn schouder. Het maakte me boos. Ik werd heel erg boos bij de gedachte dat deze mensen deden alsof zij hun eigen geliefden waren kwijtgeraakt.
Sommigen stonden dicht bij mijn ouders. Maar anderen kenden hen amper. Het maakte me razend dat ze deden alsof ze huilden om een oude en dierbare vriend.
Amber, mijn zus, zei helemaal niets. Eigenlijk heeft ze sinds die dag amper nog gesproken.
Ze rouwt, dat blijf ik mezelf voorhouden. Amber is altijd al meer gesloten geweest dan ik. Ik hield mezelf vaak voor dat ze heel zwak was. In werkelijkheid klopt dat niet. Ze gaat gewoon... anders met dingen om.
We zijn dan wel een tweeling, maar we lijken totaal niet op elkaar. Amber is nogal rustig en verlegen. Ik ben juist brutaal en koppig. Vroeger was zij altijd vrolijk en ik juist humeurig. Dus we lijken misschien qua uiterlijk op elkaar, maar verder zijn we heel verschillend.
We zijn allebei onszelf. En we gaan anders met dingen om. Ik wou alleen dat ze mij niet zou buitensluiten.
Ik ben mijn ouders ook kwijt. Ik rouw ook. En ik heb dit ook helemaal alleen moeten verwerken.
Mijn gemene tante, die ik graag vergelijk met een boze heks, stelde voor dat Amber en ik naar een kostschool zouden gaan. Naar verschillende kostscholen. Amber knikte gewoon ja, zonder er verder over na te denken.
Voor mij was het moeilijker. Ik zat al mijn hele leven op een gewone school. Al mijn vrienden waren hier. Ik kon ze niet zomaar achterlaten. Ik had ze nodig.
Maar tegelijkertijd wilde ik ook tijd om opnieuw te beginnen zonder mijn ouders.
Ik moest hun dood accepteren en ontdekken wie ik zonder hen was. Pas op de dag van ons vertrek besefte ik dat we naar verschillende scholen gingen. Op het treinstation gaf ik Amber een dikke knuffel. Ik negeerde dat ze er helemaal stijf van werd.
Ik beloofde haar dat ik één keer per week zou bellen. Amber zei niets terug. Maar ik zag wel de tranen in haar ogen toen ze de trein in stapte.
Amber gaat naar een kostschool ergens in het noorden. Het is een vrij nieuwe en hele chique school.
Ik ga naar een school die redelijk dicht bij huis ligt, zo'n honderdvijftig kilometer van Londen op het platteland. Mijn kostschool is blijkbaar erg apart en belangrijk.
Toen ik het opzocht op internet, kwam ik achter twee belangrijke dingen.
Iedereen daar is rijk en verwend.
En ik zal heel erg veel moeten studeren.
Ik vraag me nog steeds af hoe mijn gemene tante het schoolgeld heeft kunnen betalen.
Ik denk niet dat het goedkoop was. Ik ken mijn tante niet zo goed. We gingen amper bij haar langs toen mijn ouders nog leefden. Ik wist wel dat ze geen geweldige baan had. Mijn familie had niet heel veel geld, maar wel genoeg om van te leven.
We hadden het... goed.
Mijn gedachten stoppen als de taxichauffeur richting aangeeft naar rechts. Hij verlaat de hoofdweg en slaat een landweggetje in.
„We zijn er bijna, juffrouw. Het is een prachtige plek, u zult het er vast naar uw zin hebben,“ vertelt hij me met een zwaar accent. Ik heb het nog niet eerder gehoord. Het zal wel iets van hier zijn.
Ik geef de man een gespannen glimlach en kijk uit het raam. „Bedankt, dat denk ik ook wel.“
Even later zie ik een groot huis.
Het wordt omringd door grasvelden en kleinere gebouwen. Ik zie kinderen van verschillende leeftijden die aan het sporten en kletsen zijn. Niemand kijkt naar de taxi. Ze hebben het allemaal te druk met hun vrienden. Het huis is gigantisch, echt een landhuis.
Het moet natuurlijk ook wel groot zijn. Dit is een kostschool voor rijke kinderen. Ze beginnen hier als ze elf zijn en ze blijven tot hun achttiende. Ik herinner me van de website dat ze zo'n honderd leerlingen per jaar hebben.
Ik las ook dat sommigen naar huis gaan als ze dichtbij wonen. Maar de meesten blijven hier slapen.
De chauffeur stopt bij de trap voor de ingang en stapt uit.
Ik kijk hoe hij naar de achterkant van de auto rent en de kofferbak opendoet. Zuchtend leg ik mijn hand voorzichtig op de deurhendel en duw de deur open. De geur van het platteland komt me direct tegemoet. Het enige wat ik echt ruik is koeienpoep. Heerlijk.
Ik ben een stadsmeisje. Geen plattelandsmeisje.
Een paar leerlingen lijken me nu op te merken en staren me nieuwsgierig aan. Ik voel me opeens heel erg zenuwachtig.
Ik probeer mijn snel kloppende hart rustig te krijgen. Ik zet een onverschillige blik op. Ik vraag me af wat ze over me zeggen. Hebben ze het over mijn kleding, of over hoe ik eruitzie?
Zeggen ze dat ik er niet goed genoeg uitzie voor deze plek?
Het idee dat ik hier niet hoor, komt hard aan. Ik ben niet rijk. Ik kom niet uit een rijke familie. Ik ben heel gewoon. Er is niets speciaals aan mij.
„Juffrouw, ik hoop dat u het niet erg vindt dat ik het zeg, maar ik zie veel verdriet in uw ogen,“ zegt de taxichauffeur. Hij klinkt alsof hij zich verontschuldigt.
„U heeft uw hele leven nog voor u, juffrouw. U bent te mooi om verdrietig te zijn. Ik hoop dat deze plek u wat opvrolijkt.“
Ik geef hem een kleine glimlach en strijk een pluk blond haar achter mijn oor. Ik kijk expres niet in de spiegel. Ik haat het om het verdriet in mijn eigen ogen te zien.
Iedereen die naar me kijkt, kan het zien. Het is overduidelijk.
Ik wil de man vertellen dat ik niets heb om naar uit te kijken. Mijn tweelingzus wil me niet meer kennen. Mijn ouders zijn er niet meer. En ik ben weggestuurd naar een kostschool omdat mijn eigen tante een hekel aan me heeft.
„Bedankt,“ zeg ik tegen de man. Ik doe een stap naar achteren. Vanuit mijn ooghoeken zie ik een paar meiden bij de grote deuren staan. Ze fluisteren met elkaar.
Ik krijg een brok in mijn keel als ik ze zie. De chauffeur merkt gelukkig niet dat ik me ongemakkelijk voel. Ik wil niet dat iemand weet dat ik een beetje bang ben. Bang voor een paar tienermeiden die de macht hebben om mijn leven tot een hel te maken.
Niet dat het dat nog niet is. Ik zou niet weten hoe het nog veel erger kan worden.
Hij knikt stijfjes en draait zich om. Hij laat me alleen achter op deze nieuwe en enge school. Ik wil zo graag terug naar huis, naar de plek waar mijn vrienden wonen.
Natuurlijk ben ik blij dat ik sommige dingen kan achterlaten. Zoals de slechte herinneringen. Toch gaat er veel veranderen. En ik heb het gevoel dat het er niet beter op zal worden.
Een vrouw van middelbare leeftijd komt uit de hoofdingang van de school. Ze loopt mooi de trap af. Haar donkerbruine ogen blijven de hele tijd strak op mij gericht.
Ze draagt de duurste Chanel-jurk van dit moment en prachtige hoge hakken. Alles aan haar straalt geld en macht uit. Ze stopt voor me. Door haar hoge hakken torent ze ver boven me uit.
Ik maak mijn rug recht en kijk haar direct in de ogen aan.
„Jij moet Lily Cartwright zijn,“ zegt ze, terwijl ze me onopvallend van top tot teen bekijkt. Zwijgend knik ik. „Mooi, ik zal je naar je kamer brengen. Ik ben conrector Elizabeth. Je zult me ook zo aanspreken, begrepen?“
Opnieuw knik ik. Ze kijkt me goedkeurend aan en begint weer de trap op te lopen. Als ze merkt dat ik niet meeloop, trekt ze een boos gezicht.
„Nou, waar wacht je nog op?“
Ik weet het eigenlijk ook niet.
Ik zak door mijn knieën en pak mijn koffer en tas op. Ik loop achter conrector Elizabeth aan.
„Je deelt een kamer met Trinity Price. Ze is een aardig meisje dat heeft beloofd je rond te leiden,“ vertelt ze me. Ze leidt me de school in. Zodra ik binnenstap, ruik ik direct een geur van oude boeken.
Het gebouw zelf is heel oud en apart. Maar verder is alles heel modern. Er staat bijvoorbeeld een tv op een houten plank boven mijn hoofd. Deze heet iedereen welkom die binnenkomt.
De meubels zien er duur uit. Ze passen perfect bij de bruine en rode kleuren van de muren.
We lopen naar de grote hoofdtrap. Er hangt een enorme kroonluchter over ons heen.
Met veel moeite til ik mijn spullen de trap op, zonder enige hulp van de conrector. Mij valt iets vreemds op wanneer een leerlinge heel dicht bij me komt staan, met haar neus naar voren gestoken alsof ze aan me wil snuffelen.
Gelukkig stap ik snel achteruit voordat ze dat echt kan doen. Conrector Elizabeth ziet de meid. Ze probeert haar onopvallend een boze blik te geven.
Ik zie iets in haar ogen waardoor ik denk dat ze iets verbergt. Maar ik heb geen echt bewijs. Dus ik kan niet zomaar vragen wat ze dan precies verbergt.
Al snel lopen we door grote versierde gangen. We lopen langs leerlingen die me ook al zo vreemd aankijken. Net als dat meisje van daarnet, komen sommigen bijna naar me toe om aan me te snuffelen. Wat is er toch mis met deze leerlingen?
Waarom in vredesnaam zouden ze aan me willen snuffelen?
„112,“ zegt de conrector plotseling. Ik schrik ervan en knipper domweg met mijn ogen naar haar. Ze rolt nog net niet met haar ogen. Maar ze weet zich in te houden.
„Dit is je kamer,“ legt ze uit. Ze klinkt alsof het haar verveelt. „Hier is je sleutel. Je kamergenoot weet al dat je komt. Zij zal je alles vertellen wat je moet weten.“
Voordat ik ook maar één woord kan zeggen, draait ze zich om en loopt deftig de gang in. Haar geverfde blonde krullen stuiteren op haar rug. Haar heupen wiegen heen en weer.
Ik richt mijn aandacht weer op de deur met het nummer 112 erop. Ik haal diep adem en open de deur. Ik probeer mijn zenuwen in bedwang te houden. Ik ontmoet alleen maar mijn nieuwe kamergenoot. Het is niet zo'n groot probleem. Ik kan dit.
Mijn ogen vallen meteen op het prachtige meisje dat op haar bed zit. Haar zwarte haar valt heel soepel langs haar dunne rug naar beneden. Ze slaat haar donkerbruine ogen op en kijkt me rustig aan. Daarna geeft ze me een ontzettend mooie en stralende glimlach.
Dit meisje is onbeschrijfelijk mooi. Zo mooi dat het bijna niet echt lijkt. Ze heeft een perfecte getinte huid en een strak gezicht. Ook is ze lang en heel erg slank. Ze zou wel een model kunnen zijn.
„Jij moet Lily zijn.“
















































